Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201311299/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:18863, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311299/1/V2.

Datum uitspraak: 21 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2013 in zaken nrs. 13/28944 en 13/28943 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 december 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.2. De vreemdeling heeft eerder, op 30 september 2010, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die de staatssecretaris bij besluit van 20 september 2011 heeft afgewezen. Het besluit van 11 november 2013 is van gelijke strekking als het besluit van 20 september 2011, zodat op het tegen eerstgenoemd besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.3. De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte de door de vreemdeling overgelegde doopakte en de verklaring van dr. A.J. Plaisier (hierna: Plaisier), scriba van de algemene synode van de Protestantse Kerk in Nederland, van 26 november 2013 als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangemerkt.

2.3.1. Ter staving van zijn stelling dat hij is bekeerd, heeft de vreemdeling in de onderhavige procedure een originele doopakte overgelegd en een verklaring van Plaisier van 26 november 2013. Reeds aan de voorafgaande aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Afghanistan als christen is geboren en gedoopt. Daarover heeft hij evenwel in het nader gehoor in het kader van deze aanvraag verklaard dat hij heeft gelogen. Gelet op deze voorgeschiedenis heeft de vreemdeling met het overleggen van een originele doopakte geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid aangetoond.

2.3.2. Volgens de verklaring van Plaisier was het op het moment van het gesprek tussen hem en de vreemdeling nog maar enkele weken geleden dat de vreemdeling was gedoopt waardoor het moeilijk was een gesprek over geloof, bekering en christen-zijn te hebben. Voorts verklaart Plaisier dat dit gesprek te vroeg kwam en dat het vanwege de korte periode van christen-zijn moeilijk was uit te maken hoe iemand praktiserend christen is. Aan het slot verklaart Plaisier dat het feit dat de vreemdeling een jonge christen is, maakte dat dit gesprek wel een erg voorlopig karakter had, maar dat hij denkt dat diens doop een bewuste keuze is geweest. Gelet op het voorbehoud dat in deze verklaring ook op een aantal andere punten wordt gemaakt, kan ook deze verklaring niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt.

2.3.3. Onder deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter derhalve ten onrechte de doopakte en de genoemde verklaring als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangemerkt. De eerste grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen de staatssecretaris in de tweede grief heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep is ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2013 in zaak nr. 13/28943;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wolff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2014

238.