Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201404738/1/A1 en 201404738/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2013 heeft het college aan de Stichting een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van vijf woonunits voor de duur van vijf jaar aan de Hoenderloseweg 130, 132, 134, 136 en 138 te Ugchelen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404738/1/A1 en 201404738/2/A1.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de stichting Stichting de Woonmensen (hierna: de Stichting), gevestigd te Apeldoorn, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de hoger beroepen van:

1. de Stichting,

2. het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2014 in zaken nrs. 13/2752, 13/2821, 13/2822 en 13/2823 in het geding tussen:

onder meer [wederpartij], wonend te Ugchelen, gemeente Apeldoorn

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2013 heeft het college aan de Stichting een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van vijf woonunits voor de duur van vijf jaar aan de Hoenderloseweg 130, 132, 134, 136 en 138 te Ugchelen (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 1 mei 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 april 2013 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Stichting en het college hoger beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee hoger beroep is ingesteld heeft de Stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 juni 2014, waar de Stichting, vertegenwoordigd door G.T.J. Brugman, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.M. van de Zedde, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. C.M. Dreef, advocaat te Apeldoorn, gehoord.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven dat hun belangen zich er niet tegen verzetten dat onmiddellijk uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak. Blijkens de stukken heeft de gemachtigde van [wederpartij] ook voor andere partijen in eerste aanleg bij de rechtbank opgetreden. De rechtbank heeft het door hen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De gemachtigde van [wederpartij] heeft toegelicht dat die partijen, gelet op de vernietiging door de rechtbank van het besluit van 10 april 2013, hebben afgezien van het instellen van hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

2. De rechtbank heeft het besluit van het college van 10 april 2013 vernietigd, omdat het naar haar oordeel ondeugdelijk is gemotiveerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende is aangetoond dat het realiseren van de woonunits voorziet in een tijdelijke behoefte als bedoeld in artikel 5.18 van het Besluit omgevingsrecht. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat ten tijde van het besluit van 10 april 2013 concrete, objectieve gegevens voorhanden waren op grond waarvan het college de tijdelijkheid van de behoefte aan de woonunits voor een periode van 5 jaar of korter had mogen aannemen.

Tussen partijen is niet in geschil dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de vraag of de rechtbank [wederpartij] terecht heeft aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

3. De Stichting en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [wederpartij] belanghebbende is bij het besluit in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de aan [wederpartij] toebehorende gronden in de onmiddellijke nabijheid zijn gelegen van het perceel waarop het bouwplan is voorzien, omdat die percelen worden gescheiden door de Van Golsteinlaan. Verder betogen zij dat [wederpartij] vanuit zijn woning geen zicht heeft op het bouwplan, vanwege tussenliggende begroeiing. Het college betoogt tot slot dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan gering is.

3.1. Vast staat dat op het perceel ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" de bestemming "Bos- en natuurgebied" rust en dat met het besluit van 10 april 2013 van die bestemming wordt afgeweken ten behoeve van het realiseren van zogenoemde "Skaeve Huse", zijnde sobere eenpersoons wooneenheden bedoeld voor bewoners met een verleden van woonoverlast, of zeer kwetsbare mensen die zich onveilig voelen in groepsopvang voor daklozen en die kiezen voor een zeker isolement. Niet staande kan worden gehouden dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan dusdanig gering zal zijn, dat de woon- en leefomgeving van [wederpartij] daardoor niet zal worden beïnvloed. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de afstand van de woning van [wederpartij] tot het voorziene bouwplan circa 70 m bedraagt en dat zijn gronden slechts worden gescheiden van het perceel waarop het bouwplan is voorzien door de Van Golsteinlaan. Onbestreden is verder dat de inrit van het perceel van [wederpartij] is gelegen op een afstand van circa 25 m tot het bouwplan. Onder deze omstandigheden kan in het midden blijven of [wederpartij] zicht zal hebben op de voorziene woonunits.

De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat [wederpartij] is aan te merken als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

De betogen falen.

4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek van de Stichting om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

651.