Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201311503/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311503/1/V2.

Datum uitspraak: 11 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2013 in zaak nr. 13/13496 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich bij terugkeer in Somalië vanwege zijn verwestersing niet onder Al Shabaab zal kunnen handhaven. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aan de vreemdeling is om dit aannemelijk te maken en niet aan hem is om het tegendeel aannemelijk te maken.

1.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit onder verwijzing naar paragraaf C7/23.4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn gestelde verwestersing zich niet onder Al Shabaab zal kunnen handhaven. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling, hoewel hij sinds zijn binnenkomst in april 2010 Nederlands heeft geleerd en onderwijs geniet, niet meerdere van zijn vormende jaren in Nederland heeft doorgebracht. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling het grootste deel van zijn vormende jaren in Somalië doorgebracht, nu hij heeft verklaard dat hij van zijn zesde tot zijn twaalfde jaar naar de Koranschool in Somalië is gegaan. Daarnaast spreekt hij Somalisch met zijn familie. De staatssecretaris acht het niet aannemelijk dat zijn beheersing van de Nederlandse taal direct te horen is in zijn uitspraak en beheersing van de Somalische taal. Hierbij heeft de staatssecretaris, naast bovenvermelde omstandigheden, de verklaringen van de vreemdeling dat hij naar het nieuws uit Somalië kijkt en veel tijd thuis doorbrengt, in aanmerking genomen. Ook zijn deelname aan de Nederlandse samenleving, waaronder het volgen van een opleiding, is volgens de staatssecretaris in zijn geval onvoldoende om verwestersing aan te nemen. Gelet op het vorenstaande is onvoldoende gebleken dat de vreemdeling zich bij terugkeer niet zou kunnen handhaven onder de regels van Al Shabaab, aldus de staatssecretaris.

1.2. De rechtbank heeft overwogen dat uit de door de staatssecretaris bij zijn beoordeling betrokken elementen niet zonder meer volgt dat de vreemdeling niet dusdanig verwesterd is dat hij zich niet onder Al Shabaab zou kunnen handhaven. Volgens de rechtbank heeft de vreemdeling meerdere van zijn vormende jaren in Nederland doorgebracht, nu hij tussen zijn dertiende en zeventiende in Nederland heeft verbleven. Dat het sociale leven van de vreemdeling zich afspeelt op of rond school is volgens de rechtbank ontoereikend om aan te nemen dat de mate waarin hij deelneemt aan de Nederlandse samenleving onvoldoende is om verwestersing aan te nemen. De staatssecretaris heeft niet geconcretiseerd welke andere activiteiten hij van de vreemdeling verwacht om wel aan dit criterium te voldoen. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris onvoldoende onderbouwd waarom de beheersing van de Somalische taal niet zou kunnen zijn veranderd, mede gelet op de duur van het verblijf van de vreemdeling, de leeftijd waarop hij naar Nederland is gekomen en de goede beheersing van de Nederlandse taal. Het had op de weg van de staatssecretaris gelegen nader onderzoek te doen naar de taalkennis dan wel het accent van de vreemdeling in het Somalisch, aldus de rechtbank.

1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 juli 2009 in zaak nr. 200904299/1/V2) rust op de vreemdeling de verplichting te voldoen aan de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Door te overwegen als weergegeven onder 1.2. heeft de rechtbank dit niet onderkend. Gelet op voormelde op de vreemdeling rustende bewijslast en de door de staatssecretaris gegeven motivering in het besluit bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet kan handhaven onder de regels van Al Shabaab.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

3. De vreemdeling heeft in beroep onder verwijzing naar artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind betoogd dat de staatssecretaris bij de afwijzing van de asielaanvraag onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan zijn individuele belangen als minderjarig kind. Dit betoog is een herhaling van hetgeen hij in de zienswijze heeft aangevoerd en waarop de staatssecretaris in het besluit gemotiveerd heeft gereageerd. De vreemdeling heeft in zijn beroepschrift niet betoogd dat en waarom deze reactie van de staatssecretaris tekortschiet. Reeds hierom faalt de beroepsgrond.

4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat zich in Zuid- en Centraal- Somalië een uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming biedt.

4.1. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2013 in zaak nr. 201206376/1/V2 en nu uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd niet is af te leiden dat de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië ten tijde van belang wezenlijk afweek van de situatie die in die uitspraak aan de orde was, faalt de beroepsgrond.

5. Voor zover de vreemdeling in beroep heeft beoogd aan te voeren dat hij via Mogadishu zal worden uitgezet naar Galgaduud, waaruit hij afkomstig is, en vanwege de veiligheidssituatie in Mogadishu een reëel risico zal lopen op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden strijdige behandeling, faalt de beroepsgrond gelet op de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2011 in zaak nr. 201010753/1/V2.

6. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond wordt niet toegekomen. Over die grond heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het besluit van 2 mei 2013 waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die grond valt thans dientengevolge buiten het geschil.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2013 in zaak nr. 13/13496;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Yildiz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2014

594-691.