Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201308430/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:3226, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2011 heeft het college [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het intern verbouwen van het pand tot indoor-kinderspeelparadijs en het aanleggen van een inrit op het perceel [locatie] te Woerden (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308430/1/A1.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Woerden,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te Woerden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 augustus 2013 in zaken nrs. 12/1197, 12/1278 en 12/1285 in het geding tussen onder meer:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2] en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Woerden.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2011 heeft het college [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het intern verbouwen van het pand tot indoor-kinderspeelparadijs en het aanleggen van een inrit op het perceel [locatie] te Woerden (hierna: het perceel).

Bij besluiten van 14 februari 2012 heeft het college de door onder meer [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 27 september 2011, onder aanvulling van de motivering en toevoeging van revisietekeningen, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank de door onder meer [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, en [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan door mr. R.T.M. Lagerweij, en het college, vertegenwoordigd door A.H. Chaudron en mr. J.L. van den Dool, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Pretfabriek Woerden B.V., vertegenwoordigd door M. Okkerman, bijgestaan door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, verschenen.

Overwegingen

1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat [belanghebbende] in één aanvraag omgevingsvergunning had moeten aanvragen voor het verbouwen van het pand op het perceel en het vestigen daarin van een kinderspeelparadijs en een glow golf, nu die twee activiteiten tezamen één project betreffen. [appellant sub 2] en anderen voeren in dat kader aan dat ten tijde van het besluit van 14 februari 2012 de verbouwing van het pand ten behoeve van glow golf al was gerealiseerd. Voor het project kan geen omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), aldus [appellant sub 1].

1.1. Ingevolge het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan "Snel en Polanen" rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden met bijbehorende voorzieningen B (bv)".

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals dat luidde ten tijde van belang, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

1.2. Niet in geschil is dat het gebruik van het pand als indoor-kinderspeelparadijs in strijd is met het bestemmingsplan.

1.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [belanghebbende] niet gehouden was in één aanvraag een omgevingsvergunning te vragen voor een kinderspeelparadijs en een glow golf. Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten. Het realiseren van een kinderspeelparadijs en een glow golf in het pand zijn geen activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo, maar feitelijke activiteiten die fysiek van elkaar zijn te onderscheiden. Derhalve hangt het realiseren van het kinderspeelparadijs niet onlosmakelijk samen met het realiseren van een glow golf, als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. Dat ingevolge artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling omgevingsrecht de aanvrager in de aanvraag een omschrijving van de aard en omvang van het project vermeldt, betekent niet dat, zoals [appellant sub 1] betoogt, [belanghebbende] zijn bouwplan voor een kinderspeelparadijs en zijn bouwplan voor een glow golf in één aanvraag had dienen neer te leggen. Het stond [belanghebbende] vrij om eerst een omgevingsvergunning aan te vragen voor het vestigen van een kinderspeelparadijs in het pand en, zoals [belanghebbende] ter zitting ook heeft toegelicht, mede naar aanleiding van de ervaringen met de exploitatie daarvan, in een later stadium een omgevingsvergunning aan te vragen voor de vestiging van een glow golf in het pand.

Het betoog faalt.

2. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de belangenafweging ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de voorgenomen realisering van glow golf in het pand.

2.1. De beslissing om gebruik in strijd met het bestemmingsplan al dan niet toe te staan is een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij de rechter zich bij toetsing moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om het afwijkende gebruik al dan niet toe te staan, heeft kunnen komen.

2.2. De rechtbank is terecht ervan uitgegaan dat het college bij de belangenafweging geen rekening behoefde te houden met de vestiging van een glow golf in het pand, reeds nu deze bedrijfsmatige activiteit niet was aangevraagd en ten tijde van de besluitvorming een onzekere toekomstige omstandigheid betrof. Het college heeft vervolgens in een besluit van 10 februari 2014 aan de Pretfabriek Woerden B.V. omgevingsvergunning verleend voor de vestiging van het kinderspeelparadijs en een glow golf in het pand. In het kader van die vergunningverlening heeft het college de belangen van omwonenden bij de vestiging van een glow golf in het pand kunnen en moeten betrekken. Deze omgevingsvergunning staat echter niet ter beoordeling.

Het betoog faalt.

3. Tot slot betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de gehanteerde parkeernorm niet had mogen toepassen. Zij voeren in dat verband aan dat het college weliswaar een parkeernorm heeft gehanteerd die binnen de bandbreedte van de normen vastgelegd in de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek (hierna: de ASVV) valt, maar dat het onvoldoende rekening heeft gehouden met de hoge parkeerdruk in hun woonwijk. Voorts voeren zij aan dat Autounit B.V., dat ook in het pand op het perceel is gevestigd, de parkeerplaatsen die zijn bedoeld voor het kinderspeelparadijs deels bezet.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 september 2010 in zaak nr. 201002910/1/H1) dient bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen te worden gelet op de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan en derhalve niet op de parkeerdruk in de naastgelegen woonwijk, zoals [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen.

De rechtbank heeft terecht in het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen aangevoerde geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de overeenkomstig de in de ASVV aanbevolen parkeernorm van 3,92 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo niet kon hanteren. Eerst dient het college, als het heeft gedaan, te beoordelen welke parkeernorm het hanteert voor een bouwplan, en vervolgens dient het met toepassing van de gekozen norm te beoordelen of in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kon worden voorzien. Het college heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat op basis van de gehanteerde parkeernormen voor Autounit B.V. onderscheidenlijk het kinderspeelparadijs, het pand over voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein beschikt om te voorzien in de parkeerbehoefte van beide bedrijven. Gelet hierop is het bouwplan niet in strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Vianen 2010 en mocht het college om die reden de omgevingsvergunning niet weigeren.

Het betoog faalt.

4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

357-761.