Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201311350/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:8392, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009, verzonden op 16 oktober 2009, (hierna: het besluit van 14 juli 2009) heeft het college een aanvraag van de stichting Stichting tot behoud van het negentiende en twintigste-eeuwse cultuurgoed in Nederland en tot ondersteuning van het Cuypersgenootschap (hierna kortheidshalve: het Cuypersgenootschap) tot aanwijzing van de Christus Koningkerk in Heerlen als gemeentelijk monument, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/773
JG 2014/56 met annotatie van ing. W. Vos

Uitspraak

201311350/1/A2.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het kerkbestuur van de Rooms-Katholieke Parochie Christus Koning, gevestigd te Heerlen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 november 2013 in zaak nr. 11/694 in het geding tussen:

het kerkbestuur

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009, verzonden op 16 oktober 2009, (hierna: het besluit van 14 juli 2009) heeft het college een aanvraag van de stichting Stichting tot behoud van het negentiende en twintigste-eeuwse cultuurgoed in Nederland en tot ondersteuning van het Cuypersgenootschap (hierna kortheidshalve: het Cuypersgenootschap) tot aanwijzing van de Christus Koningkerk in Heerlen als gemeentelijk monument, afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college opnieuw besloten op het door het Cuypersgenootschap daartegen gemaakte bezwaar, dat bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 14 juli 2009 herroepen en de Christus Koningkerk alsnog aangewezen als gemeentelijk monument.

Bij uitspraak van 6 november 2013 heeft de rechtbank het door het kerkbestuur daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het kerkbestuur hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.L. Devoi, werkzaam bij de gemeente Heerlen, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Erfgoedverordening gemeente Heerlen (hierna: de verordening) verstaat de verordening onder gemeentelijk monument: een overeenkomstig de verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, is het verboden zonder een vergunning van het college:

a) een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, onderdeel 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b) een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, onderdeel 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht.

2. Het kerkbestuur is eigenaar van de Christus Koningkerk in Heerlen. Naar aanleiding van de aanvraag van het Cuypersgenootschap heeft het college op 22 oktober 2008 overleg gehad met het kerkbestuur en het bisdom Roermond. Tijdens dit overleg hebben het kerkbestuur en het bisdom uiteengezet dat de afgelopen jaren is gezocht naar een sociaal-maatschappelijk verantwoorde herbestemming van de Christus Koningkerk en er diverse serieuze kansen zijn geweest voor marktpartijen om iets met de kerk te doen. Deze kansen zijn blijven liggen dan wel vooruitgeschoven naar 2010 of later en inmiddels heeft het college een sloopvergunning verleend.

Het college heeft in het besluit van 14 juli 2009 tot afwijzing van de aanvraag van het Cuypersgenootschap het standpunt ingenomen dat behoud van de Christus Koningkerk vanuit economisch oogpunt niet te realiseren is. De kerk wordt niet meer gebruikt, staat leeg en veroorzaakt onveilige situaties. Verder heeft het college van belang geacht dat partijen er niet in zijn geslaagd om een verantwoorde herbestemming te vinden en dat de verleende sloopvergunning onherroepelijk is. Aangezien de wijk Vrieheide, waar de kerk is gevestigd, niet tot de prioritaire wijken behoort, heeft de gemeente daarbij niet meer actief meegedacht in het zoeken naar een herbestemming. Een toekomstvisie voor deze wijk, inclusief de positie van de kerk hierin, is op korte termijn ook niet te verwachten, aldus het college.

Deze afwijzing heeft het college bij besluit van 22 maart 2011 - na gegrondverklaring van het bezwaar van het Cuypersgenootschap - herroepen en de Christus Koningkerk alsnog aangewezen als gemeentelijk monument.

3. Het kerkbestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college de Christus Koningkerk in redelijkheid als gemeentelijk monument heeft kunnen aanwijzen. Volgens het kerkbestuur heeft de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2013 in zaak nr. 201207297/1/A2, ten onrechte van belang geacht dat herbestemmingsmogelijkheden eerst aan de orde kunnen komen bij een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening. Evenmin heeft de rechtbank volgens het kerkbestuur onderkend dat de financiële positie wel degelijk van belang kan zijn bij de toetsing of het college in redelijkheid tot die aanwijzing heeft kunnen besluiten. Het kerkbestuur wijst in dit verband erop dat vooralsnog volstrekt onduidelijk is of herbestemming als archiefbewaarplaats, hetgeen gelet op de in het verleden tevergeefs ondernomen pogingen de enige reële mogelijkheid is, kan worden gerealiseerd. Voorts heeft het college nog geen besluit genomen over de resultaten van het uitgevoerde haalbaarheidsonderzoek, als vermeld in de brief van 2 oktober 2013, aldus het kerkbestuur. Volgens het kerkbestuur heeft er geen evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden en is het besluit van 22 maart 2011 dan ook in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) tot stand gekomen.

