Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201307530/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Roerdalen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/765
OGR-Updates.nl 2014-0176
Milieurecht Totaal 2014/507

Uitspraak

201307530/1/R1.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Montfort, gemeente Roerdalen,

2. [appellant sub 2A]en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Herkenbosch, gemeente Roerdalen,

3. [appellant sub 3], wonend te Vlodrop, gemeente Roerdalen,

4. [appellant sub 4], wonend te Vlodrop, gemeente Roerdalen,

en

de raad van de gemeente Roerdalen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Roerdalen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M. van Hoorne, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. P.M.F. Jansen, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, [appellant sub 4], bijgestaan door mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Maastricht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Aussems, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in een uniform juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Roerdalen.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

Afwijkingsbevoegdheden voor nevenfuncties

3. [appellant sub 1] richt zich tegen de afwijkingsbevoegdheid voor nevenfuncties binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" en binnen de bestemming "Wonen - Buitengebied" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfsbebouwing". Volgens [appellant sub 1] is onvoldoende duidelijk wat onder de nevenfuncties educatie gekoppeld aan recreatie, overige recreatieve functies/agrotoerisme, agrarische duurzaamheid, innovatie en educatie en overige agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten moet worden verstaan. [appellant sub 1] voert voorts aan dat als gevolg van de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor deze nevenfuncties ten onrechte de bestemming kan worden gewijzigd, omdat in de planregels geen beperkingen zijn gesteld aan de oppervlakte die voor deze nevenfuncties mag worden gebruikt. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad wat betreft de nevenfunctie overige agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet heeft onderkend dat moet worden beoordeeld of zo’n activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, ook indien zo’n activiteit onder de drempelwaarden blijft die in kolom 2 van onderdelen C en D in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r.) zijn opgenomen.

3.1. Volgens de raad is voldoende duidelijk wat onder educatie gekoppeld aan recreatie, overige recreatieve functies/agrotoerisme, agrarische duurzaamheid, innovatie en educatie en overige agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten moet worden verstaan. Volgens de raad ontbreekt een uitputtende omschrijving van deze nevenfuncties, omdat dit de ruimte geeft om ieder initiatief op zijn eigen merites te beoordelen. De raad wijst er daarbij op dat het om nevenfuncties gaat en deze slechts onder voorwaarden zijn toegestaan. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor nevenfuncties niet tot een wijziging van de bestemming zal leiden, omdat nevenfuncties ondergeschikt dienen te zijn.

3.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.9, van de planregels wordt onder agrarisch aanverwant bedrijf verstaan een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het verlenen van diensten, het leveren van dieren of goederen aan agrarische bedrijven of dat is gericht op het verwerken of het opslaan van dieren of agrarische (aanverwante) producten, die afkomstig of bedoeld zijn van/voor agrarische bedrijven; hieronder worden geen grootschalige industriële activiteiten begrepen.

Ingevolge lid 1.10, aanhef en onder a, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;

Ingevolge lid 1.69 wordt onder nevenfunctie verstaan een of meer (bedrijfsmatige) activiteiten in combinatie met en ondergeschikt aan de uitoefening van het ter plaatse en bij wijze van hoofdfunctie uitgeoefende (agrarische) bedrijf/wonen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, b en m, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" aangewezen gronden onder meer bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in artikel 1, lid 1.10, onder a, met de daarbij behorende voorzieningen zoals onder meer recreatieve paden en voet- en fietspaden en extensieve dagrecreatie

Ingevolge lid 4.5.1 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 ten behoeve van het toestaan van een of meer nevenfuncties zoals opgenomen in tabel 4.3, met inachtneming van het volgende:

a. nevenfuncties die niet in de bebouwing plaatsvinden mogen buiten de bebouwing maar binnen het bouwvlak plaatsvinden;

b. nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

c. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;

d. buitenopslag ten behoeve van de nevenfunctie is niet toegestaan;

e. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van nevenfuncties mag niet onevenredig groot zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit;

f. parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden;

g. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie die ten dienste staat van de nevenactiviteit;

h. horeca is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie die ten dienste staat van de nevenactiviteit;

i. ten behoeve van de nevenfunctie overige agrarisch aanverwante bedrijven geldt tevens dat activiteiten uit kolom 1 van onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet zijn toegestaan in de gevallen zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage;

j. ten aanzien van de nevenfunctie kleinschalig kamperen geldt tevens het volgende:

1. in uitzondering op het gestelde onder a is kleinschalig kamperen buiten het bouwvlak, mits aansluitend aan het bouwvlak, toegestaan met dien verstande dat indien is aangetoond dat dit niet mogelijk is, kleinschalig kamperen binnen een zone van 25 m vanaf de grens van het bouwvlak is toegestaan;

2. de bestaande landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueel-landschappelijke waarden zoals genoemd in lid 4.1, onder l, mogen niet onevenredig worden aangetast;

3. kleinschalig kamperen is uitsluitend toegestaan in de periode 15 maart tot en met 31 oktober;

4. het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen bedraagt ten hoogste 40;

5. de onderlinge afstand tussen kampeermiddelen bedraagt ten minste 5 m, met dien verstande dat deze afstand niet van toepassing is voor kampeermiddelen die aaneengeschakeld zijn;

6. er dient voldaan te worden aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu;

k. ten aanzien van de nevenfunctie inpandige stalling van ABC-goederen voor particulieren geldt dat van de maximale oppervlaktemaat van 500 m2, zoals opgenomen in tabel 4.3, afgeweken kan worden mits:

1. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen onder a t/m h;

2. de opslag in de bestaande bebouwing plaatsvindt;

3. niet meer dan 20% van de totale oppervlakte aan bebouwing, zoals legaal aanwezig op het moment van vaststellen van dit bestemmingsplan, in gebruik genomen wordt voor de inpandige stalling van ABC-goederen voor particulieren;

4. de inpandige stalling van ABC-goederen voor particulieren ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie;

5. er sprake is en blijft van een volwaardig agrarisch bedrijf;

6. door initiatiefnemer is aangetoond dat de uitoefening van nevenfuncties zoals opgenomen in tabel 4.1 en 4.3 niet of moeilijk realiseerbaar zijn.

