Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2683

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201400401/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8759, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400401/1/A3.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 november 2013 in zaak nr. 13/4072 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2013 heeft de rechtbank het door

[appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.A.A. Maat, advocaat te Goes, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Koning, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG worden de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, nr. 5409; hierna: Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die over de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat niet wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 zijn omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

2. [appellant] heeft op 24 oktober 2012 een aanvraag om afgifte van een VOG ingediend ten behoeve van de functie van wegvervoerondernemer goederenvervoer. De staatssecretaris heeft op deze aanvraag het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden ‘informatie’, ‘geld’, ‘zakelijke transacties’, ‘proces’ en ‘aansturen organisatie’ van toepassing geacht.

De staatssecretaris heeft afgifte van de door [appellant] gevraagde VOG geweigerd en hieraan ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) staat geregistreerd een nog openstaande zaak wegens twee gevallen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, gepleegd in de periode vanaf 1 november 2011 tot en met 11 januari 2012, diefstal onder strafverzwarende omstandigheden, gepleegd in de periode vanaf 1 november 2011 tot en met 11 januari 2012 en opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, gepleegd op 11 januari 2012. Voorts is [appellant] op 26 juni 2009 veroordeeld wegens, voor zover thans van belang, overtreding van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, tot een geldboete van € 500,- subsidiair tien dagen hechtenis. Voorts stelt de staatssecretaris dat hij, nu [appellant] binnen de terugkijktermijn voorkomt in het JDS, gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS heeft ontvangen. Hieruit blijkt dat [appellant] in de periode 1995 tot en met 2006 verscheidene keren met justitie in aanraking is gekomen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris bij het beoordelen van het risico voor de samenleving heeft volstaan met standaardoverwegingen en niet de specifieke omstandigheden van zijn geval in ogenschouw heeft genomen. Zo heeft de staatssecretaris geen aandacht besteed aan de specifieke omstandigheden omtrent de verdenking van exploitatie van een hennepkwekerij. Voorts kan de veroordeling wegens het in bezit hebben van een wapen niet worden gerelateerd aan enig crimineel netwerk, nu de ernst van het feit gering is, aangezien het slechts een luchtbuks betrof. Tot slot voert [appellant] aan dat de staatssecretaris de verdenking van diefstal onder verzwarende omstandigheden niet mocht aanmerken als een op zichzelf staand justitieel gegeven, aangezien het hier gaat om diefstal van stroom en deze verdenking samenhangt met de verdenking van exploitatie van een hennepkwekerij.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 11 juli 2012 in zaak nr. 201107161/1/A3), dient de staatssecretaris bij de toepassing van het objectieve criterium te onderzoeken of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. Dit risico is door de staatssecretaris beoordeeld aan de hand van het algemene screeningsprofiel met de onder 2 genoemde risicogebieden. De staatssecretaris heeft in het besluit van 10 juni 2013 terecht overwogen dat de opsomming van de in het algemene screeningsprofiel genoemde risico’s geen limitatief karakter heeft. Het is dus mogelijk dat een VOG wordt geweigerd op grond van een justitieel gegeven dat niet wordt vermeld in het risicogebied van het algemene screeningsprofiel, indien dit gegeven relevant is voor de specifieke taak of bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013 in zaak nr. 201301572/1/A3).

De staatssecretaris heeft - onbestreden - overwogen dat [appellant] in de functie van wegvervoerondernemer goederenvervoer belast is met het transporteren van goederen over de weg, zakelijke contacten heeft, een bedrijf bestuurt en eventuele werknemers aanstuurt.

