Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201308001/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het college het door het algemeen bestuur van het Waterschap Rivierenland bij besluit van 26 april 2013 vastgestelde projectplan 'Dijkversterking Kinderdijk-Schoonhovenseveer', goedgekeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308001/1/A4.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Nieuw-Lekkerland, gemeente Molenwaard,

2. [appellant sub 2], wonend te Nieuw-Lekkerland, gemeente Molenwaard,

3. [appellant sub 3], wonend te Nieuw-Lekkerland, gemeente Molenwaard,

4. [appellant sub 4], wonend te Nieuw-Lekkerland, gemeente Molenwaard,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het college het door het algemeen bestuur van het Waterschap Rivierenland bij besluit van 26 april 2013 vastgestelde projectplan 'Dijkversterking Kinderdijk-Schoonhovenseveer', goedgekeurd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door ing. A.A.G.C. Huysmans, [appellant sub 3], [appellant sub 4], bijgestaan door mr. A.M. Bos, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.G. van Hintum, mr. J.A.M. Wennekers en mr. S. Hoitinga, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door D.L. van der Kooij, A. de Fockert, M. Slimmens en G. Westerhof, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet geschiedt de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan.

Ingevolge het tweede lid bevat het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk.

Ingevolge artikel 5.7, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 5.5, behoeft een projectplan tot versterking van primaire waterkeringen de goedkeuring van gedeputeerde staten.

1.1. Ingevolge artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan goedkeuring slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond, neergelegd in de wet waarin of krachtens welke de goedkeuring is voorgeschreven. In de Waterwet is een dergelijke grond voor onthouding van goedkeuring niet opgenomen, zodat het college slechts goedkeuring aan het projectplan kon onthouden wegens strijd met het recht.

2. Het projectplan voorziet in de versterking van delen van de Lekdijk gelegen tussen Kinderdijk en Schoonhovenseveer. Deze delen maken onderdeel uit van dijkring 16 als bedoeld in de Waterwet en voldoen niet aan de in artikel 2.2, eerste lid, in samenhang met bijlage II bij deze wet voor dijkring 16 gestelde veiligheidsnorm met een overschrijdingskans van 1/2000 per jaar.

3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In bijlage I, onder 7.3 (natuur, water en waterstaatswerken), is opgenomen de categorie "aanleg of wijziging van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de waterkering of artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet".

Uit deze bepalingen volgt dat - anders dan [appellant sub 3] betoogt - de Chw op dit geding van toepassing is. Dat het projectplan naar de mening van [appellant sub 3] niet definitief is, maakt dit niet anders.

Dit betekent dat ingevolge artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. In het bestreden besluit is dit bij de rechtsmiddelenvoorlichting ook vermeld.

4. In deze procedure is uitsluitend de vraag aan de orde of het college gehouden was wegens strijd met het recht goedkeuring te onthouden aan het projectplan zoals dat door het algemeen bestuur is vastgesteld (met de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpprojectplan) en bij het college is ingediend. Voor zover het projectplan nadien is of wordt gewijzigd dan wel bepaalde onderdelen van het project in afwijking van het plan zijn of worden uitgevoerd, kunnen deze wijzigingen en wijze van uitvoering in deze procedure in beginsel niet aan de orde komen. De beroepsgronden die daarop betrekking hebben kunnen dan ook niet leiden tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit.

Het beroep van [appellant sub 1]

5. [appellant sub 1] heeft zijn beroepsgrond over de aanleg van een berm op de [locatie 1 en 2] met een hellingshoek van 1:20 ter zitting ingetrokken.

6. [appellant sub 1] heeft bezwaar tegen het vestigen van een zakelijk recht voor onbepaalde tijd op de hem in eigendom toebehorende [locatie 1 en 2]. Hij stelt dat een zakelijk recht niet nodig is voor de veiligheid van de dijk en tot waardevermindering van zijn woning en percelen leidt. Verder wijst hij erop dat het algemeen bestuur het voornemen had een recht van opstal voor bepaalde tijd te vestigen.

