Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201310781/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:7569, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2012 heeft het college eenrichtingsverkeer ingesteld in de Duindoornstraat te Cadzand-Bad en het geldende parkeerverbod aan de even zijde van die straat gehandhaafd en besloten dat de gele onderbroken strepen aan de oneven zijde van die straat worden verwijderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310781/1/A1.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 oktober 2013 in zaak nr. 12/6651 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sluis.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2012 heeft het college eenrichtingsverkeer ingesteld in de Duindoornstraat te Cadzand-Bad en het geldende parkeerverbod aan de even zijde van die straat gehandhaafd en besloten dat de gele onderbroken strepen aan de oneven zijde van die straat worden verwijderd.

Bij besluit van 19 oktober 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 9 mei 2012 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 9 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [belanghebbende A] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg, is verschenen. Ter zitting zijn voorts [belanghebbende B] en [belanghebbende A] verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het werkverkeer (hierna: BABW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV) mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of een uitrit.

2. [appellant] is eigenaar en gebruiker van de woning op het perceel [locatie] te Cadzand-Bad (hierna: het perceel). Volgens hem maakt de gespannen parkeersituatie in de straat het voor hem onmogelijk zijn opritten te gebruiken. Hij heeft het college daarom verzocht ter hoogte van het perceel een parkeerverbod in te stellen aan de oneven zijde van de Duindoornstraat. Bij besluit van 20 april 2011 heeft het college besloten tot het instellen van een parkeerverbod aan beide zijden van de Duindoornstraat, met uitzondering van het weggedeelte ter hoogte van de zijkant van het perceel Egelantierlaan 15 te Cadzand-Bad. Naar aanleiding van tegen dat besluit ingediende bezwaren, heeft het college het besluit van 20 april 2011 herroepen. Vervolgens heeft het college op 1 december 2011 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd waarin is vermeld dat het college voornemens is eenrichtingsverkeer in de Duindoornstraat in te stellen, het parkeerverbod aan de even zijde van de Duindoornstraat te handhaven en een parkeerverbod ter hoogte van het perceel in te stellen. Naar aanleiding van tegen het ontwerpbesluit ingediende zienswijzen heeft het college bij het nemen van het besluit van 9 mei 2012 afgezien van het instellen van het door [appellant] gewenste parkeerverbod.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij weliswaar aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik van de opritten erg lastig is indien er auto's staan in de nabijheid van die opritten, maar dat dit niet onmogelijk is. Hij voert daartoe aan dat een deurwaarder in een proces-verbaal van 6 november 2012 heeft geconstateerd dat het niet mogelijk is de opritten op het perceel te verlaten indien er auto's geparkeerd zijn. Hij heeft voorts een groot aantal foto's overgelegd waaruit blijkt dat die parkeeroverlast niet incidenteel van aard is. De rechtbank heeft niet onderkend dat als gevolg van de parkeeroverlast gevaarlijke verkeerssituaties ontstaan en heeft het belang van [appellant] bij het instellen van een parkeerverbod aan de oneven zijde van de Duindoornstraat ter hoogte van het perceel ten onrechte ondergeschikt geacht aan het belang van voldoende parkeergelegenheid en de bruikbaarheid van de weg, aldus [appellant]. Bovendien heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend dat het besluit van 19 oktober 2012 in strijd is met de ratio van artikel 24 van het RVV.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juni 2013 in zaak nr. 201206182/1/A3), komt aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen "veiligheid op de weg" en "bruikbaarheid van de weg". Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die aan de orde komen bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen teneinde te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van welke verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuur aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

3.2. Het college heeft aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de in het besluit genomen maatregelen dienen tot behoud van voldoende parkeergelegenheid in de Duindoornstraat, alsmede om de doorstroming van het verkeer te verbeteren en de verkeersveiligheid te vergroten.

3.3. In hetgeen [appellant] aanvoert heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het besluit van 19 oktober 2012, waarbij het besluit van 9 mei 2012 is gehandhaafd, de in de laatste volzin van overweging 3.1 aangegeven toetsing niet kan doorstaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat hij met regelmaat overlast ondervindt als gevolg van de gespannen parkeersituatie, maar dat noch uit het door de deurwaarder opgestelde proces-verbaal noch uit hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, is gebleken dat deze overlast zodanige gevolgen heeft voor de bruikbaarheid van de opritten van het perceel of de verkeersveiligheid dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren het door [appellant] gewenste parkeerverbod in te stellen. Daarbij wordt overwogen dat het college bij zijn afweging omtrent de verkeersveiligheid heeft kunnen betrekken dat in de zienswijzen die zijn ingediend tegen het ontwerp van het besluit van 9 mei 2012 door diverse omwonenden te kennen is gegeven dat zij bezwaar hebben tegen het instellen van een parkeerverbod ter hoogte van het perceel. Hoewel zij erkennen dat wegens de beperkte breedte van de Duindoornstraat geregeld parkeerproblemen ontstaan, betreft dat volgens hen in het bijzonder kortdurende situaties, die ook geen gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van de opritten. Naast het belang van de verkeersveiligheid heeft het college in aanmerking mogen nemen dat de omwonenden belang hebben bij de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid voor gebruik door bezoekers en bijvoorbeeld klanten van twee in de Duindoornstraat gevestigde verhuurbureaus. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de functionaris BABW van het regionale politiekorps negatief heeft geadviseerd over het door [appellant] gewenste parkeerverbod omdat die maatregel volgens hem niet ten goede aan de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van de weg komt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat parkeren voor de opritten van [appellant] strijd oplevert met artikel 24 van het RVV waartegen handhavend kan worden opgetreden. Dat de politie, naar [appellant] stelt, daarvoor onvoldoende capaciteit zou hebben, leidt, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

270-724.