Tabel 4.3

nevenfunctie maximaal aantal m²

gronden in gebruik bebouwing in gebruik

voor nevenfunctie voor nevenfunctie

bedrijf-aan-huis - max. 1/3 van de woning

en bijbehorende bouwwerken

kleinschalig kamperen - zoals bepaald in lid 4.2

educatie gekoppeld aan - zoals bepaald in lid 4.2

recreatie

overige recreatieve - zoals bepaald in lid 4.2

functies/agrotoerisme

agrarische duurzaamheid, - zoals bepaald in lid 4.2

innovatie en educatie

inpandige stalling van ABC- - max. 500 m²

goederen voor particulieren

overige agrarisch aanverwante - zoals bepaald in lid 4.2

bedrijfsactiviteiten

- = niet van toepassing

Ingevolge artikel 37, lid 37.4.1 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 37.1 onder e ten behoeve van het toestaan van een of meer nevenfuncties zoals opgenomen in tabel 37.3, binnen de bestemming "Wonen - Buitengebied" met inachtneming van het volgende:

a. nevenfuncties die niet in bebouwing plaatsvinden mogen buiten de bebouwing maar binnen het bouwvlak plaatsvinden;

b. nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

c. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;

d. buitenopslag ten behoeve van de nevenfunctie is niet toegestaan;

e. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van nevenfuncties mag niet onevenredig groot zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit;

f. parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden;

g. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie die ten dienste staat van de nevenactiviteit;

h. horeca is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie die ten dienste staat van de nevenactiviteit;

i. ten aanzien van de nevenfunctie kleinschalig kamperen geldt tevens het volgende:

1. in uitzondering op het gestelde onder a is kleinschalig kamperen buiten het bouwvlak, mits aansluitend aan het bouwvlak, toegestaan met dien verstande dat indien is aangetoond dat dit niet mogelijk is, kleinschalig kamperen binnen een zone van 25 m vanaf de grens van het bouwvlak is toegestaan;

2. kleinschalig kamperen is uitsluitend toegestaan in de periode 15 maart tot en met 31 oktober;

3. het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen bedraagt ten hoogste 40;

4. de onderlinge afstand tussen kampeermiddelen bedraagt ten minste 5 m, met dien verstande dat deze afstand niet van toepassing is voor kampeermiddelen die aaneengeschakeld zijn;

5. er dient voldaan te worden aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu.

Tabel 37.3

nevenfunctie maximaal aantal m²

gronden in bebouwing in

gebruik voor gebruik voor

nevenfunctie nevenfunctie

bedrijf-aan-huis - max. 1/3 woning en bijbehorende bouwwerken

kleinschalig kamperen* - -

educatie gekoppeld aan recreatie* - zoals bepaald in lid 37.2

overige recreatieve - zoals bepaald in functies/agrotoerisme* lid 37.2

inpandige stalling van ABC- - max. 500 m²

goederen voor particulieren

paardenbakken buiten het - -

bouwvlak, mits gelegen binnen

een zone van 25 m van het

bouwvlak

* uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfsbebouwing'

- = niet van toepassing

3.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels.

Met deze bepaling kan de bevoegdheid worden gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een afwijkingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Niet kan worden afgeweken van de in de verbeelding opgenomen bestemmingen. Toepassing van een afwijkingsregeling mag evenmin het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd.

3.4. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu en ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het tweede lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit m.e.r. worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het tweede lid worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het derde lid worden als categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van de wet, aangewezen de categorieën die in kolom 3 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van het vierde lid, en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid.

Ingevolge het vijfde lid geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet, voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

3.5. De Afdeling zal eerst beoordelen of voldoende duidelijk is wat onder de nevenfuncties die via de afwijkingsbevoegdheden mogelijk kunnen worden gemaakt moet worden verstaan. Indien voldoende duidelijk is wat onder een nevenfunctie moet worden verstaan, zal de Afdeling beoordelen of door toepassing van de afwijkingsbevoegdheden voor nevenfuncties de bestemming kan worden gewijzigd in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro.

3.6. Wat betreft de nevenfuncties educatie gekoppeld aan recreatie, overige recreatieve functies/agrotoerisme en agrarische duurzaamheid, innovatie en educatie stelt de Afdeling vast dat in de planregels niet is omschreven wat onder deze nevenfuncties moet worden verstaan. Onder deze nevenfuncties kunnen zodanig verschillende activiteiten worden verstaan dat deze nevenfuncties naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende duidelijk zijn. Gelet hierop zijn naar het oordeel van de Afdeling de afwijkingsbevoegdheden voor de nevenfuncties, educatie gekoppeld aan recreatie, overige recreatieve functies/agrotoerisme en agrarische duurzaamheid, innovatie en educatie in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Dat het om nevenfuncties gaat en deze slechts onder voorwaarden zijn toegestaan neemt niet weg dat de planregels voldoende duidelijk dienen te zijn. Het betoog slaagt in zoverre. De Afdeling is evenwel van oordeel dat voldoende duidelijk is wat onder de nevenfunctie overige agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten moet worden verstaan, nu in artikel 1, lid 1.9, van de planregels een omschrijving is gegeven van het begrip agrarisch aanverwante bedrijven. Het betoog faalt in zoverre.

