Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201306193/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:950, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2011 heeft het college aan [wederpartij] omgevingsvergunning verleend voor planologisch strijdig gebruik van een tuinhuis op het perceel [locatie 1] te Apeldoorn, voor zolang en voor zover aan het daaraan verbonden voorschrift wordt voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6354

Uitspraak

201306193/1/A1.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juni 2013 in zaak nr. 12/1207 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft het college aan [wederpartij] omgevingsvergunning verleend voor planologisch strijdig gebruik van een tuinhuis op het perceel [locatie 1] te Apeldoorn, voor zolang en voor zover aan het daaraan verbonden voorschrift wordt voldaan.

Bij besluit van 29 juni 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 juni 2012 vernietigd en het college opgedragen om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 24 oktober 2013 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het door [wederpartij] tegen het besluit van 15 december 2011 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, onder wijziging en beperking van het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift.

Bij brief van 5 december 2013 heeft [wederpartij] daartegen gronden naar voren gebracht.

Bij brief van 5 december 2013 hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] daartegen bezwaar gemaakt bij het college. Het college heeft dit bezwaarschrift doorgezonden aan de Afdeling. Voorts hebben [belanghebbende A] en Wetering bij brief van 31 december 2013 gronden bij de Afdeling ingebracht tegen het besluit.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Toorn, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. J.H. Brouwer, advocaat te Apeldoorn, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende A], eveneens bijgestaan door mr. J.H. Brouwer, gehoord.

Overwegingen

1. Het woonperceel van [wederpartij] omvat het kadastrale perceel R1678. Het woonperceel van [belanghebbenden] aan de [locatie 2] te Apeldoorn, omvat het kadastrale perceel R1016. Het tuinhuis staat op het kadastrale perceel R5376. Dit perceel grenst aan de beide voormelde kadastrale percelen. [belanghebbende A] en Wetering hebben dit perceel met het zich daarop bevindende tuinhuis in het verleden aan [wederpartij] verkocht, waardoor dit perceel ten tijde van belang deel uitmaakte van het woonperceel van [wederpartij].

Het voorschrift dat het college aan de omgevingsvergunning heeft verbonden luidt als volgt: "Het eigendom van het bijgebouw (tuinhuis) en de onderliggende grond, inclusief alle andere zakelijke rechten daarop, dienen te berusten bij de eigenaar van het perceel [locatie 1], kadastraal bekend, gemeente SRNOO, sectie R, nummer 1678 en 5376".

2. Ingevolge artikel 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), voor zover thans van belang, worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op zichzelf bevoegd was het in geding zijnde voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden, aangezien dit dient ter bescherming van een belang dat artikel 2.10 van de Wabo beoogt te beschermen, namelijk het belang bij het aan banden leggen van bouwmassa’s in gebieden waarvoor een bestemmingsplan geldt. Zij is voorts tot de conclusie gekomen dat de reden waarom het college het voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden onvoldoende blijkt uit het besluit van 29 juni 2012. Naar het oordeel van de rechtbank is die reden eerst ter zitting duidelijk geworden, namelijk het aan banden leggen van de overdraagbaarheid van het perceel R5376 aan de eigenaar of eigenaren van het perceel [locatie 2] teneinde te voorkomen dat de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stadsdeel Noord-West" (hierna: het bestemmingsplan) maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken op het achtererf van het perceel [locatie 2] in aanzienlijke mate zal worden overschreden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het voorschrift niet exacter en op een voor [wederpartij] minder belastende wijze is geformuleerd, bijvoorbeeld door slechts de overdracht van het perceel R5376 aan de eigenaar van het perceel [locatie 2] te verbieden.

