Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2655

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201309945/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:5655, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit 2 december 2011 van heeft de burgemeester een noodverordening afgekondigd voor een gedeelte van het winkelcentrum 't Loon op het perceel Homerusplein 1 te Heerlen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309945/1/A1.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Heerlen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 september 2013 in zaken nrs. 12/1481 en 12/1482 in het geding tussen:

[appellante]

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Heerlen

2. de burgemeester van Heerlen

Procesverloop

Bij besluit 2 december 2011 van heeft de burgemeester een noodverordening afgekondigd voor een gedeelte van het winkelcentrum 't Loon op het perceel Homerusplein 1 te Heerlen.

Bij besluit van 5 december 2011 heeft het college de Vereniging van Eigenaars Winkelcentrum 't Loon, Q-Park 't Loon B.V. en NSI Winkels B.V. gelast door middel van inschakeling van een daartoe gespecialiseerd bedrijf het op de bij het besluit gevoegde tekening aangegeven compartiment van het winkelcentrum 't Loon te slopen.

Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 5 december 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij datzelfde besluit heeft de burgemeester het bezwaar gericht tegen de Noodverordening en het bezwaar tegen het niet aan [appellante] verlenen van toestemming om de winkel te betreden niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, en het college, vertegenwoordigd door mr. W. Uland en mr. J.A.L. Devoi, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan de bij besluit van 5 december 2011 opgelegde last is ten grondslag gelegd dat sprake is van daadwerkelijk instortingsgevaar van een deel van het winkelcentrum 't Loon. Het college heeft de VvE, Q-Park en NSI gelast door middel van inschakeling van een daartoe gespecialiseerd bedrijf het op de bij het besluit gevoegde tekening aangegeven compartiment van het winkelcentrum te slopen. Op de begane grond is het te slopen compartiment aangeduid met een stippellijn in de vorm van een rechthoek. Op de entresol en het dak is het te slopen compartiment aangeduid met een stippellijn in de vorm van een rechthoek en een kwartcirkel.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er geen noodzaak bestond het gedeelte van het winkelcentrum waar haar winkelruimte was gelegen te slopen. Zij wijst in dit verband op de bij het besluit van 5 december 2011 behorende tekeningen, verschillende krantenberichten en een 'logboek calamiteiten Parkeergarage Het Loon'.

2.1. In het besluit op bezwaar is vermeld dat aan de hand van elektronische meetresultaten en visuele waarnemingen gebleken was dat de constructieve staat van het winkelcentrum door verschuivingen in de ondergrond vanaf 29 november 2011 aan het verslechteren was. Door de constructeur van de gemeente is geconstateerd dat de sterkte van de constructie van een deel van de parkeergarage en de daarboven liggende winkels niet meer voldeed aan de voorschriften uit het Bouwbesluit 2003. De constructeur en de technisch manager van de VvE hebben dit eveneens geconstateerd. Dat een deel van het winkelcentrum instabiel was geworden, werd bevestigd in de nacht van 2 op 3 december 2011, doordat een kolom volledig losscheurde van het parkeerdek en ongeveer 1,5 m verzakte.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de constructie van het winkelcentrum niet meer stabiel was en niet langer voldeed aan de eisen van artikel 2.5, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, zodat het risico bestond dat de constructie zou instorten. De Afdeling is voorts van oordeel dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat een ongecontroleerde instorting de veiligheid in de directe omgeving van het winkelcentrum zou aantasten. Het college was derhalve bevoegd krachtens artikel 5.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een last onder bestuursdwang op te leggen.

2.2. In het besluit op bezwaar is verder vermeld dat de winkel van [appellante] is gelegen binnen de op de bij het besluit van 5 december 2011 behorende tekening aangegeven slooplijn. In dat verband heeft het college vermeld dat het plafond van de winkel werd gevormd door een tussenvloer die onveilig was geworden en moest worden gesloopt. Nu [appellante] haar stelling dat de sloop van de winkel niet noodzakelijk was niet heeft onderbouwd, heeft het college in het aangevoerde geen aanknopingspunten gevonden om het door [appellante] gestelde aannemelijk te achten.

In reactie op hetgeen [appellante] in beroep heeft aangevoerd, heeft het college het besluit op bezwaar nader toegelicht. Het kwartcirkelvormige deel was via de entresolvloer, die het plafond van de winkel van [appellante] was, en het dak van het winkelcentrum verbonden aan het rechthoekige deel. Beide delen vormden samen één constructie. Deze constructie als geheel was, door het verzakken van kolom D18 en het scheuren van de omliggende kolommen, wanden en vloerdelen, niet meer bestand tegen de daarop werkende krachten. De wanden, de tussenvloer en het dak moesten worden gesloopt. De wanden en het plafond van de winkel van [appellante] waren dus constructief onveilig en zijn daarom gesloopt. Dat de vloer behouden is gebleven, doet hier niet aan af, aldus het college. Anders dan [appellante] betoogt, heeft het college voldoende gemotiveerd dat haar winkelruimte was gelegen binnen de slooplijn en daarom moest worden gesloopt.

Dat, zoals [appellante] onder verwijzing naar krachtenberichten en het logboek betoogt, tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden is gebleken dat het kwartcirkelvormige deel mogelijk niet hoefde te worden gesloopt en de loge van Q-Park is behouden, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid de last onder bestuursdwang heeft kunnen opleggen. Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aan de last verbonden begunstigingstermijn te kort was. Zij voert daartoe aan dat haar onvoldoende mogelijkheden zijn geboden om de voorraad uit de winkel te verwijderen.

3.1. Het college heeft aan de aan de VvE, Q-Park en NSI opgelegde last een begunstigingstermijn verbonden. De omstandigheid dat [appellante] geen toegang tot haar winkel had om de voorraad daaruit te kunnen verwijderen, is niet het gevolg van deze, naar gesteld, korte begunstigingstermijn, maar van de door de burgemeester van Heerlen afgekondigde noodverordening en de weigering van de bouwinspecteur om [appellante] toestemming te verlenen het gebied te betreden waarop de noodverordening van toepassing was. Reeds hierom kan het betoog niet leiden tot het ermee beoogde doel.

4. Wat betreft het betoog van [appellante] dat het besluit op bezwaar feitelijke onjuistheden bevat, wordt overwogen de gestelde onjuistheden niet ten grondslag liggen aan het oordeel van de rechtbank, zodat het betoog niet kan leiden tot het ermee beoogde doel.

5. Voor zover [appellante] stelt dat zij door het onrechtmatige besluit van 5 december 2011 schade heeft geleden, geldt dat, zoals is overwogen onder 2.2, het college in redelijkheid de last onder bestuursdwang heeft kunnen opleggen. In zoverre is van een onrechtmatig besluit geen sprake. Het betoog faalt daarom.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

473.