3.7. De Afdeling is voorts van oordeel dat door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor de nevenfunctie overige agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten de bestemming niet in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan worden gewijzigd. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat onder agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten op grond van de artikel 1, lid 1.9, van planregels geen grootschalige industriële activiteiten worden verstaan. Voorts zijn in artikel 4 van de planregels weliswaar geen beperkingen gesteld aan de oppervlakte die voor deze nevenfunctie mag worden gebruikt, maar uit artikel 1, lid 1.69, van de planregels volgt dat nevenfuncties ondergeschikt dienen te zijn aan de hoofdfunctie. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling en anders dan [appellant sub 1] vreest, voldoende duidelijk geregeld dat voor de nevenfunctie niet het gehele perceel mag worden gebruikt. Mede gelet op deze omstandigheden bestaat in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat door toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid geen activiteiten mogelijk kunnen worden gemaakt die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat [appellant sub 1] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot het oordeel leiden dat op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid activiteiten mogelijk kunnen worden gemaakt die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Het betoog faalt.

4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de begrippen educatie gekoppeld aan recreatie, overige recreatieve functies/agrotoerisme en agrarische duurzaamheid, innovatie en educatie in tabel 4.3 van de planregels en de begrippen educatie gekoppeld aan recreatie en overige recreatieve functies/agrotoerisme in tabel 37.3 van de planregels, is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Afwijkingsbevoegdheid voor bio-energieinstallaties

5. [appellant sub 1] betoogt voorts dat door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor bio-energieinstallaties de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" in strijd met artikel met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan worden gewijzigd.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor bio-energieinstallaties de bestemming niet kan worden gewijzigd. Volgens de raad moet een aanvraag voor een bio-energieinstallatie die niet ondergeschikt is aan de agrarische bestemming worden geweigerd.

5.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.28, van de planregels wordt onder bio-energieinstallatie verstaan een afgesloten systeem van tanken/silo's dat gebruikt wordt voor de productie van energie uit biomassa (mest, bermafval, GFT en dergelijke).

Ingevolge artikel 4, lid 4.4, aanhef en onder a, is op de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" aangewezen gronden de productie van energie uit biomassa niet toegestaan.

Ingevolge lid 4.5.3 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4, onder h, om de productie van energie uit biomassa toe te staan, met inachtneming van het volgende:

a. de productie van energie uit biomassa is uitsluitend toegestaan in bio-energieinstallaties;

b. de productie van energie uit biomassa is uitsluitend toegestaan indien dit milieuhygiënisch inpasbaar is.

5.3. De Afdeling is van oordeel dat door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor bio-energieinstallaties de bestemming in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan worden gewijzigd. In de planregels is niet bepaald dat door toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid alleen een bio-energieinstallatie ten behoeve van een agrarisch bedrijf mogelijk kan worden gemaakt. Er kunnen derhalve ook bio-energieinstallaties mogelijk worden gemaakt die wat betreft aard en ruimtelijke effecten verschillen van de in lid 4.1 toegestane functies, waaronder de in lid 4.1, onder b, bij een agrarisch bedrijf behorende voorzieningen. Het betoog slaagt. Gelet hierop behoeft de andere beroepsgrond van [appellant sub 1] ten aanzien van deze afwijkingsbevoegdheid geen bespreking.

6. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.3, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak in artikel 4, lid 4.7.3 van de planregels

7. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de wijzigingsbevoegdheid binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" voor de vergroting van het bouwvlak niet is begrensd door voldoende objectieve normen. Daartoe voert hij aan dat in de planregels geen beperkingen zijn gesteld aan de maximale omvang van het bouwvlak. Ook dient volgens hem deze wijzigingsbevoegdheid te worden beschouwd in samenhang met andere afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die ook ruime mogelijkheden tot afwijking dan wel wijziging bieden.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd, nu in de planregels voorwaarden zijn gesteld aan de vergroting van het bouwvlak.

7.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.7.3 van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan ter plaatse van gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1 zodanig wijzigen dat vergroten van een bouwvlak is toegestaan, met inachtneming van het volgende:

a. deze wijzigingsbevoegdheid is niet van toepassing op gronden met de aanduiding "intensieve veehouderij";

b. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanwege een voorgenomen vergroting om bedrijfseconomische dan wel andere bedrijfsomstandigheden van het op het te wijzigen bouwvlak gevestigde bedrijf;

c. de noodzaak tot uitbreiding dient aangetoond te worden door middel van een bedrijfsplan waarbij tevens moet worden aangetoond waarom sloop en herbouw van bedrijfsgebouwen niet tot de mogelijkheden behoort;

d. nabijgelegen bedrijven en functies mogen door de verandering niet onevenredig worden belemmerd/gehinderd;

e. de vergroting van het bouwvlak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

f. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueel-landschappelijke waarden zoals genoemd in lid 4.1, onder l;

g. er dient voldaan te worden aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu.

7.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

7.4. De Afdeling is van oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in artikel 4, lid 4.7.3 van de planregels voorwaarden zijn opgenomen die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen. Met deze voorwaarden is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk in welke gevallen en op welke wijze gebruik kan worden gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid. Uit onder meer de voorwaarde dat een vergroting van het bouwvlak noodzakelijk dient te zijn volgt dat een ongelimiteerde vergroting van het bouwvlak waarvoor [appellant sub 1] vreest niet mogelijk is. Het betoog faalt.

Wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak van intensieve veehouderijen in artikel 63, lid 63.6, van de planregels

8. [appellant sub 1] betoogt dat de wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting van het bouwvlak in artikel 63, lid 63.6, van de planregels onvoldoende objectief is begrensd. Volgens hem kan op grond van de planregels het bouwvlak ongelimiteerd worden vergroot indien een financiële compensatie wordt betaald. Verder kunnen volgens [appellant sub 1] door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid uitbreidingen van intensieve veehouderijen mogelijk worden gemaakt die m.e.r.-plichtig zijn.