6.1. Volgens het projectplan, paragraaf 2.4.1, wil het waterschap gronden binnen de (toekomstige) kernzone die blijvend nodig zijn voor de dijkversterking en na de realisatie daarvan belangrijk zijn voor een doelmatig beheer, in eigendom hebben of verkrijgen. Daartoe wordt allereerst verwezen naar de nota Eigendommenbeleid Waterschap Rivierenland van 27 november 2009 en de Notitie uitwerking beleid grondverwerving dijkversterking van 25 oktober 2011. Het hierin neergelegde beleid gaat primair uit van aankoop van de benodigde gronden en secundair van het vestigen van een zakelijk recht hierop. In het projectplan is hierover het volgende vermeld: "Voor de gronden die blijvend nodig zijn voor de dijkversterking, maar vanuit het oogpunt van doelmatig beheer niet in (juridisch) eigendom bij het waterschap behoeven te zijn, wordt een beperkt (zakelijk) recht gevestigd. Hiervoor geldt dat het vestigen ervan langs de weg van minnelijk overleg tot stand moet komen. Als minnelijke overeenstemming tot vestiging van een beperkt recht niet tot de mogelijkheden behoort, dan wordt gebruik gemaakt van de gerechtelijke procedure tot onteigening. Het waterschap kan besluiten in plaats daarvan gebruik te maken van de gedoogplichtregeling ex artikel 5.24 Waterwet".

6.2. De betrokken percelen van [appellant sub 1] maken onderdeel uit van de toekomstige kernzone van de waterkering. Gelet op het belang van een doelmatig beheer en op het ter zake vastgestelde beleid, heeft het algemeen bestuur in redelijkheid de vestiging van een zakelijk recht op die percelen in het projectplan kunnen opnemen. Op welke wijze dit zakelijk recht wordt verkregen en geconcretiseerd, staat in deze procedure niet ter beoordeling. In het projectplan is uitsluitend het voornemen tot vestiging daarvan opgenomen. Wat betreft mogelijk te lijden schade wordt in het projectplan terecht verwezen naar de in artikel 7.14 van de Waterwet opgenomen schadevergoedingsregeling.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college wegens strijd met recht op dit punt goedkeuring aan het projectplan had moeten onthouden.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellant sub 1] betoogt dat geen juiste taxatie van de waardevermindering van zijn percelen en overige schade heeft plaatsgevonden.

7.1. In het projectplan is uiteengezet hoe met mogelijke schades zal worden omgegaan. Daarbij is onder meer verwezen naar de schaderegeling in artikel 7.14 van de Waterwet. Er is geen rechtsregel op grond waarvan het projectplan de exacte omvang van de schades moet bevatten.

De beroepsgrond faalt.

Het beroep van [appellant sub 3]

8. De beroepsgronden over de gebrekkige communicatie van het waterschap, de omvang van de steunberm, het behoud van de schuur, de stabiliteit van de dijk, het vestigen van een zakelijk recht en taxaties van schade zijn na afloop van de beroepstermijn ingediend, zodat deze ingevolge artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing moeten blijven.

9. [appellant sub 3] betoogt dat in het projectplan onvoldoende rekening is gehouden met de door hem tegen het ontwerpprojectplan naar voren gebrachte zienswijzen.

9.1. Het algemeen bestuur heeft in de "Nota van Beantwoording zienswijzen, toetsingsadvies Commissie voor de m.e.r. en ambtshalve wijzigingen", welke nota deel uitmaakt van het projectplan, op de zienswijzen van [appellant sub 3] gereageerd. [appellant sub 3] heeft niet gemotiveerd waarom de reactie van het algemeen bestuur ondeugdelijk is.

De beroepsgrond faalt.

10. [appellant sub 3] betoogt dat het projectplan mogelijk afwijkt van het ontwerpprojectplan.

10.1. [appellant sub 3] heeft niet toegelicht welke onderdelen van het ontwerpprojectplan zijn gewijzigd. Verder is er geen rechtsregel die zich verzet tegen het in een projectplan aanbrengen van wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan.

De beroepsgrond faalt.

11. [appellant sub 3] stelt dat een aantal kwesties, zoals schadeloosstelling en het gebruik van eigendommen, nog niet is geregeld. Hij betoogt dat het college geen goedkeuring mag verlenen aan een projectplan dat nog niet definitief is.

