Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201303601/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:1156, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2010 heeft het college aan het waterschap Hunze en Aa's bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een ecoduiker op het perceel, plaatselijk bekend [2 locaties] te Bad Nieuweschans (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303601/1/A1.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Nieuweschans, gemeente Oldambt (hierna: [appellant A] en [appellant B]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 maart 2013 in zaak nr. 12/826 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2010 heeft het college aan het waterschap Hunze en Aa's bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een ecoduiker op het perceel, plaatselijk bekend [2 locaties] te Bad Nieuweschans (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2014, waar [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door H. van Houten en M. Beute, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het waterschap, vertegenwoordigd door P. Nieuwenhuizen, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een betonnen ecoduiker op het perceel met een lengte van 21,86 m, een hoogte van 2 m en een breedte van 3 m. Daarnaast voorziet het bouwplan in het plaatsen van twee betonnen faunaduikers aan weerszijden van de ecoduiker, met een doorsnede van 800 mm. De ecoduiker en de twee faunaduikers worden onder de Hamdijk door, onder het maaiveld, gerealiseerd.

2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de hangende de bezwaarprocedure aangebrachte wijzigingen in het bouwplan niet had mogen betrekken in het besluit op bezwaar van 17 juli 2012. Hiertoe voeren zij aan dat het waterschap een nieuwe bouwaanvraag had moeten indienen voor het gewijzigde bouwplan, waarop de bouwtekening van 4 juli 2012 en de constructieberekeningen van 6 juli 2012 betrekking hebben.

2.1. Blijkens de bij het besluit op bezwaar behorende bouwtekening en de daarbij ter zitting door partijen gegeven toelichting, hebben de in bezwaar aangebrachte wijzigingen in het bouwplan betrekking op het verwijderen van een houten damwand als faunakering en het daarvoor in de plaats aanbrengen van een afrastering met een hoogte van ongeveer 1 m als faunakering en uit het verplaatsen van de twee faunaduikers, beide over een afstand van ongeveer 12 meter, in de richting van de ecoduiker. Verder worden de faunaduikers op andere wijze gefundeerd.

Hoewel deze wijzigingen op zichzelf niet zonder meer als gering zijn aan te merken, zijn zij, in relatie tot de totale omvang van het bouwplan en de vrijwel ongewijzigde uiterlijke verschijningsvorm daarvan, en in aanmerking genomen dat het bouwplan onder het maaiveld wordt gesitueerd, in planologisch opzicht niet van grote betekenis.

De vervanging van de eerder voorziene houten damwand door de afrastering van ongeveer 1 m hoog, bestaande uit houten staanders met daartussen gaas, maakt niet dat niettemin sprake is van een planologisch relevante wijziging. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende foto’s, blijkt dat deze afrastering door zijn beperkte hoogte, de transparantie ervan en de begroeiing rondom, voor een groot deel aan het zicht wordt onttrokken. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de wijzigingen wegens de effecten op de omgeving zodanig omvangrijk zijn, dat deze planologisch relevant moeten worden geacht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ook na de aangebrachte wijzigingen in het bouwplan de faunaduikers dezelfde verbinding leggen tussen de percelen aan weerszijden van de Hamdijk, op iets grotere afstand van de percelen van [appellant A] en [appellant B] dan eerder voorzien. Nu voorts niet is gebleken dat derden door de wijzigingen in hun belangen zijn geschaad, moeten deze als van ondergeschikte aard worden aangemerkt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat hiervoor een nieuwe bouwaanvraag was vereist en het college de wijzigingen niet mocht betrekken in het besluit op bezwaar van 17 juli 2012.

Het betoog faalt.

3. [appellant A] en [appellant B] betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met zowel het Bouwbesluit 2003 en de Bouwverordening, als het bestemmingsplan. Voor zover [appellant A] en [appellant B] in dit kader hebben gesteld dat de maatvoering op de bouw- en constructietekeningen niet overeenstemt, heeft dat betrekking op het bouwplan waarvoor het college op 20 september 2010 bouwvergunning heeft verleend. Dat bouwplan ligt echter niet ter beoordeling voor, nu de wijzigingen in het bouwplan in het besluit op bezwaar zijn betrokken. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] in beroep hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

4. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het positieve advies van Welstands- en monumentenzorg Groningen (hierna: de welstandscommissie) van 26 augustus 2010 niet aan de bouwvergunning ten grondslag heeft mogen leggen. Hiertoe voeren zij aan dat het welstandsadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en de welstandscommissie door de contacten met de gemeente geen objectieve beoordelaar is.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan dat advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook kan laatstgenoemde omstandigheid aanleiding geven tot het oordeel, dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager van een bouwvergunning of derde-belanghebbende daarbij.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de beoordeling door de welstandscommissie niet objectief is. Dat de welstandscommissie uit de aard van haar werkzaamheden contacten met de gemeente onderhoudt, leidt niet tot de conclusie dat de welstandscommissie geen objectieve beoordeling heeft gegeven. Weliswaar zijn de leden benoemd door de gemeenteraad, maar de commissie is niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur en brengt advies uit in het belang van de welstand.

Uit het advies van 26 augustus 2010 volgt dat de welstandscommissie het bouwplan heeft getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota, in het bijzonder aan het beleid en de criteria zoals deze gelden voor "Welstandsgebied 2", het gebied waarin het bouwplan is gelegen. Nu [appellant A] en [appellant B] niet hebben gesteld dat het bouwplan niet aan de toepasselijke welstandscriteria van de welstandsnota voldoet en geen deskundigenbericht hebben overgelegd ter staving van hun stelling dat het positieve welstandsadvies niet aan de vergunningverlening ten grondslag had mogen worden gelegd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op basis van het advies op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan aan de redelijke eisen van welstand voldoet.

Het betoog faalt.

5. Aan het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Benedenloop Westerwoldse Aa, Hamdijk, Bovenlanden en Kuurbos" op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en aanpassing verdient, wordt in deze procedure, die uitsluitend betrekking heeft op de verleende bouwvergunning, voorbijgegaan. Dit betoog hebben [appellant A] en [appellant B] in de bestemmingsplanprocedure aan de orde kunnen stellen.

6. [appellant A] en [appellant B] betogen tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met rijks- en provinciaal beleid, alsmede met het Inrichtingsplan voor de Benedenloop van de Westerwoldse Aa, Kuurbos, Hamdijk en Bovenlanden, en dat de cultuurhistorische waarden en het algemeen en nationaal belang van het landschap Nieuweschans tot Oudeschans zich tegen de vergunningverlening verzetten.

6.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, mag en moet een bouwvergunning alleen worden geweigerd, indien zich een van de in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, vermelde weigeringsgronden voordoet. Hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd over de strijdigheid met provinciaal en rijksbeleid alsmede het inrichtingsplan en het belang van het gebied, heeft geen betrekking op een van deze weigeringsgronden. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat deze gronden niet kunnen leiden tot het oordeel dat het college de bouwvergunning had behoren te weigeren.

Nu uit het voorgaande volgt dat zich geen weigeringsgronden, als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet voordoen, was het college gehouden om voor het bouwplan bouwvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Bolleboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

641.