8.1. Volgens de raad is het maken van een milieueffectrapport (hierna: MER) pas verplicht als door toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een uitbreiding van een intensieve veehouderij mogelijk wordt gemaakt in de gevallen als bedoeld in kolom 2 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

8.2. Ingevolge artikel 63, lid 63.6, van de planregels geldt in aanvulling op of afwijking van hoofdstuk 2 ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" dat het college het plan ter plaatse van gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap - 1", "Agrarisch met waarden - Landschap - 2" of "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschap" zodanig kan wijzigen dat het vergroten van een bouwvlak is toegestaan, met inachtneming van het volgende:

a. deze wijzigingsbevoegdheid is uitsluitend van toepassing op bouwvlakken ter plaatse van een "intensieve veehouderij";

b. wijziging van de begrenzing van het bouwvlak is alleen toelaatbaar, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt;

c. de noodzaak tot uitbreiding dient aangetoond te worden door middel van een bedrijfsplan waarbij tevens moet worden aangetoond waarom sloop en herbouw van bedrijfsgebouwen niet tot de mogelijkheden behoort;

d. de vergroting van het bouwvlak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; e. bouwvlakken mogen worden vergroot tot ten hoogste 1,5 ha;

f. van het bepaalde onder e kan worden afgeweken indien door toepassing van de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu de omgevingskwaliteit ten minste evenredig wordt vergroot;

g. de wijziging niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueel-landschappelijke waarden;

h. er is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu;

i. wijziging ten behoeve van intensieve veehouderij slechts plaatsvindt indien de desbetreffende dienst van de provincie Limburg is gehoord.

8.3. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste en derde lid, van het Besluit m.e.r. en onderdeel C, categorie 14, en onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij dit besluit, dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dat voorziet in de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van meer dan 85.000 stuks mesthoenders, 60.000 stuks hennen, 40.000 stuks pluimvee, 2.000 stuks mestvarkens, 750 stuks zeugen, 3.750 stuks gespeende biggen, 5.000 stuks pelsdieren, dan wel 1.000 stuk voedsters of 6.000 vlees- en opfokkonijnen een plan-MER te worden gemaakt, voor zover dit plan een kader vormt voor een besluit als omschreven in kolom 4. Dit betreft een besluit waarvoor een besluit-MER moet worden gemaakt, zoals een wijzigingsplan.

Ingevolge artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, stelt het bevoegd gezag een plan niet vast dan nadat het toepassing heeft gegeven aan paragraaf 7.4 van de Wet milieubeheer, die ziet op de voorbereiding van een plan-MER.

8.4. De Afdeling is van oordeel dat deze wijzigingsbevoegdheid voldoende objectief is begrensd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de planregels voorwaarden zijn opgenomen die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen. Met deze voorwaarden is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk in welke gevallen en op welke wijze gebruik kan worden gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid. Anders dan [appellant sub 1] aanvoert, is voor een vergroting van het bouwvlak niet voldoende dat een financiële compensatie wordt betaald. In lid 63.6, onder f, is bepaald dat een bouwvlak alleen mag worden vergroot tot een omvang groter dan 1,5 ha indien door toepassing van de in bijlage 4 van de planregels opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu de omgevingskwaliteit ten minste evenredig wordt vergroot. Uit dat kwaliteitsmenu volgt dat een uitbreiding van een agrarisch bedrijf buiten het bouwvlak ruimtelijk en landschappelijk moet worden ingepast.

De Afdeling stelt evenwel vast dat als gevolg van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uitbreidingen van intensieve veehouderijen mogelijk kunnen worden gemaakt die de drempelwaarden in onderdeel C, categorie 14, en onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. overschrijden. Nu het plan een kader vormt voor een besluit als genoemd in kolom 4 diende derhalve bij de vaststelling van het plan een plan-MER te worden gemaakt. De raad heeft dit ten onrechte nagelaten. Anders dan de raad aanvoert is het maken van een MER niet pas verplicht bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. De raad heeft het plan derhalve vastgesteld in strijd met artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Het betoog slaagt.

9. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 63, lid 63.6, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Wijzigingsbevoegdheden voor vervolgfuncties

10. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de wijzigingsbevoegdheden voor vervolgfuncties binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" en "Wonen - Buitengebied" onvoldoende objectief zijn begrensd. Hiertoe voert hij aan dat in de planregels niet is bepaald in welke bestemmingen de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" en "Wonen - Buitengebied" kunnen worden gewijzigd.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de wijzigingsbevoegdheden voldoende objectief zijn begrensd. Volgens de raad wordt in de planregels voldoende inzicht geboden in de ontwikkelingen die via de wijzigingsbevoegdheden mogelijk kunnen worden gemaakt.

10.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.5, van de planregels kan het college het plan ter plaatse van gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" zodanig wijzigen dat - indien sprake is van een algehele beëindiging van een agrarisch bedrijf - de in tabel 4.4 genoemde vervolgfuncties zijn toegestaan, met inachtneming van het volgende:

a. de bestemming wordt gewijzigd in een op de vervolgfunctie toegesneden bestemming;

b. na de bestemmingswijziging dient een aanduiding te worden opgenomen, waarmee wordt aangegeven dat het voormalige bedrijfsbebouwing betreft;

c. bij wijziging dient bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zoveel mogelijk overtollige bebouwing gesloopt te worden;

d. buitenopslag is niet toegestaan;

e. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van vervolgfuncties mag niet onevenredig groot zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit;

f. parkeren dient landschappelijk te worden ingepast en binnen het bouwvlak plaats te vinden;

g. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie die ten dienste staat van de nieuwe hoofdbestemming;

h. een camping is toegestaan tot ten hoogste 40 standplaatsen voor kampeermiddelen;

i. de vervolgfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

j. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;

k. de vervolgfunctie wonen is alleen toegestaan als al een bedrijfswoning aanwezig is;

l. het aantal woningen mag niet toenemen;

m. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueel-landschappelijke waarden zoals genoemd in lid 4.1, onder l;

n. er dient voldaan te worden aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu.

