Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201310508/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard en hem een alcoholslotprogramma opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310508/1/A1.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2013 in zaak nr. 13/5391 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard en hem een alcoholslotprogramma opgelegd.

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. Kocabas, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna Wvw 1994) is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

Ingevolge artikel 8, derde lid, is het, in afwijking van het tweede lid, de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken, dan wel, indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn verstreken, en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een alcoholslotprogramma (hierna: asp).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) wordt een vermoeden, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 gebaseerd op feiten of omstandigheden, als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge het tweede lid dient betrokkene, indien een vermoeden, als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder B, onderdeel III, ‘Drogerende stoffen Alcohol’, bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

In de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, Alcohol, onder b, worden als feiten en omstandigheden genoemd: bij betrokkene is in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰.

Ingevolge artikel 17, aanhef en onder b, besluit het CBR dat betrokkene zich aan een asp dient te onderwerpen, indien bij hem, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger dan 435 µg/l, onderscheidenlijk 1,0‰, maar lager dan 785 µg/l, onderscheidenlijk 1,8‰.

2. Het CBR heeft het besluit van 17 januari 2013 genomen naar aanleiding van een op 7 januari 2013 door de korpschef van de Politie Hollands Midden, district Leiden en omstreken, gedane mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994. Volgens het bij de mededeling gevoegde proces-verbaal rijden onder invloed heeft de politie op 6 januari 2013 een melding gekregen van een verkeersongeval op de Zijldijk te Leiderdorp, waarbij een personenauto van het merk Peugeot met twee wielen boven het water van de Zijl terecht was gekomen. De politie kreeg toen zij op circa 40 meter van de plaats van het ongeval was verwijderd de melding dat de bestuurder van de auto was gekleed in een witte polo en een blauwe spijkerbroek en samen met een andere persoon over de Zijldijk in de richting van Leiden was gelopen. De politie zag op dat moment twee personen in de aangeduide richting lopen waarvan één persoon was gekleed in een witkleurig shirt. Deze persoon werd, na staande te zijn gehouden, geïdentificeerd als [appellant]. [appellant] verklaarde niet te hebben gereden.

Een getuige van het ongeval heeft verklaard dat hij de auto met de voorwielen in het water zag staan en dat hij bij de auto twee personen aantrof waarvan er één een man was van 25-30 jaar met een Marokkaans uiterlijk en een slank postuur. Deze persoon droeg een wit poloshirt en een blauwe spijkerbroek. Volgens de getuige hoorde hij deze persoon zeggen: "Ik reed in de auto van een vriend, deze auto heb ik van deze vriend geleend. Ik reed samen met mijn neef in de auto. Bij het achteruit rijden belandde ik met de auto in de berm".

Na ademanalyse op het politiebureau werd bij [appellant] een ademalcoholgehalte geconstateerd van 550 µg/l. Tevens werd daar geconstateerd dat [appellant] een autosleutel van het merk Peugeot in zijn broekzak had.

De andere staande gehouden persoon, die geen Nederlands sprak, heeft later aan de politie medegedeeld dat hij als bijrijder in de auto zat en dat ze met twee personen in de auto zaten. Voorts heeft de persoon die [appellant] op het politiebureau heeft opgehaald, gezegd dat hij zijn auto heeft uitgeleend aan [appellant] en dat hij niet wist wie er heeft gereden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR op grond van het feitencomplex heeft mogen aannemen dat hij ten tijde van het ongeval op 6 januari 2013 de bestuurder van de auto is geweest, zodat het gehouden was zijn rijbewijs ongeldig te verklaren en een asp op te leggen. Hij voert daartoe aan dat het CBR dient te bewijzen dat hij ten tijde van het ongeval de bestuurder van de auto is geweest. Dit heeft het CBR niet gedaan. De getuige noch de politie heeft immers gezien dat hij de auto daadwerkelijk bestuurde, hij ontkent bestuurder te zijn geweest en uit de naar aanleiding van het ongeval opgemaakte processen-verbaal volgt volgens hem evenmin dat hij bestuurder is geweest. Hij voert ten slotte aan dat het Openbaar Ministerie heeft besloten hem niet te vervolgen voor rijden onder invloed, omdat daarvoor onvoldoende wettig bewijs is.

3.1. Niet in geschil is dat bij [appellant] op 6 januari 2013 een ademalcoholgehalte van 550 µg/l is geconstateerd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of aannemelijk is dat hij op die datum onder invloed van een hoger alcoholgehalte dan vermeld in artikel 17, aanhef en onder b, van de Regeling als bestuurder van een auto is opgetreden. Daartoe dient te worden beoordeeld of dit op grond van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2012 in zaak nr. 201105081/1/A3), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, maar dit sluit betwisting in rechte niet uit.

Gelet op de waarnemingen van de verbalisanten en de door de getuigen afgelegde verklaringen, zoals opgenomen in de ter zake opgemaakte processen-verbaal en zoals hiervoor onder 2. is weergegeven, is met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat [appellant] op het moment van het ongeval van 6 januari 2013 de auto bestuurde. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. De omstandigheid dat [appellant] heeft ontkend dat hij de bestuurder van de auto is geweest en dat niemand hem daadwerkelijk heeft zien rijden, geeft geen grond voor een ander oordeel. Daarbij wordt van belang geacht dat blijkens de processen-verbaal zowel de getuige als de medepassagier aan de politie hebben verklaard dat op het moment van het ongeval twee personen in de auto aanwezig waren, dat [appellant] voldeed aan de door de getuige gegeven beschrijving van degene die te kennen had gegeven de auto te hebben bestuurd en dat bij hem in zijn broekzak een autosleutel van het merk Peugeot is aangetroffen. Voorts wordt van belang geacht dat de persoon die [appellant] op het politiebureau heeft opgehaald, heeft verklaard dat hij zijn auto aan [appellant] heeft uitgeleend en dat de getuige heeft verklaard dat de persoon met het witte poloshirt, die heeft gezegd de auto te hebben bestuurd, toen ook heeft verklaard dat hij de auto had geleend.

In het feit dat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen [appellant] wegens onvoldoende wettig bewijs heeft geseponeerd, is geen grond gelegen voor gegrondverklaring van het hoger beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2012 in zaak nr. 201105081/1/A3), staat de bestuurlijke vorderingsprocedure geheel los van de strafrechtelijke procedure en ken het strafrecht een eigen beoordelingskader met andere wettelijke bewijsregels.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR mocht uitgaan van de juistheid van de gedane melding en gehouden was het rijbewijs van [appellant] ongeldig te verklaren en aan hem een asp op te leggen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

270-724.