Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201309480/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6270, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 3 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over 2009, 2010 en 2011 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien tot nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309480/1/A2.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2013 in zaak nr. 12/1448 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 3 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over 2009, 2010 en 2011 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien tot nihil.

Bij besluit van 15 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2013, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. S. Kandemir, advocaat te Dordrecht, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. H.R. Grootenhuis, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke (hierna: de Awir) regelingen van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien het gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang betreft die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van: de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Bij wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wko, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2. Aan het besluit op bezwaar van 15 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de kinderopvang in 2009, 2010 en 2011 op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgehad. Verder heeft de dienst zich op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij kosten van kinderopvang heeft gehad.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij kosten van kinderopvang heeft gehad, zodat het beroep van [appellante] reeds daarom ongegrond is. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verklaring van [appellante] dat zij de gastouder contant heeft betaald geen steun vindt in de door haar overgelegde stukken.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. Zij voert daartoe aan dat de gastouder werd betaald door het gastouderbureau, die het voorschot kinderopvangtoeslag rechtstreeks van de Belastingdienst/Toeslagen ontving. Daarmee staat vast dat er kosten voor kinderopvang zijn gemaakt. Verder stelt zij dat uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat de gastouder tevens contant is betaald.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2) volgt uit artikel 18 van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko dat degene die voor de toeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is.

4.2. Uit de jaaropgave over 2009 blijkt dat de gastouder € 13.691,16 in rekening heeft gebracht en dat de bureaukosten van het gastouderbureau € 2.039,16 bedroegen. De daadwerkelijke kosten van kinderopvang bedroegen in dat jaar derhalve € 15.730,32. De Belastingdienst/Toeslagen heeft over dat jaar een voorschot van € 11.936,00 uitbetaald. Ervan uitgaande dat het gastouderbureau, gelet op zijn kassiersfunctie, dit bedrag, verminderd met de bureaukosten, aan de gastouder heeft overgemaakt, dient [appellante] aan te tonen dat zij de gastouder € 3.794,32 heeft betaald. Zij heeft daartoe een door haar, de gastouder en het gastouderbureau ondertekende verklaring overgelegd, waarin staat dat zij in 2009 een bedrag van € 13.691,46 contant aan de gastouder heeft betaald. Aan deze verklaring kan evenwel niet de door [appellante] gewenste betekenis worden toegekend, nu de contante betaling niet is gestaafd met bankafschriften, waaruit blijkt dat met het oog daarop geldopnames zijn gedaan. Dat de betaling heeft plaatsgehad, blijkt ook niet uit de overige door [appellante] overgelegde stukken en strookt bovendien niet met het feit dat het gastouderbureau een kassiersfunctie had.

4.3. Uit de jaaropgave over 2010 blijkt dat de daadwerkelijke kosten van kinderopvang, inclusief bureaukosten, € 13.241,50 bedroegen. Het voorschot over dat jaar bedroeg € 10.169,00. [appellante] heeft geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat het resterende bedrag, bestaande uit het verschil tussen die twee bedragen, aan de gastouder is betaald.

4.4. Met betrekking tot 2011 heeft [appellante] bankafschriften overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 31 mei, 26 augustus, 23 september en 23 december van dat jaar bedragen van respectievelijk € 339,50, € 397,00, € 318,50 en € 314,25 aan het gastouderbureau heeft overgemaakt. Het voorschot in dat jaar bedroeg € 8.006,00. [appellante] heeft hiermee evenwel niet aangetoond dat de kosten van kinderopvang in 2011 volledig zijn voldaan, nu zij geen jaaropgave heeft overgelegd, waaruit blijkt hoe hoog die kosten in dat jaar waren. Voorts kan ook de aan de kinderopvang ten grondslag liggende overeenkomst niet in aanmerking worden genomen, nu daarin het aantal opvanguren en de te betalen prijs per uur niet zijn vermeld.

4.5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij in 2009, 2010 en 2011 kosten van kinderopvang heeft gehad en daarom geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag of een voorschot daarop.

5. Onder verwijzing naar de uitspraak van 3 oktober 2013 van de rechtbank Rotterdam in zaak nr. 12/1580 betoogt [appellante] voorts dat herziening van de voorschotten onevenredig is. Ter zitting heeft zij in dit verband nog gewezen op haar slechte financiële situatie.

5.1. De Afdeling begrijpt het betoog aldus dat de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag, gelet op het evenredigheidsbeginsel, had moeten berekenen op basis van de kosten van kinderopvang die wel zijn aangetoond en het voorschot aldus evenredig lager had moeten vaststellen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2 wordt overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen de vaststelling van de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag baseert op de schriftelijke overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, waarin de afspraken van partijen over het aantal op te vangen kinderen, het aantal uren opvang en het te betalen uurtarief zijn neergelegd. De Belastingdienst/Toeslagen hanteert daarbij evenwel het beleid dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, de kinderopvangtoeslag berekent aan de hand van de gewijzigde afspraken, indien deze aan hem worden doorgegeven. Een dergelijke wijziging van afspraken kan ook uit de jaaropgave blijken.

Nu [appellante], zoals hiervoor is overwogen, over het jaar 2011 geen jaaropgave heeft overgelegd en het bedrag aan kosten dat zij blijkens de jaaropgaven over 2009 en 2010 verschuldigd was, niet overeenkomt met het bedrag van de aangetoonde kosten, moet worden aangenomen dat de kinderopvang in die jaren niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko heeft plaatsgehad. Dat betekent dat [appellante] geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft en de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot terecht op nihil heeft gesteld.

5.2. Voor zover [appellante] heeft beoogd te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen, gelet op haar financiële situatie, van terugvordering had moeten afzien, kan zij daarin niet worden gevolgd. In artikel 26 van de Awir is dwingend bepaald dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. De Awir voorziet niet in de mogelijkheid van terugvordering af te zien.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

686.