Tabel 4.4

vervolgfuncties

recreatie

toerisme

zorg

wonen

Ingevolge artikel 37, lid 37.5, onder 37.5.1. van de planregels kan het college het plan ter plaatse van gronden met de bestemming "Wonen - Buitengebied" zodanig wijzigen dat de in tabel 37.4 genoemde vervolgfuncties zijn toegestaan, met inachtneming van het volgende:

a. de bestemming wordt gewijzigd in een op de vervolgfunctie toegesneden bestemming;

b. na de bestemmingswijziging dient een aanduiding te worden opgenomen, waarmee wordt aangegeven dat het voormalige bedrijfsbebouwing betreft;

c. bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dient zoveel mogelijk overtollige bebouwing gesloopt te worden;

d. buitenopslag is niet toegestaan;

e. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van vervolgfuncties mag niet onevenredig groot zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit;

f. parkeren dient landschappelijk te worden ingepast en binnen het bouwvlak plaats te vinden;

g. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie die ten dienste staat van de nieuwe hoofdbestemming;

h. een camping is toegestaan tot ten hoogste 40 standplaatsen voor kampeermiddelen;

i. de vervolgfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

j. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;

k. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueel-landschappelijke waarden zoals genoemd in de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1, Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 2 of Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden mits grenzend aan deze bestemming(en);

l. er dient voldaan te worden aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu.

Tabel 37.4

gronden grenzend aan de vervolgfuncties

bestemming

A-LOG geen

AW-L1 - recreatie

- toerisme

- zorg

AW-L2 geen

AW-NL - recreatie

- toerisme

- zorg

10.3. De Afdeling is van oordeel dat de wijzigingsbevoegdheden door voldoende objectieve normen worden begrensd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.5, onderscheidenlijk artikel 37, lid 37.5, onder 37.5.1, van de planregels voorwaarden zijn opgenomen die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden in acht moeten worden genomen. Voorts is in tabel 4.4 onderscheidenlijk tabel 37.4 bepaald ten behoeve van welke vervolgfuncties de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" onderscheidenlijk "Wonen - Buitengebied" kunnen worden gewijzigd. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk in welke gevallen en op welke wijze van de wijzigingsbevoegdheden gebruik kan worden gemaakt. Het betoog faalt.

Afwijkingsbevoegdheden voor de huisvesting van werknemers

11. [appellant sub 1] betoogt voorts dat bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheden voor de huisvesting van werknemers het plan ten onrechte op niet ondergeschikte onderdelen kan worden gewijzigd. Volgens hem maakt het plan het mogelijk om bij de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheden meer dan 40 werknemers per bouwvlak te huisvesten.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheden de bestemming niet kan worden gewijzigd. Volgens de raad kunnen op een agrarisch bouwvlak maximaal 40 werknemers worden gehuisvest.

11.2. Ingevolge artikel 64, lid 64.4, van de planregels kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in hoofdstuk 2 om (buitenlandse) werknemers tijdelijk te huisvesten, met inachtneming van het volgende:

a. tijdelijke huisvesting is alleen toegestaan in de in tabel 64.1 opgenomen bebouwing;

b. het totaal aantal werknemers dat tijdelijk gehuisvest wordt, bedraagt ten hoogste het aantal zoals opgenomen in tabel 64.1, met dien verstande dat het totaal aantal tijdelijk en structureel gehuisveste werknemers samen nooit meer bedraagt dan opgenomen in tabel 64.1;

c. tijdelijke huisvesting is ten hoogste zeven maanden per jaar toegestaan;

d. er dient geen sprake te zijn van permanente bewoning;

e. er dient sprake te zijn van goed beheer en toezicht;

f. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van functies mag niet onevenredig groot zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de huisvesting van werknemers;

g. parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden;

h. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;

i. ten behoeve van de tijdelijke huisvesting mogen geen nieuwe gebouwen worden opgericht met dien verstande dat tijdelijke huisvesting in woonunits wel is toegestaan waarbij de volgende regels gelden:

1. woonunits zijn uitsluitend toegestaan bij een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf mits is aangetoond dat het inpandig huisvesten van werknemers niet mogelijk is;

2. de gezamenlijke oppervlakte van de woonunits bedraagt ten hoogste 120 m²;

3. de woonunits zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;

4. woonunits dienen verwijderd te worden indien de behoefte niet meer aanwezig is met dien verstande dat de woonunits in de periode 1 november tot en met 14 maart mogen blijven staan;

4. de huisvesting dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

5. het aantal woningen mag niet toenemen;

j. er is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu.

Tabel 64.1

bebouwing in gebruik maximaal aantal maximaal totaal aantal

voor het tijdelijk tijdelijk gehuisveste gehuisveste werknemers

huisvesten van werknemers per (tijdelijk + structureel)

werknemers bouwvlak per bouwvlak

agrarische bebouwing ) 40 40

(inpandig

niet - agrarische bebouwing 20 20

(inpandig)

woonunits op het 20 20

agrarische bedrijf

woonunits op niet 20 20

agrarisch bedrijf

campings, vakantieparken, 20 20

bed & breakfast en hotel

Ingevolge lid 64.5 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in hoofdstuk 2 om (buitenlandse) werknemers structureel te huisvesten, met inachtneming van het volgende:

a. structurele huisvesting is alleen toegestaan in de in tabel 64.2 opgenomen bebouwing;

b. het totaal aantal werknemers dat structureel gehuisvest wordt, bedraagt ten hoogste het aantal zoals opgenomen in tabel 64.2, met dien verstande dat het totaal aantal tijdelijk en structureel gehuisveste werknemers samen nooit meer bedraagt dan opgenomen in tabel 64.2;

c. er dient geen sprake te zijn van permanente bewoning;

d. er dient sprake te zijn van goed beheer en toezicht;

e. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van functies mag niet onevenredig groot zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de huisvesting van werknemers;

f. parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden;

g. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;

h. ten behoeve van de structurele huisvesting mogen geen nieuwe gebouwen worden opgericht;

i. de huisvesting dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

j. het aantal woningen mag niet toenemen;

k. er dient sprake te zijn van een kwaliteitsverbetering;

l. er dient geen sprake te zijn van een nadelige invloed op de nabije woon- en leefomgeving;

m. indien er sprake is van het structureel huisvesten van werknemers in een bestaand (groot) complex dient tevens door de initiatiefnemer aangetoond te worden dat er geen alternatieven mogelijk zijn;

n. indien er sprake is van het structureel huisvesten van werknemers op campings, op vakantieparken, in bed & breakfast of in een hotel dient de huisvesting tevens gescheiden te worden van de recreatieve functie;

o. er is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu.

