Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201310753/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om het gebruik van de dienstwoning op het perceel [locatie 1] te Apeldoorn (hierna: het perceel) als kamerverhuurbedrijf voor 1 april 2013 te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310753/1/A1.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 oktober 2013 in zaak nr. 13/2534 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Apeldoorn,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om het gebruik van de dienstwoning op het perceel [locatie 1] te Apeldoorn (hierna: het perceel) als kamerverhuurbedrijf voor 1 april 2013 te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 22 november 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 november 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2014, waar het college, vertegenwoordigd door G.L. ter Brugge, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de last duidelijk is en dat [wederpartij] had moeten begrijpen dat de term "kamerverhuurbedrijf" in de last de betekenis heeft dat geen enkele vorm van kamerverhuur in de dienstwoning op het perceel is toegestaan. Het voert in dat kader aan dat die term in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kanaal Zone Zuid-Kayersmolen" is gedefinieerd. Voorts voert het aan dat voor de vraag of en in welke vorm na de lastgeving nog kamerverhuur is toegestaan in de dienstwoning op het perceel geen aansluiting kan worden gezocht bij de verordening voor kamerverhuurpanden 2009 (hierna: de verordening), zoals [wederpartij] stelt, nu daarin geen definitie van "kamerverhuurbedrijf" is opgenomen.

1.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 1.34, van de begripsbepalingen wordt in de planregels verstaan onder kamerverhuurbedrijf: Het exploiteren van onroerende zaken door bedrijfsmatige verhuur van in hoofdzaak afzonderlijke kamers ten behoeve van bewoning.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van de verordening wordt verstaan onder kamerverhuurpand: gebouw of een deel van een gebouw met, of geschikt te maken voor drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen. Begeleid wonen wordt niet beschouwd als kamerverhuurpand.

1.2. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2002 in zaak nr. 200202646/1 overwogen, dat de in het kader van bestuurlijke handhaving gegeven last, gezien de daaraan verbonden verstrekkende gevolgen, zodanig duidelijk en concreet geformuleerd dient te zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent hetgeen gedaan of nagelaten moet worden ten einde toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen.

Uit de definitie van "kamerverhuurpand" in de verordening volgt dat het gebruik als kamerverhuurpand is beëindigd indien in het pand niet meer dan twee kamers worden verhuurd. Uit de definitie van "kamerverhuurbedrijf" in het bestemmingsplan volgt dat het gebruik als kamerverhuurbedrijf is beëindigd indien alle drie de kamers in het pand niet meer worden verhuurd.

In de last in het besluit van 11 oktober 2011, zoals gehandhaafd bij besluit van 26 maart 2013, staat dat [wederpartij] het gebruik van de dienstwoning als kamerverhuurbedrijf moet beëindigen en beëindigd houden. De term "kamerverhuurbedrijf" is alleen in de last zelf gebruikt. In het besluit van 11 oktober 2011 ontbreekt een uitleg van deze term en evenmin is in het besluit verwezen naar de begripsbepaling daarvan in het bestemmingsplan. In het besluit wordt verder de term "kamerverhuurpand" gebruikt. Zo staat in de eerste alinea dat het college met de brief het besluit om door middel van het opleggen van een last onder dwangsom handhavend op te treden tegen het gebruik van een dienstwoning als kamerverhuurpand bekendmaakt. In de brief van 23 juli 2012 van het college aan [wederpartij], waarin het zijn voornemen om handhavend op te treden kenbaar heeft gemaakt, wordt alleen de term "kamerverhuurpand" gebruikt. Nu uit het besluit van 11 oktober 2011 en de brief van 23 juli 2012 niet blijkt wat moet worden verstaan onder "kamerverhuurbedrijf" en verder alleen de term "kamerverhuurpand" uit de verordening is gebruikt, kon bij [wederpartij] twijfel bestaan of de last inhield dat hij de verhuur van alle kamers of alleen de verhuur van de derde kamer moest beëindigen om verbeurte van dwangsommen te voorkomen.

Gelet op vorenstaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de last onduidelijk is en het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Bij besluit van 6 december 2013 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 18 februari 2015. Bij besluit van 13 maart 2014 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 11 oktober 2012 in stand gelaten onder aanpassing van de last inhoudende het gebruik van de dienstwoning op het perceel ten behoeve van kamerverhuur te beëindigen en beëindigd te houden voor 18 februari 2015.

Deze besluiten dienen ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.

