Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201310577/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag voor [appellante] over 2012 herzien vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310577/1/A2.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 oktober 2013 in zaak nr. 13/573 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag voor [appellante] over 2012 herzien vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 15 juli 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 14 moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich bij besluit van 29 december 2012, gehandhaafd bij dat van 15 juli 2013, op het standpunt gesteld dat [appellante] geen recht heeft op voorschotten huurtoeslag voor het jaar 2012. Daaraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat uit gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: de basisregistratie personen) is gebleken dat aan haar verblijfscode 98 is toegekend, hetgeen betekent dat zij geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 van de Vw 2000. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen doen zich geen zeer bijzondere omstandigheden voor, op grond waarvan artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 buiten toepassing zou moeten worden gelaten.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen, door het voorschot huurtoeslag te herzien en op nihil vast te stellen, in strijd handelt met artikel 8, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 14 van het EVRM. Gelet op de gesteldheid van [appellante] en het gezinsleven van haar en haar kind dient artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 buiten toepassing te worden gelaten. Bovendien heeft de Belastingdienst/Toeslagen niet gemotiveerd hoe hij tot het standpunt is gekomen dat de door haar aangedragen omstandigheden niet nopen tot het buiten toepassing laten van deze bepaling, aldus [appellante]. Zij wijst er in dit verband op dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de rechtbank heeft erkend dat nog geen besluit is genomen waarbij zeer bijzondere omstandigheden zijn aangenomen die noopten tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel. Nu niet werkelijk invulling wordt gegeven aan de bijzondere omstandigheden, is deze toets uitsluitend theoretisch en illusoir, aldus [appellante]. Ter zitting heeft zij hieraan toegevoegd dat in de jurisprudentie van de Afdeling, waarin zich een breed palet aan casusposities heeft aangediend, evenmin voorbeelden te vinden zijn waarin zeer bijzondere omstandigheden zijn aangenomen.

3.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 in zaak nr. 201305853/1/A2 wordt overwogen dat aan het door de Belastingdienst/Toeslagen toegepaste artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 het koppelingsbeginsel ten grondslag ligt. De bedoeling van de wetgever met dit beginsel is onder meer te voorkomen dat illegale vreemdelingen door ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijke verblijf of het verwerven van de schijn van legaliteit. Gezien dit doel vormt het koppelingsbeginsel op zichzelf een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid tussen enerzijds een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 en anderzijds een vreemdeling - zoals [appellante] - die niet over een zodanig verblijfsrecht beschikt en kan niet worden geoordeeld dat artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 op zichzelf in strijd is met artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 8 van het EVRM.

[appellante] heeft een beroep gedaan op zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan in het concrete geval het niet toekennen van een voorschot huurtoeslag kan worden aangemerkt als zijnde in strijd met het non-discriminatiebeginsel van artikel 14 van het EVRM in samenhang met het in artikel 8 van dat verdrag besloten liggende recht op respect voor het familie- en gezinsleven.

Aan het stellen en aannemelijk maken van de zeer bijzondere omstandigheden worden zeer zware eisen gesteld, waaraan slechts in uitzonderlijke gevallen zal zijn voldaan. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij tot op heden nog geen zeer bijzondere omstandigheden heeft aangenomen, maar heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat dit geenszins betekent dat zodanige omstandigheden zich niet kunnen voordoen. Ook de omstandigheid dat in de Afdelingsjurisprudentie nog geen zeer bijzondere omstandigheden zijn aangenomen, impliceert, anders dan [appellante] betoogt, niet dat de mogelijkheid daarvan op voorhand moet worden uitgesloten.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden - dat het, naar zij stelt, met haar fysieke en psychische integriteit slecht gaat, en dat zij haar moederrol soms moeilijk kan vervullen - niet zijn aan te merken als zodanig bijzonder dat de Belastingdienst/Toeslagen had moeten afzien van de weigering een voorschot huurtoeslag te verstrekken. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 in dit geval buiten toepassing had moeten laten.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Dokkum

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

480-799.