Tabel 64.2

bebouwing in gebruik voor maximaal aantal maximaal totaal aantal

het structureel huisvesten structureel gehuisveste werknemers

van werknemers gehuisveste (tijdelijk + structureel)

werknemers per per bouwvlak

bouwvlak

bestaande (grote) 40 40

complexen

het hoofdgebouw bij 20 20

vrijkomende agrarische

bebouwing

agrarische 20 20

bedrijfsbebouwing

(inpandig)

niet agrarische 20 20

bedrijfsbebouwing

(inpandig)

campings, vakantieparken, 20 20

bed & breakfast en hotel

11.3. De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet is bepaald dat het totaal aantal werknemers dat per bouwvlak kan worden gehuisvest maximaal 40 dan wel 20 bedraagt, anders dan de raad aanvoert. In de tabellen 64.1 en 64.2 is het maximumaantal werknemers dat kan worden gehuisvest alleen bepaald per type bebouwing, niet per bouwvlak. Als gevolg van de toepassing van de afwijkingsbevoegdheden voor de huisvesting van werknemers kan derhalve in het plangebied, dat een agrarisch karakter heeft, de huisvesting van een groot aantal werknemers mogelijk worden gemaakt. Deze huisvesting kan voor een lange periode mogelijk worden gemaakt, nu tijdelijke huisvesting voor maximaal zeven maanden per jaar kan worden toegestaan en aan de structurele huisvesting van werknemers geen maximumtermijn is verbonden. Indien in de afwijkingsbevoegdheden een maximum van 40 werknemers per bouwvlak was opgenomen zou deze situatie niet wezenlijk anders zijn. Gelet hierop is de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 april 2011 in zaak nr. 201004628/1/R3 en haar uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200802543/1/R1 van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door toepassing van deze afwijkingsbevoegdheden op ondergeschikte onderdelen van het plan kan worden afgeweken. De afwijkingsbevoegdheden zijn derhalve in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. De raad zal een alomvattende afweging bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moeten maken, indien hij dergelijke huisvestingsmogelijkheden wil bieden. Zo de raad zich op het standpunt stelt dat dergelijke huisvestingsmogelijkheden uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn, zal hij deze huisvestingsmogelijkheden rechtstreeks dan wel door middel van een wijzigingsbevoegdheid dienen te regelen. Het betoog slaagt.

12. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 64, lid 64.4 en 64.5, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Definitie milieuhygiënisch inpasbaar

13. [appellant sub 1] betoogt dat de omschrijving van milieuhygiënisch inpasbaar in artikel 1, lid 1.67, van de planregels onvoldoende duidelijk is, omdat begrippen als goed, niet onevenredig, niet schadelijk en gewichtige redenen subjectief zijn.

13.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.67, van de planregels is een ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar indien is aangetoond dat:

a. voor milieugevoelige functies een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd;

b. omliggende bedrijven niet onevenredige in hun activiteiten worden aangetast;

c. er geen sprake is van significant negatief effecten op Natura 2000-gebied(en);

d. nieuwe functies binnen de ecologische hoofdstructuur niet schadelijk zijn voor de natuur;

e. bij het toestaan van nieuwe geluidsgevoelige functies dient te worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarden of de vastgestelde hogere grenswaarde;

f. bij het toestaan van nieuwe geurgevoelige functies wordt voldaan aan de wettelijke geurnormen of vastgestelde hogere geurnorm;

g. er geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de 10-6-contour worden gerealiseerd;

h. nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt indien hiertoe gewichtige redenen voor aanwezig zijn;

i. de luchtkwaliteit geschikt is voor de gewijzigde functie;

j. de toename verhard van oppervlak wordt gecompenseerd;

k. de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is voor veilige afwikkeling van de verkeerstoename;

l. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;

m. er is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu.

13.2. De Afdeling overweegt dat de in artikel 1, lid 1.67 opgenomen criteria, zoals een goed woon- en leefklimaat en een niet onevenredige aantasting, gebruikelijke criteria zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de omschrijving van milieuhygiënisch inpasbaar in de planregels rechtsonzeker is. Het betoog faalt.

Ruimtelijke aanvaardbaarheid afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden

14. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad bij de vaststelling van het plan niet heeft onderzocht of de toepassing van de verscheidene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die hij bestrijdt ruimtelijk aanvaardbaar is, maar deze beoordeling ten onrechte heeft doorgeschoven naar de toepassing van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Volgens [appellant sub 1] diende de raad reeds bij de vaststelling van het plan te beoordelen of toepassing van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid op een specifieke locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. [appellant sub 1] vreest dat door toepassing van de verscheidene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die hij bestrijdt een veelheid van functies in het plangebied mogelijk kan worden gemaakt waardoor zijn woon- en leefklimaat zal worden beïnvloed. Hij vreest in het bijzonder dat door de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor kleinschalig kamperen een grote hoeveelheid aan kampeermiddelen mogelijk kan worden gemaakt in het plangebied.