11.1. Voor zover deze beroepsgrond zich richt op de uitvoering van het projectplan, kan deze, gelet op hetgeen hiervóór onder 4 is overwogen, niet slagen. Verder kan in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat in het projectplan wezenlijke onderdelen ontbreken en het plan derhalve in strijd is met artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet.

De beroepsgrond faalt.

Het beroep van [appellant sub 2]

12. [appellant sub 2] heeft de beroepsgronden over het tracé van de gasleiding, het verleggen van de Bakwetering (de achter de Lekdijk gelegen afwateringssloot) en de voortgang van het project ter zitting ingetrokken.

13. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het vestigen van een zakelijk recht op zijn perceel. Hij stelt dat het onderhoud en beheer van onroerende zaken kan worden vastgelegd in de keur of in een kwalitatieve verbintenis. Dat is minder belastend dan het vestigen van een zakelijk recht, aldus [appellant sub 2].

13.1. Zoals hiervóór onder 6.1 is overwogen, gaat het beleid van het waterschap primair uit van aankoop van de benodigde gronden en secundair van het vestigen van een zakelijk recht daarop. Het algemeen bestuur heeft toegelicht dat en op welke gronden het hieraan de voorkeur geeft boven het aanpassen van de keur of het totstandbrengen van een kwalitatieve verbintenis. Het in het projectplan vastgelegde voornemen om een zakelijk recht te vestigen is in overeenstemming met dit beleid en kan niet in strijd met het recht worden geacht.

De beroepsgrond faalt.

Het beroep van [appellant sub 4]

14. Eerst ter zitting heeft [appellant sub 4] betoogd dat het milieueffectrapport en het projectplan wegens het onvoldoende in beschouwing nemen van milieukundige, planologische, praktische en juridische aspecten, in strijd met de daarvoor geldende inhoudelijke en processuele waarborgen tot stand zijn gekomen. Gelet op artikel 1.6a van de Chw moet deze beroepsgrond buiten beschouwing worden gelaten.

15. [appellant sub 4] stelt dat onvoldoende is onderzocht of er andere mogelijkheden zijn voor de dijkverzwaring en het verleggen van de Bakwetering. Hij noemt in dit verband zes alternatieven die voor hem minder bezwarend zijn.

15.1. In het kader van de milieueffectrapportage is een aantal alternatieven onderzocht. Het algemeen bestuur heeft toegelicht op welke gronden het heeft gekozen voor een dijkversterking in de vorm van een bermdijk in combinatie met het verleggen van de Bakwetering. Verder heeft het algemeen bestuur de aangedragen alternatieven voor de uitvoering van de dijkversterking en de verlegging van de Bakwetering onderzocht en afgewogen. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college wegens strijd met recht op dit punt goedkeuring aan het projectplan had moeten onthouden.

De beroepsgrond faalt.

16. [appellant sub 4] betoogt dat het algemeen bestuur niet heeft aangetoond dat onteigening of de vestiging van een zakelijk recht nodig is voor de dijkversterking. Hij stelt dat indien op zijn perceel tussen de Bakwetering en de Lekdijk een zakelijk recht wordt gevestigd, hij dat perceel niet meer naar wens kan gebruiken.

16.1. Het desbetreffende perceel van [appellant sub 4] maakt deel uit van de toekomstige kernzone van de waterkering. Gelet op hetgeen hiervóór onder 6.1, 6.2 en 13.1 is overwogen, kan het voornemen in het projectplan om op het perceel een zakelijk recht te vestigen niet in strijd met het recht worden geoordeeld. Verder is een mogelijke onteigening volgens het projectplan eerst aan de orde indien geen overeenstemming kan worden bereikt en andere oplossingen niet mogelijk zijn. Alsdan biedt de Onteigeningswet het juridische kader.

De beroepsgrond faalt.

17. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het aanbrengen van nutsleidingen diagonaal door zijn tuin en erf, zoals in het projectplan voorzien.

17.1. Het projectplan bevat een verleggingsplan voor kabels en leidingen. Paragraaf 8.2 van het projectplan vermeldt dat het waterschap de actualiteit van het verleggingsplan voortdurend toetst en het verleggingsplan daar waar nodig wijzigt.

