Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201308141/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied fase II 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308141/2/R3.

Datum uitspraak: 24 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot,

en

de raad van de gemeente Oirschot,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied fase II 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 januari 2014, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door I. Spapens-Reijnders, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Rotman en M. Stoffels, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoeker] exploiteert een bollenspoelerij op het perceel [locatie] te Oostelbeers. Hij heeft de voorzitter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot artikel 5, lid 5.1, onder r, en artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.7, sub g, van de planregels.

3. Aan een deel van het perceel van [verzoeker] is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend, met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - spoelbassin".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge onderdeel r is op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - spoelbassin" tevens een spoelbassin toegestaan ten behoeve van een bollenspoelerij.

In artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.7, sub g, onderdeel 1, is bepaald dat spoelbassins uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - spoelbassin". In onderdeel 2 is bepaald dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 meter.

4. [verzoeker] betoogt dat in de bovengenoemde planregels ten onrechte niet is bepaald dat op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - spoelbassin" tevens voorzieningen zijn toegestaan die horen bij een spoelbassin. Hierbij gaat het om de opslag van zogenaamde kuubkisten en de opslag van tarra (plant- en wortelresten). Deze opslag is volgens [verzoeker] noodzakelijk voor zijn bedrijfsvoering en moet volgens hem kunnen plaatsvinden tot een stapelhoogte van meer dan 2 meter.

Ter zitting heeft hij zijn verzoek ingetrokken, voor zover dat betrekking heeft op de opslag van hout op de desbetreffende gronden.

5. De raad heeft ter zitting verklaard dat het zijn bedoeling was om bij de planvaststelling aan te sluiten bij de ruimtelijke onderbouwing die door [verzoeker] is ingediend met het oog op de omschakeling van zijn bedrijf naar een bollenspoelerij. Volgens de raad is in de bovengenoemde planregels abusievelijk niet bepaald dat op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - spoelbassin" tevens opslag van kuubkisten en opslag van tarra mag plaatsvinden. De raad heeft ter zitting erkend dat het plan op dit punt afwijkt van de door [verzoeker] ingediende ruimtelijke onderbouwing en dat de opslag van kuubkisten en de opslag van tarra in de periode van 1 juli tot en met 1 april noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

De raad heeft te kennen gegeven dat hij de desbetreffende planregels wil herzien voordat uitspraak wordt gedaan in de bodemprocedure.

6. Nu niet is uitgesloten dat in de tussentijd een verzoek om handhaving wordt gedaan, hebben [verzoeker] en de raad de voorzitter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de bovengenoemde planregels worden gewijzigd in die zin dat de opslag van kuubkisten en de opslag van tarra in de aangegeven periode wordt toegestaan tot een stapelhoogte van maximaal 3 meter.

7. Gelet op de gevraagde hoogte van maximaal 3 meter en nu de afstand tussen de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - spoelbassin" en de dichtstbijzijnde woning van derden ongeveer 50 meter bedraagt, acht de voorzitter het niet aannemelijk dat belangen van derden door een dergelijke voorziening zouden worden geschaad.

8. De voorzitter ziet in het voorgaande dan ook aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening:

a. dat artikel 5, lid 5.1, onderdeel r, van de planregels als volgt komt te luiden:

"ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - spoelbassin' tevens een spoelbassin ten behoeve van een bollenspoelerij alsmede, gedurende de periode van 1 juli tot en met 1 april, de opslag van kuubkisten en de opslag van tarra (plant- en wortelresten);"

b. dat artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.7, sub g, van de planregels als volgt komt te luiden:

"Spoelbassins:

1. Spoelbassins en, gedurende de periode van 1 juli tot en met 1 april, de opslag van kuubkisten en de opslag van tarra (plant- en wortelresten) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - spoelbassin'.

2. De bouwhoogte van het spoelbassin mag niet meer bedragen dan 2 m.

3. De stapelhoogte van de kuubkisten en de opslaghoogte van tarra mag niet meer bedragen dan 3 m.

II. veroordeelt de raad van de gemeente Oirschot tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.152,62 (zegge: elfhonderdtweeënvijftig euro en tweeënzestig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de raad van de gemeente Oirschot aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Breunese-van Goor

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2014

208.