14.1. Volgens de raad is in de Structuurvisie Roerdalen 2030 de ruimtelijke aanvaardbaarheid van nieuwe ontwikkelingen in het plangebied afgewogen en is in het plan daarop aangesloten. Volgens de raad is wat betreft de ruimtelijke aanvaardbaarheid van ontwikkelingen een onderscheid gemaakt tussen verschillende zones. Bij de toepassing van de verscheidene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zal volgens de raad worden beoordeeld of een ontwikkeling op een specifieke locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. De raad wijst er daarbij op dat als voorwaarde voor de toepassing van de verscheidene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden geldt dat de ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar moet zijn. Verder past kleinschalig kamperen volgens de raad in het karakter van het plangebied. Volgens de raad is kleinschalig kamperen passend binnen het plangebied omdat het plangebied vanwege het landschappelijke karakter daarvan een grote toeristische aantrekkingskracht heeft. Voorts staat de agrarische sector in het plangebied onder druk en is het daarom wenselijk de economische draagkracht van het plangebied te versterken door kleinschalig kamperen onder voorwaarden toe te staan.

14.2. In de plantoelichting staat dat in de zone Landbouw Ontwikkelingsgebied (hierna: LOG) het primaat bij de landbouw ligt. Deze zone biedt daarom volgens de plantoelichting ruimere ontwikkelingsmogelijkheden voor de agrarische sector in het algemeen en de intensieve veehouderij in het bijzonder. Ook worden in deze zone mogelijkheden geboden voor nevenfuncties gericht op educatieve, innovatieve en duurzame activiteiten in relatie met agrarische ontwikkelingen. In de zone aansluitend aan het LOG worden volgens de plantoelichting naast de primaire agrarische bedrijfsvoering ruimere mogelijkheden geboden voor bedrijfsmatige vervolgfuncties en nevenfuncties gericht op duurzaamheid en educatieve, innovatieve en duurzame activiteiten in relatie met agrarische activiteiten mogelijk gemaakt. Bij ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige landschappelijke waarden. De zone gevoelige gebieden is gelegen in of aansluitend aan gebieden met bijzondere natuurlijke en landschappelijke waarden. De waarden in de gevoelige gebieden worden volgens de plantoelichting beschermd door een omgevingsvergunning voor werken en bij nieuwe ontwikkelingen moet volgens de raad rekening worden gehouden met de bijzondere waarden. Tot slot is er de zone overige gebieden. In deze zone worden, naast de agrarische bedrijfsvoering, mogelijkheden geboden voor neven- en vervolgfuncties gericht op recreatie, toerisme en zorg. Ontwikkelingen moeten volgens de plantoelichting in deze zone wel passen bij de landschappelijke waarden of deze versterken.

14.3. De Afdeling overweegt dat zij al heeft geoordeeld dat verscheidene van de door [appellant sub 1] bestreden afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden reeds om andere redenen dienen te worden vernietigd. Indien de raad in een nieuw plan opnieuw ontwikkelingen mogelijk wil maken met toepassing van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden , zal de raad bij de vaststelling daarvan deze afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden moeten beoordelen. Wat betreft de andere door [appellant sub 1] bestreden afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden stelt de Afdeling vast dat de raad bij de vaststelling van het plan heeft afgewogen in hoeverre nieuwe ontwikkelingen, waaronder kleinschalig kamperen, binnen de verscheidene zones van het plangebied ruimtelijk aanvaardbaar zijn. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de afweging wat betreft deze afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft uitgevoerd. [appellant sub 1] heeft deze afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden alleen in het algemeen bestreden en hij heeft niet aangevoerd dat deze in strijd zijn met een wettelijke verplichting zoals artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998). Deze bevoegdheden betreffen algemene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op een specifieke locatie en waarbij voorwaarden zijn gesteld die verzekeren dat de toepassing daarvan niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij dergelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in beginsel kan volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast, zoals de raad in dit geval heeft gedaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat belanghebbenden tegen de toepassing van deze afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Dat ligt anders indien een concrete aanleiding bestaat om af te wegen of dergelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden op een specifieke locatie op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast dan wel in het geval van wettelijke verplichtingen zoals artikel 19j van de Nbw 1998. Het betoog faalt.

Bijlage 6 van de planregels

15. [appellant sub 1] vreest verder dat de agrarische nevenactiviteiten die in bijlage 6 van de planregels staan zijn toegestaan binnen de bestemming "Wonen - Buitengebied", omdat in de planregels van deze bestemming naar deze bijlage wordt verwezen.

15.1. Ingevolge artikel 37, lid 37.1, aanhef en onder a en d, van de planregels zijn de voor "Wonen - Buitengebied" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen en de nevenfuncties zoals opgenomen in bijlage 6.

15.2. De Afdeling stelt vast dat in bijlage 6 van de planregels nevenactiviteiten staan die alleen op een specifiek adres zijn toegestaan. Voor de bestemming "Wonen - Buitengebied" zijn geen nevenactiviteiten opgenomen die op een bepaald adres zijn toegestaan. Dit betekent dat binnen die bestemming de nevenactiviteiten die in bijlage 6 staan niet zijn toegestaan. Ter zitting heeft de raad dit bevestigd. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 3]

16. [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte de bestemming "Bedrijf" is toegekend aan het perceel [locatie] te Vlodrop (hierna: het perceel). Volgens hem is in het verleden gedurende verscheidene procedures van de zijde van het gemeentebestuur de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat aan het gehele perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" zou worden toegekend en voor natuur zou worden ontwikkeld. Het gehele perceel is evenwel nog steeds in gebruik voor bedrijfsdoeleinden, ook het achterste gedeelte van het perceel. Op het perceel zijn volgens [appellant sub 3] in strijd met eerdere afspraken niet alleen een houtbereidingsbedrijf gevestigd, maar ook een autobedrijf, een glasstraalbedrijf en een timmerbedrijf. Volgens hem is het wenselijk om aan het gehele perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toe te kennen. Hij wijst er daarbij op dat het perceel in het POL als belangrijke natuur- en landschapszone is aangewezen en dat het perceel nabij twee Natura 2000-gebieden ligt. Tot slot voert [appellant sub 3] aan dat ten onrechte de bestemming van het perceel ten opzichte van het ontwerp is gewijzigd van "Bedrijf - specifiek houtbereidingsbedrijf" naar "Bedrijf".