Naar aanleiding van bezwaren van [appellant sub 4] heeft het dagelijks bestuur van het waterschap het voorgenomen traject ter plaatse van zijn perceel gewijzigd, zoals is vastgelegd in de brief van 9 september 2013. [appellant sub 4] heeft gewezen op alternatieven die hij aan het waterschap heeft voorgelegd, doch deze zijn, naar het algemeen bestuur ter zitting aannemelijk heeft gemaakt, uit technisch oogpunt niet haalbaar dan wel bezwaarlijk.

Gelet op het vorenstaande kan in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het college wegens strijd met recht op dit punt goedkeuring aan het projectplan had moeten onthouden.

De beroepsgrond faalt.

18. [appellant sub 4] betoogt dat situatietekeningen zijn gewijzigd, zodat het bestemmingsplan op basis van onjuiste tekeningen zal worden vastgesteld.

18.1. Deze beroepsgrond houdt verband met het vaststellen van het bestemmingsplan; ze richt zich niet tegen de goedkeuring van het projectplan.

De beroepsgrond faalt.

19. [appellant sub 4] stelt dat door verlegging van de Bakwetering en de kap van bomen, zonder dat deze worden herplant, zijn privacy wordt aangetast.

19.1. Door verlegging van de Bakwetering wordt de afstand tot de woning van [appellant sub 4] verkleind van ongeveer 21 tot 14 m. Verder zal nabij de woning een aantal bomen worden gekapt. Het is echter, gelet op onder meer de functie van de Bakwetering, niet aannemelijk dat hierdoor de privacy van [appellant sub 4] in zodanige mate wordt aangetast, dat het college het projectplan niet mocht goedkeuren.

De beroepsgrond faalt.

20. [appellant sub 4] voert aan dat het onduidelijk is waarom de Bakwetering voor zijn woning 7,8 m breed moet zijn, terwijl deze in Nieuw-Lekkerland een breedte heeft vanaf 4 m.

20.1. Het college heeft toegelicht dat volgens het beleid van het waterschap bij een nieuw aan te leggen A-watergang als de Bakwetering een breedte van 10 m wordt aangehouden. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt hiervan afgeweken, mits de wateraan- en -afvoerfunctie niet worden belemmerd. Op verzoek van [appellant sub 4] is in dit geval afgeweken. Uit nadere berekeningen zou zijn gebleken dat een (minimale) breedte van ongeveer 7 m in dit geval mogelijk is.

In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het college wegens strijd met het recht op dit punt goedkeuring aan het projectplan had moeten onthouden.

De beroepsgrond faalt.

21. [appellant sub 4] voert aan dat het algemeen bestuur een zorgplicht heeft. Hij wijst hierbij op het broedseizoen van dieren (vanaf maart 2014) en op Europese regelgeving.

21.1. [appellant sub 4] heeft deze beroepsgrond niet nader geconcretiseerd. Voor zover voor de uitvoering van het projectplan een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet en/of een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist, betekent dit niet dat het college goedkeuring aan het plan had moeten onthouden.

De beroepsgrond faalt.

22. De beroepsgronden over de vermindering van het uitzicht en het verlies van gronden voor tuin / erf en parkeren, heeft [appellant sub 4] ook als zienswijzen tegen het ontwerpprojectplan naar voren gebracht. Het algemeen bestuur heeft in de "Nota van Beantwoording zienswijzen, toetsingsadvies Commissie voor de m.e.r. en ambtshalve wijzigingen", welke nota deel uitmaakt van het projectplan, op deze zienswijzen gereageerd.

[appellant sub 4] heeft niet gemotiveerd waarom de reactie van het algemeen bestuur ondeugdelijk is.

De beroepsgronden falen.

23. Voor zover [appellant sub 4] voor het overige heeft verwezen naar de door hem tegen het ontwerpprojectplan naar voren gebrachte zienswijzen, geldt hetgeen hiervóór onder 22 is overwogen evenzeer.

Conclusie

24. De beroepen zijn ongegrond.

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

190.