4. Het betoog van het college dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het voldoende heeft onderbouwd waarom het het voorschrift aan de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning heeft verbonden faalt, reeds omdat het ter motivering van dit betoog, onder verwijzing naar het besluit van 29 juni 2012 en het verweerschrift in bezwaar van 28 februari 2012, volstaat met de stelling dat het aan de omgevingsvergunning verbinden van het voorschrift wel degelijk voldoende is gemotiveerd en niet ingaat op de door de rechtbank genoemde redenen waarom dat niet het geval is. Hetgeen door het college ter zitting van de Afdeling in dit verband naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat die argumenten geen onderdeel uitmaken van het hogerberoepschrift.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Bij het besluit van 24 oktober 2013 heeft het college het aan de verleende omgevingsvergunning verbonden voorschrift beperkt en gewijzigd, zodat het komt te luiden: "Het is niet toegestaan om het eigendom van het bijgebouw (tuinhuis) en de onderliggende grond, inclusief alle andere zakelijke rechten daarop, over te dragen aan één of meerdere eigenaren van het perceel [locatie 2] te Apeldoorn" (hierna: het gewijzigde voorschrift).

7. Het besluit van 24 oktober 2013 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, met betrekking tot [wederpartij] van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

Het door [belanghebbenden] in de vorm van een bezwaarschrift bij het college ingediende beroep tegen dit besluit, is, gelet op het bepaalde in artikel 6:13, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, niet-ontvankelijk. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat hun niet redelijkerwijs kan worden verweten dat zij niet zijn opgekomen tegen het besluit van 15 december 2011. Voorts is niet is gebleken dat zij als gevolg van het besluit van 24 oktober 2013 in een nadeliger positie zijn komen te verkeren. Evenals uit het oorspronkelijke voorschrift, volgt uit het gewijzigde voorschrift dat het niet is toegestaan dat het perceel R5376 met het zich daarop bevindende tuinhuis, aan hen in eigendom wordt overgedragen.

8. [wederpartij] betoogt dat het besluit van 24 oktober 2013 voor vernietiging in aanmerking komt, omdat met het aan de verleende omgevingsvergunning verbonden voorschrift een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen een of meer eigenaren van het perceel [locatie 2] en een of meer eigenaren van een of meer andere aan perceel R5376 aangrenzende percelen. Volgens haar valt niet in te zien waarom de door het college ongewenst geachte verstening en verdichting niet zou optreden wanneer het tuinhuis met toebehoren niet aan de eigenaar of eigenaren van het perceel [locatie 2], maar aan een derde met een aangrenzend perceel zou worden verkocht, aangezien het in alle gevallen om dezelfde bouwmassa gaat.

8.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2013 in zaak nr. 201211044/1/A1), wordt overwogen dat het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere gewezen uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de Afdeling van de juistheid van het eerdere gegeven oordeel heeft uit te gaan. Tegen het oordeel van de rechtbank dat het college gelet op de zich in dit geval voordoende feiten en omstandigheden heeft kunnen besluiten om ter voorkoming van een ter plaatse ongewenste bouwmassa op een woonperceel en de daarbij behorende gronden een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden dat ertoe strekt tegen te gaan dat perceel R5376 en het zich daarop bevindende tuinhuis opnieuw gaat behoren tot het woonperceel [locatie 2], is geen hoger beroep ingesteld. Dat oordeel, daargelaten de juistheid daarvan, staat daarom in rechte vast. Dit betekent dat het geschil zich thans beperkt tot de vraag of het college met het besluit van 24 oktober 2013 aan de door de rechtbank aan hem gegeven opdracht heeft voldaan.

8.2. Het gewijzigde voorschrift is voor [wederpartij] minder belastend dan het voorschrift dat oorspronkelijk aan de omgevingsvergunning was verbonden, nu daarbij wat betreft de gelding van die vergunning uitsluitend nog de eis is gesteld dat het perceel R5376 niet kan worden overgedragen aan de eigenaar of eigenaren van het perceel [locatie 2]. Het college heeft hiermee uitvoering gegeven aan de desbetreffende overwegingen van de rechtbank. Het betoog van [wederpartij] kan hieraan niet afdoen.

Dit faalt daarom.

9. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 24 oktober 2013 is ongegrond. Het beroep van [belanghebbende A] en Wetering tegen dat besluit is niet-ontvankelijk.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. verklaart het beroep van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 24 oktober 2013, kenmerk VR/AVV/JT 2013-518815, niet-ontvankelijk;

III. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen dat besluit ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

407-619.