Volgens de staatssecretaris is bij een drugsdelict, indien herhaald in voornoemde functie, het risico aanwezig dat misbruik zal worden gemaakt van het distributienetwerk. Bij vermogensdelicten is, indien herhaald in die functie, het risico aanwezig dat goederen van derden worden ontvreemd. Ter zake van de overtreding van de Wet wapens en munitie stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat, indien herhaald in voornoemde functie, een risico aanwezig is voor het welzijn en de veiligheid van de personen met wie [appellant] in de uitoefening van zijn functie in aanraking komt. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op de specifieke taken en bezigheden die aan de functie van wegvervoerondernemer goederenvervoer zijn verbonden en de van toepassing geachte risicogebieden, de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de strafbare feiten niet te verenigen zijn met voornoemde functie. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris in zijn beoordeling van het risico voor de samenleving onvoldoende rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden van zijn geval, kan niet slagen, aangezien de staatssecretaris de justitiële gegevens op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager moet beoordelen en dient uit te gaan van de justitiële gegevens uit het JDS en daarin geen zelfstandige afweging behoeft te maken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012 in zaak nr. 201201142/1/A3).

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan en derhalve in beginsel de afgifte van de VOG kon weigeren.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn persoonlijke belang minder zwaar weegt dan het maatschappelijk belang. Daartoe wijst hij er op dat de staatssecretaris bij zijn beoordeling een zwaar gewicht heeft toegekend aan de nog openstaande strafzaak betreffende de exploitatie van een hennepkwekerij en diefstal van stroom. In deze zaak is echter ruim twee jaar geleden de voorlopige hechtenis opgeheven wegens het ontbreken van ernstige bezwaren jegens hem en heeft sindsdien geen verdere vervolging plaatsgevonden. Inmiddels kan derhalve wel worden gesproken van een ruim tijdsverloop tussen de gestelde pleegdata van deze strafbare feiten en het bij de rechtbank bestreden besluit. Bovendien is de hennepkwekerij aangetroffen in een loods die hij in eigendom had, maar op dat moment werd verhuurd aan een derde. [appellant] klaagt dat de rechtbank ten onrechte aan deze omstandigheden voorbij is gegaan. Voorts voert [appellant] aan dat de strafbare feiten die buiten de terugkijktermijn zijn aangetroffen zijn afgedaan met lage boetes, een vrijspraak of een sepot en het dus geen ernstige antecedenten betreffen en ook met betrekking tot deze feiten een ruim tijdsverloop bestaat.

4.1. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat tussen het laatste relevante justitiële gegeven en de datum van beoordeling een te korte periode is verstreken om het tijdsverloop in het voordeel van [appellant] te achten. Daarbij heeft de staatssecretaris van belang geacht dat uit informatie van het Openbaar Ministerie volgt dat de nog openstaande zaak geen lichte vergrijpen betreft en [appellant] in het verleden reeds verscheidene keren in aanraking is gekomen met justitie. Aan haar oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van [appellant] minder zwaar weegt dan het maatschappelijk belang heeft de rechtbank met name ten grondslag gelegd de hoeveelheid antecedenten van [appellant] en het feit dat de nog openstaande zaak strafbare feiten betreft die zich in de periode van november 2011 tot en met 11 januari 2012 hebben voorgedaan.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat er geen ruim tijdsverloop bestaat tussen de verdenking van overtreding van de Opiumwet en diefstal onder verzwarende omstandigheden in de periode van november 2011 tot 11 januari 2012 en het besluit op bezwaar van 10 juni 2013. De enkele omstandigheid dat in deze zaak op dat moment nog geen verdere vervolging heeft plaatsgevonden, betekent niet dat de rechtbank daarin reden had moeten zien voor het oordeel dat de staatssecretaris er niet langer van mocht uitgaan dat het hier niet om lichte vergrijpen gaat dan wel dat [appellant] ten onrechte van deze vergrijpen wordt verdacht. Voorts laat het betoog van [appellant] over zijn antecedenten, wat daar verder ook van zij, onverlet dat hij in de periode van 1995 tot 2006 meer dan incidenteel strafrechtelijk is veroordeeld. In het licht van het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de door de staatssecretaris verrichte belangenafweging rechtens juist heeft geacht.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

434-816.