Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2659

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201310338/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:13455, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om hem in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) in te schrijven, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310338/1/A3.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de persoon, zich noemende [appellant], woonplaats kiezende te Wassenaar,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2013 in zaak nr. 13/5315 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om hem in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) in te schrijven, afgewezen.

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hertogs en R.H. de Roy van Zuydewijn, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba), welke wet op 6 januari 2014 door de Wet basisregistratie personen is vervangen, doch op dit geding nog van toepassing is, wordt op grond van zijn aangifte van verblijf en adres degene die niet in een basisadministratie is ingeschreven, naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden en:

a. de Nederlandse nationaliteit bezit,

b. op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, of

c. vreemdeling is en rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,

ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente waar hij zijn adres heeft.

Ingevolge het derde lid geschiedt inschrijving niet dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

2. [appellant] heeft het college verzocht hem in de gba in te schrijven op grond van een zogenoemd W-document, afgegeven op 29 augustus 2012 ten name van [naam], geboren op 12 december 1970 te Lomé in Togo.

Aan de gehandhaafde afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat de identiteit en het rechtmatig verblijf van [appellant] niet deugdelijk kunnen worden vastgesteld, zodat niet aan de in artikel 26 van de Wet gba neergelegde vereisten wordt voldaan.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op goede gronden het verzoek tot inschrijving in de gba heeft afgewezen. Daartoe voert hij aan dat hij zijn werkelijke identiteit op een juiste wijze bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) kenbaar heeft gemaakt. Het rapport van eerste gehoor waarin de door hem bij de IND afgelegde verklaring is neergelegd, is volgens [appellant] een brondocument als bedoeld in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet gba. Dat de IND vervolgens niet zijn werkelijke naam heeft gebruikt, is een administratieve fout die hem niet mag worden tegengeworpen. Voorts is de weigering tot inschrijving disproportioneel en in strijd met het doel van de Wet gba, aldus [appellant].

3.1. [appellant] is met de [naam], ontleend aan een Frans paspoort, in de gba ingeschreven. Nadien is gebleken dat dit paspoort op grond van vervalste documenten is afgegeven. Volgens het rapport van eerste gehoor bij de IND heeft [appellant] verklaard dat hij als alias de [naam], geboren op 12 december 1970 te Lomé gebruikt, maar dat zijn werkelijke naam [appellant], geboren op 12 juli 1960 te Kpime Seva, is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu [appellant] slechts een W-document op naam van [naam] heeft overgelegd, het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit en het rechtmatig verblijf niet deugdelijk kunnen worden vastgesteld. Anders dan [appellant] betoogt, is het rapport van eerste gehoor geen brondocument als bedoeld in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet gba. [appellant] betoogt bovendien tevergeefs dat de weigering tot inschrijving disproportioneel is, nu artikel 26 van de Wet gba het college geen ruimte laat voor een belangenafweging. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 9 februari 2011 in zaak nr. 201007424/1/H3 dient voorop te worden gesteld dat de gegevens in de gba betrouwbaar en duidelijk moeten zijn, nu de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Nu de identiteit van [appellant] niet deugdelijk kan worden vastgesteld, is de weigering niet in strijd met het doel van de Wet gba.

Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college op goede gronden het verzoek tot inschrijving in de gba heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

317-697.