Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201308629/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied - Reparatie 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308629/1/R1.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Lomm, gemeente Venlo,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Venlo,

en

de raad van de gemeente Venlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied - Reparatie 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door G.J.M. Hendrikx, en de raad, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken en H.C.A. Willems, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid [appellante sub 2]

1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

1.1 [appellante sub 2] heeft geen schriftelijke zienswijze ingediend, maar een zienswijze per e-mail naar het zakelijke e-mailadres van een beleidsmedewerker Planologisch Juridisch van de gemeente Venlo. De raad heeft niet kenbaar gemaakt dat de elektronische weg voor het indienen van zienswijzen is opengesteld, als bedoeld in artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb. Indien de raad deze elektronische weg niet heeft opengesteld, moet hij een herstelmogelijkheid aan de indiener bieden, indien uit het e-mailbericht valt af te leiden dat daarmee beoogd wordt een zienswijze in te dienen en het is verzonden naar het officiële e-mailadres van het desbetreffende overheidslichaam of van de ambtelijke dienst die het aangaat, dan wel naar het zakelijke e-mailadres van een ambtenaar, met wie de indiener zodanig contact over de zaak heeft gehad, dat hij ervan mocht uitgaan dat het e-mailbericht met de zienswijze ook naar die ambtenaar mocht worden gestuurd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2012, zaak nr. 201112596/1/A1 en van 26 september 2012, zaak nr. 201108509/1/R4). Het enkele telefonische contact dat [appellante sub 2] met de desbetreffende ambtenaar heeft gehad voor het verkrijgen van het e-mailadres van de ambtenaar om naast een per post te verzenden zienswijze een zienswijze ook daarheen te sturen, kwalificeert niet als een zodanig contact. Nu niet is gebleken van een zodanig contact tussen [appellante sub 2] en de desbetreffende ambtenaar over de zaak, heeft [appellante sub 2] er reeds daarom niet van uit mogen gaan dat het e-mailbericht met de zienswijze naar die ambtenaar mocht worden gestuurd. Er bestond daarom geen aanleiding voor de raad om [appellante sub 2] bij wijze van verzuimherstel de gelegenheid te bieden de langs elektronische weg ingediende zienswijze alsnog op niet elektronische weg in te dienen.

Het beroep van [appellante sub 2] is derhalve niet-ontvankelijk.

Ontvankelijkheid [appellant sub 1]

2. Het beroep van [appellant sub 1] voor zover gericht tegen het ten onrechte niet toekennen van de aanduiding "Bed & Breakfast" ter plaatse van het perceel [locatie 1], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. [appellant sub 1] voert aan dat de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - varkenshandel" ten onrechte aan het perceel [locatie 1] is toegekend. [appellant sub 1] betoogt dat hij hier woont en dat aan het desbetreffende plandeel derhalve de bestemming "Wonen" had moeten worden toegekend.

4.1 De raad stelt dat de bestemming "Wonen" ter plaatse van het bestreden plandeel niet mogelijk is door het bedrijf dat aanwezig is op het naastgelegen perceel.

4.2 [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 1]. Op het perceel [locatie 2] is een varkenshandel gevestigd met een bijbehorende bedrijfswoning. Beide woningen zijn opgenomen in één bouwvlak. Aan dit plandeel is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - varkenshandel" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - varkenshandel": een varkenshandel, waaronder begrepen een varkensverzamelplaats;

b. wonen ten dienste van een bedrijf.

4.3 Niet is in geschil dat in het vorige plan de bestemming "Agrarisch" aan het bestreden plandeel was toegekend. Planologisch zijn het perceel [locatie 2] en het perceel [locatie 1] nooit gesplitst. Het enkele gegeven dat de woning ter plaatse van het perceel [locatie 1] bewoond wordt door [appellant sub 1] en dat hij geen relatie heeft met de varkenshandel, is ontoereikend voor het oordeel dat de raad gehouden is een andere bestemming dan de gekozen bestemming op te nemen. De raad heeft bij het toekennen van de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - varkenshandel" in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat het naastgelegen bedrijf van de gewenste bestemming "Wonen" hinder kan ondervinden en dat in het voorheen geldende bestemmingplan de bestemming "Wonen" eveneens niet was toegekend aan het desbetreffende plandeel. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor zover gericht tegen het ten onrechte niet toekennen van de aanduiding "Bed & Breakfast" niet-ontvankelijk;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bosnjakovic

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

410-812.