4. [wederpartij] betoogt dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden, nu kamerverhuur van de bedrijfswoning onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan mag worden voortgezet omdat deze bedrijfswoning nooit industrieel is gebruikt.

4.1. In de uitspraak van 29 oktober 2013 heeft de rechtbank de beroepsgronden van [wederpartij] dat kamerverhuur onder de beschermede werking van het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan mag worden voortgezet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Tegen die uitspraak heeft [wederpartij] geen hoger beroep ingesteld. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206222/1, overweegt de Afdeling dat het niet instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de Afdeling van de juistheid van het eerdere gegeven oordeel heeft uit te gaan.

Het betoog faalt.

5. Dat in de eerste alinea in het besluit van 13 maart 2014 abusievelijk "[locatie 2]" in plaats van "[locatie 1]" is vermeld, maakt, anders dan [wederpartij] betoogt, niet dat onduidelijk is op welk perceel de last betrekking heeft. In de last zelf is het juiste adres inclusief kadastrale aanduiding vermeld. Desgevraagd heeft [wederpartij] ter zitting van de Afdeling van 17 juni 2014 bovendien verklaard dat hij begreep op welk pand de last betrekking heeft.

Het betoog faalt.

6. [wederpartij] betoogt dat het college niet heeft kunnen besluiten de gewijzigde last als bedoeld in het besluit van 13 maart 2014 op te leggen, nu de dienstwoning privé-eigendom is en daarom geen bedrijfsmatige exploitatie van de dienstwoning voor kamerverhuur plaatsvindt.

6.1. Het college heeft in het besluit aan de last toegevoegd, dat onder kamerverhuur moet worden verstaan: het exploiteren van onroerende zaken door bedrijfsmatige verhuur van in hoofdzaak afzonderlijke kamers ten behoeve van bewoning.

6.2. Het feit dat de dienstwoning privé-eigendom is, maakt niet dat geen sprake kan zijn van bedrijfsmatige verhuur van kamers ten behoeve van bewoning. In zoverre valt niet in te zien dat het college deze gewijzigde last in het besluit van 13 maart 2014 niet kon opleggen.

Het betoog faalt.

7. Voorts betoogt [wederpartij] dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Zo heeft hij aangevoerd dat het college gedurende vijf jaar niet handhavend optreedt tegen het gebruik van een deel van de loods op het perceel Mezenweg 17 te Apeldoorn als woning. Daarnaast wijst hij op de verhuur van bedrijfswoningen op het perceel Kampheuvellaan 34 door de Hoenderloo Groep en het gebruik van het pand op het perceel Kayersdijk 33 voor woondoeleinden.

7.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Nu [wederpartij] eerst ter zitting van 17 juni 2014 heeft gewezen op het gebruik van het pand aan de Kayersdijk 33 en het college belemmerd is om adequaat te reageren, wordt zijn betoog op dit punt wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten.

Ter zitting van 17 juni 2014 heeft [wederpartij] met instemming van het college een brief van het college van 27 februari 2014 overgelegd inzake het perceel Mezenweg 17. In die brief is vermeld dat het college mogelijk bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van een deel van de loods op het perceel Mezenweg 17 voor de tijdelijke duur van vijf jaar wegens het ontbreken van planologische bezwaren.

Het college heeft ter zitting met betrekking tot de loods op het perceel Mezenweg 17 en de bedrijfswoningen op het perceel Kampheuvellaan 34 verklaard, dat nog moet worden onderzocht of een gebruik van die panden als woning mogelijk is. Indien dit niet het geval is, zal alsnog handhavend worden opgetreden. Voorts heeft het college verklaard dat al is onderzocht of het pand op het perceel als woning kan worden gebruikt en dat is komen vast te staan dat dergelijk gebruik niet mogelijk is doordat het pand dicht aan een drukke weg is gelegen en de geluidsbelasting voor de bewoners te hoog zou zijn. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken van gelijke of vergelijkbare gevallen.

Het betoog faalt.

8. Voor zover [wederpartij] betoogt dat onduidelijk is wanneer de begunstigingstermijn afloopt, faalt dat betoog. Uit de last volgt duidelijk dat voorafgaand aan 18 februari 2015 het gebruik van de dienstwoning voor kamerverhuur beëindigd dient te zijn en daarna beëindigd dient te blijven.

9. De beroepen van [wederpartij] tegen de besluiten van het college van 6 december 2013 en 13 maart 2014 zijn ongegrond.

10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen tegen de besluiten van 6 december 2013 en 13 maart 2014 ongegrond;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

270-761.