Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201311303/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:8726, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brieven van 22 juli 2013 heeft de korpschef [appellant sub 1] en [appellant sub 2] meegedeeld dat zij uit het tolkenbestand van de politie zullen worden verwijderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311303/1/A3.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Rotterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2013 in zaken nrs. 13/6193, 13/6194, 13/6868 en 13/6869 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij brieven van 22 juli 2013 heeft de korpschef [appellant sub 1] en [appellant sub 2] meegedeeld dat zij uit het tolkenbestand van de politie zullen worden verwijderd.

Bij besluiten van 28 oktober 2013 heeft de korpschef de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2013 heeft de voorzieningenrechter de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A.C. van der Bent, advocaat te Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. W. Andelbeek, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv) is er een register voor beëdigde tolken en vertalers (hierna: het register).

Ingevolge het tweede lid is de minister verantwoordelijk voor het register.

Ingevolge artikel 3 dient de tolk dan wel vertaler om voor inschrijving in het register in aanmerking te komen te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van de volgende competenties:

(…)

- integriteit;

(…).

2. Bij de brieven van 22 juli 2013 heeft de korpschef [appellant sub 1] en [appellant sub 2] naar aanleiding van een betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek meegedeeld dat zij uit het tolkenbestand van de politie zullen worden verwijderd wegens twijfel aan hun betrouwbaarheid. Deze beslissing heeft tot gevolg dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet meer als tolk door de politie zullen worden ingehuurd.

Bij de besluiten van 28 oktober 2013 heeft de korpschef de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brieven van 22 juli 2013 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarbij is redengevend geacht dat de in die brief vervatte beslissing niet gericht is op publiekrechtelijk rechtsgevolg maar op privaatrechtelijk rechtsgevolg, aangezien [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op basis van privaatrechtelijke overeenkomsten werkzaamheden voor de politie hebben verricht.

3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de beslissingen om [appellant sub 1] en [appellant sub 2] uit het tolkenbestand van de politie te verwijderen en derhalve geen gebruik meer te maken van hun diensten als tolk geen publiekrechtelijke rechtshandelingen zijn, aangezien zij hun werkzaamheden voor de politie op basis van privaatrechtelijke overeenkomsten van opdracht verrichtten. Derhalve heeft de korpschef zich terecht op het standpunt gesteld dat de brieven van 22 juli 2013 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en heeft de korpschef de bezwaren hiertegen met juistheid niet-ontvankelijk verklaard, aldus de voorzieningenrechter.

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de voorzieningenrechter dit ten onrechte heeft overwogen. Hiertoe voeren zij aan dat de korpschef een (gepretendeerde) publiekrechtelijke bevoegdheid heeft uitgeoefend, aangezien tolken door de politie worden ingezet bij de uitoefening van de wettelijke taak van de politie om strafbare feiten op te sporen. In het kader van die taak heeft de politie een tolkenbestand aangelegd. Daarmee is volgens hen gegeven dat de beslissing om een tolk uit het tolkenbestand te verwijderen een beslissing is ter uitoefening van een publieke taak. Voorwaarde voor de feitelijke inschakeling als tolk is dat een tolk in het tolkenbestand is opgenomen. Derhalve worden [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hun rechtspositie aangetast door de verwijdering uit het tolkenbestand. De korpschef heeft dit rechtsgevolg volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ook daadwerkelijk beoogd. Zij betogen dat de wetgever met de Wbtv heeft beoogd om een uniforme basis te bieden voor integriteitsborging en om een landelijk register in de plaats te stellen van de tot dan toe bestaande eigen lijsten van instanties. De Wbtv is als exclusieve regeling bedoeld om de integriteit van de door de politie in te schakelen tolken te waarborgen. Het beheer van het register voor beëdigde tolken is op grond van deze wet opgedragen aan de minister van Veiligheid en Justitie. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is het niet toegestaan dat de korpschef daarnaast een privaatrechtelijke bevoegdheid hanteert. Zij betogen voorts dat verwijdering uit het tolkenbestand onrechtmatig was, omdat deze in strijd met het legaliteitsbeginsel niet op een wettelijke grondslag is gebaseerd.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 januari 2013 in zaak nr. 201203715/1/A3 is een rechtshandeling publiekrechtelijk indien het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een bij of krachtens de wet geschapen grondslag. De voorzieningenrechter heeft terecht vastgesteld dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hun werkzaamheden als tolk op basis van privaatrechtelijke overeenkomsten van opdracht verrichtten. Hij heeft met juistheid overwogen dat de beslissingen van de korpschef om hen te verwijderen uit het tolkenbestand van de politie geen publiekrechtelijke rechtshandelingen zijn, maar dat deze gericht zijn op gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden. Dat zij als gevolg van de verwijdering uit het tolkenbestand in de praktijk niet meer als tolk door de politie zullen worden ingezet brengt niet mee dat zij in enig door het bestuursrecht gewaarborgd recht zijn aangetast. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de verwijdering uit het tolkenbestand geen invloed heeft op de inschrijving van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in het door de minister beheerde register als bedoeld in artikel 2 van de Wbtv. Weliswaar kan een bevoegdheid die haar basis vindt in het burgerlijk recht als publiekrechtelijk worden beschouwd indien de bevoegdheid wordt gehanteerd in het kader van een aan het bestuursorgaan opgedragen publieke taak, maar het waarborgen van de kwaliteit en integriteit van tolken is een publieke taak die aan de minister is opgedragen in de Wbtv. Het ingeschreven staan in een van de bij en krachtens de Wbtv gehouden registers is een noodzakelijke voorwaarde om als tolk voor de overheid op te treden. Binnen het bestand van geregistreerde tolken is het echter aan de betrokken bestuursorganen om te beslissen welke tolken door hen worden ingeschakeld. In die keuze laat de Wbtv hen vrij. Het selecteren en inhuren van tolken door de korpschef geschiedt op privaatrechtelijke grondslag. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat de brieven van de korpschef van 22 juli 2013 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat de korpschef dan ook terecht de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

176-805.