3.1. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een zaak als gemeentelijk monument. Die vrijheid vindt haar begrenzing in de verordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ter toetsing staat of het college in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot de aanwijzing heeft kunnen komen. De ten tijde van de aanwijzing bestaande situatie is daarbij van belang.

3.2. Onbestreden is dat de Christus Koningkerk van algemeen belang is vanwege de cultuurhistorische waarde.

In het kader van het nemen van een besluit op het door het Cuypersgenootschap gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2009 heeft het college het kerkbestuur en het bisdom tijdens de hoorzitting van 31 januari 2011 in de gelegenheid gesteld hun zienswijze te geven over een mogelijke aanwijzing van de Christus Koningkerk als gemeentelijk monument. Tijdens die hoorzitting hebben zij herhaald dat zij de afgelopen acht jaar veel onderzoeken hebben gedaan naar mogelijke herbestemmingen en dat deze alle zijn gestrand op financiële onhaalbaarheid. Volgens hen zijn verwijdering of herbestemming van de kerk de enige opties. Verder hebben zij opgemerkt dat de bovenkerk sinds 2005 is gesloten en dat de benedenkapel is leeggeruimd nadat de sloopvergunning is aangevraagd. Ten slotte hebben zij toegelicht dat het kerkbestuur een schuldenlast heeft van € 200.000,00, bestaande uit achterstallige betalingen, verzekeringsgelden en alle andere noodzakelijk kosten voor instandhouding van de kerk.

Het college heeft in het besluit van 22 maart 2011 het standpunt ingenomen dat aan de gestelde belangen van het bisdom en het kerkbestuur geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend. Het college heeft opgemerkt dat de problemen omtrent herbestemming van de kerk eerst aan de orde kunnen komen in het kader van de in artikel 10 van de verordening vermelde vergunningprocedure. Bovendien voorziet dit artikel in de mogelijkheid om een vergunning te verlenen voor afbraak, verstoring, verplaatsing of wijzing. Het feit dat een onherroepelijke sloopvergunning is verleend, acht het college dan ook van onvoldoende betekenis. Evenmin is volgens het college gebleken dat de kerk in een dusdanige slechte staat van onderhoud verkeert dat restauratie niet haalbaar is. Verder acht het college de financiële situatie van de kerk van onvoldoende gewicht om een aanwijzing als gemeentelijk monument achterwege te laten. In dit verband heeft het college van belang geacht dat het bisdom en het kerkbestuur niet aannemelijk hebben gemaakt dat de enkele aanwezigheid van de kerk tot een aanzienlijke waardedaling van de achterliggende (voormalige) pastorie dan wel tot onverkoopbaarheid leidt. Dat er geen geld is voor restauratie acht het college evenzeer van onvoldoende gewicht, nu een aanwijzing als gemeentelijk monument geen verplichting tot onderhoud of restauratie in het leven roept.

3.3. Uit het hiervoor overwogene leidt de Afdeling af dat de onderhavige aanwijzing tot gemeentelijk monument strekt tot behoud van de Christus Koningkerk. Voorts heeft het kerkbestuur aannemelijk gemaakt dat dit behoud uitsluitend door een herbestemming van de Christus Koningkerk kan worden gerealiseerd. In aanmerking genomen dat het kerkbestuur en het bisdom in de voorgaande jaren actief naar mogelijke herbestemmingen van de Christus Koningkerk hebben gezocht en deze alle financieel onhaalbaar bleken te zijn, heeft het college in het besluit van 22 maart 2011 ten onrechte volstaan met het standpunt dat een mogelijke herbestemming van de Christus Koningkerk eerst aan de orde kan komen bij een door het kerkbestuur aan te vragen vergunning, als bedoeld in artikel 10 van de verordening. In het kader van de bij de aanwijzing tot gemeentelijk monument te verrichten belangenafweging had het college moeten onderzoeken en daarmee zekerheid dienen te verkrijgen over de vraag of herbestemming van de Christus Koningkerk kan worden gerealiseerd. Door dit evenwel na te laten, berust de in het besluit van 22 maart 2011 vervatte aanwijzing niet op een deugdelijke motivering en heeft er geen evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 maart 2011 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:4, eerste lid, en artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 november 2013 in zaak nr. 11/694;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen van 22 maart 2011, kenmerk 31003/20100759-A/JD;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Heerlen op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heerlen tot vergoeding van bij het kerkbestuur van de Rooms-Katholieke Parochie Christus Koning in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders aan het kerkbestuur van de Rooms-Katholieke Parochie Christus Koning het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 780,00 (zegge: zevenhonderdtachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. De Heer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

636.