Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201400306/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:16069, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400306/1/A3.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2013 in zaak nr. 13/6782 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten toegewezen.

Bij besluit van 16 augustus 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. van Gemert, werkzaam bij Salus Juridische Diensten B.V., en het college, vertegenwoordigd door L. Savas en mr. M. Drazenovic, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. Op 1 maart 2013 heeft [appellant] het college verzocht om openbaarmaking van documenten over de wijze van communicatie vanuit het college richting burgers.

Bij besluit van 8 april 2013 heeft het college de Schrijfwijzer Gemeente Rijswijk (hierna: de Schrijfwijzer) verstrekt en voorts verwezen naar de website van de gemeente Rijswijk (hierna: de gemeentesite).

Hangende bezwaar heeft het college, naar aanleiding van een telefoongesprek met de toenmalige gemachtigde van [appellant], blijkens een brief van 30 juli 2013 [appellant] de handleiding huisstijl van de gemeente Rijswijk (hierna: de Handleiding) digitaal toegezonden.

Bij brief van 1 augustus 2013 betoogt [appellant] dat het toezenden van de Handleiding moet worden gezien als een herroeping van het besluit op aanvraag en hij derhalve recht heeft op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand.

In het besluit van 16 augustus 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond is, omdat met de toezending van de Schrijfwijzer en de verwijzing naar de gemeentesite aan diens verzoek is voldaan. De toezending van de Handleiding valt buiten de omvang van het verzoek en behelst dan ook geen herroeping van het besluit op aanvraag. [appellant] komt derhalve niet in aanmerking voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten, aldus het college.

In het verweerschrift in beroep heeft het college zich aanvullend op het standpunt gesteld dat de Handleiding op de gemeentesite is gepubliceerd en derhalve een reeds openbaar gemaakt stuk is. Ook om die reden behelst de toezending daarvan geen herroeping van het besluit op aanvraag, aldus het college.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het college is gevolgd in diens standpunt door te overwegen dat de toezending van de Handleiding moet worden beschouwd als een onverplichte dienstverlenende handeling en niet als een openbaarmaking in de zin van de Wob. Hiertoe voert hij aan dat uit een telefoongesprek met een medewerker van de gemeente is gebleken dat de Handleiding pas op 23 augustus 2013 integraal op de gemeentesite is geplaatst en de Handleiding derhalve nog niet openbaar was ten tijde van het besluit op aanvraag. Het college heeft in dat besluit ook geen concrete vindplaats van de Handleiding gegeven, maar volstaan met een algemene verwijzing naar de gemeentesite, aldus [appellant].

3.1. Uit door het college overgelegde screenprints volgt dat de Handleiding op 25 juli 2012 op de gemeentesite is gepubliceerd. Aan het betoog van [appellant] dat een medewerker van de gemeente in een telefoongesprek met zijn gemachtigde te kennen heeft gegeven dat de Handleiding eerst in augustus 2013 integraal op de gemeentesite is geplaatst, kan niet de door hem gewenste betekenis worden gehecht, aangezien inmiddels is komen vast te staan dat de bij [appellant] op grond van het gesprek ontstane indruk niet op de werkelijke feiten berust. Daartoe is van belang dat de desbetreffende medewerker heeft verklaard dat het college in augustus 2013 de vindbaarheid van de Handleiding op de gemeentesite heeft verbeterd, maar dat reeds in 2012 alle stukken uit de Handleiding zowel in aparte pagina’s als integraal op de gemeentesite zijn geplaatst. De enkele omstandigheid dat het college in het besluit van 8 april 2013 niet concreet heeft vermeld waar op de gemeentesite de Handleiding te vinden is, biedt geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het toezenden van de Handleiding moet worden beschouwd als een dienstverlenende handeling en niet als openbaarmaking in de zin van de Wob. Gelet hierop heeft de rechtbank evenzeer terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat met het toezenden van de Handleiding het besluit op aanvraag niet is herroepen. [appellant] heeft derhalve geen recht op een proceskostenvergoeding in bezwaar.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

434-816.