16.1. Volgens de raad zijn aan het perceel dezelfde bestemmingen als onder de voorheen geldende bestemmingsplannen toegekend. In het verleden is volgens de raad alleen besloten om op het achterste gedeelte van het perceel een bestemming met landschappelijke en natuurlijke waarden toe te kennen. Dit is gebeurd in het wijzigingsplan "Buitengebied wijziging [locatie]" dat bij besluit van 12 februari 2008 is goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Limburg. Verder bestond volgens de raad in het verleden de intentie dat het bedrijf van [bedrijf] zou worden verplaatst en het gehele perceel voor natuurdoeleinden zou worden ontwikkeld, maar is dit vanwege omstandigheden niet doorgegaan.

16.2. Op het perceel exploiteert [bedrijf] een houtbereidingsbedrijf. Aan het perceel is voor het grootste gedeelte de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtbereidingsbedrijf" toegekend. Aan het achterste gedeelte van het perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend. Dit gedeelte van het perceel was oorspronkelijk in eigendom van [bedrijf] en is in 2007 door haar aan de gemeente verkocht die het vervolgens heeft doorverkocht aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Habitura B.V. om daarop natuur te realiseren. [bedrijf] mocht op grond van een tijdelijke vrijstelling van 27 maart 2007 dit gedeelte van het perceel wel maximaal vijf jaar aan een derde verhuren ten behoeve van het stallen van vrachtwagens en personenauto’s. Daartoe is ook door Habitura een recht op vruchtgebruik verleend aan [bedrijf].

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a en m, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden onder meer bestemd voor bedrijven vallende in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houtbereidingsbedrijf' voor een houtbereidingsbedrijf uit categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

16.3. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" was aan het grootste gedeelte van het perceel de bestemming "Niet agrarische bedrijven" met de aanduiding "Hb" toegekend. Binnen deze bestemming was een houtbereidingsbedrijf toegestaan. Aan het achterste gedeelte van het perceel was in het wijzigingsplan "Buitengebied wijziging [locatie]" de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden" toegekend.

16.4. In het POL ligt het perceel in het gebied dat is aangewezen als Provinciale Ontwikkelingszone Groen.

16.5. De Afdeling stelt vast dat het houtbereidingsbedrijf van [bedrijf] onder het voorheen geldende plan was toegestaan. Dit betreft dus bestaand legaal gebruik. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid dit bedrijf als zodanig kunnen bestemmen, nu bestaand legaal gebruik in beginsel als zodanig dient te worden bestemd. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ervan had moeten uitgaan dat een bedrijfsbestemming voor het perceel niet meer ruimtelijk aanvaardbaar is. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat aan het gehele perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" zou worden toegekend. Uit de door hem overgelegde stukken volgt dat er tussen [bedrijf] en Habitura een principeafspraak was dat ook het resterende gedeelte van het perceel aan Habitura zou worden verkocht om daarop natuur te ontwikkelen en dat het college van burgemeester en wethouders in de procedure over de tijdelijke vrijstelling naar die principeafspraak heeft verwezen. Daarmee is evenwel nog niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat aan het gehele perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" zou worden toegekend. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] dat de bestemming "Bedrijf" in strijd is met het POL, overweegt de Afdeling dat de raad niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad is in de plantoelichting ingegaan op het POL in relatie tot de natuurwaarden. Gelet hierop heeft de raad voldoende het POL in zijn belangenafweging betrokken. Verder staat de omstandigheid dat het perceel nabij twee Natura 2000-gebieden ligt niet in de weg aan het toekennen van de bestemming "Bedrijf" nu het bedrijf van [bedrijf] een bestaande legale situatie betreft. Voor zover [appellant sub 3] aanvoert dat de bestemming van het perceel is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp, stelt de Afdeling vast dat dit niet het geval is. Zowel in het plan als in het ontwerp was aan het perceel de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtbereidingsbedrijf" toegekend. Voor zover [appellant sub 3] aanvoert dat op het achterste gedeelte nog steeds vrachtwagens worden geparkeerd en dat op het perceel niet alleen een houtbereidingsbedrijf is gevestigd, maar in strijd met eerdere afspraken ook andere bedrijven zijn gevestigd, overweegt de Afdeling dat optreden tegen gebruik dat eventueel strijdig is met de bestemming een kwestie van handhaving betreft die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

17. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

18. [appellant sub 4] betoogt dat ten onrechte door toepassing van een afwijkingsbevoegdheid evenementen kunnen worden gehouden op de gronden van De Huifkarhoeve aan de Gitstappermolenweg 1 en 1a (hierna: de gronden). Daartoe voert hij aan dat hij parkeeroverlast en geluidoverlast ondervindt van de evenementen die regelmatig op de gronden worden gehouden. Volgens [appellant sub 4] is een gedeeltelijke aarden wal die aan de rand van het parkeerterrein op de gronden is aangelegd onvoldoende om geluidoverlast te voorkomen. Voorts kan het parkeerterrein volgens hem niet voldoen aan de parkeerbehoefte bij evenementen waardoor geregeld auto’s van bezoekers bij zijn perceel aan de [locatie 2] worden geparkeerd.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan en de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) de belangen van omwonenden voldoende beschermen. De raad wijst er daarbij op dat voor het houden van evenementen op grond van de APV altijd een evenementenvergunning nodig is. Volgens de raad wordt bij de verlening van een evenementenvergunning beoordeeld of geen onevenredige overlast voor derden zal ontstaan. Verder zal volgens de raad handhavend worden opgetreden indien de planregels dan wel de APV worden overtreden en zal erop worden toegezien dat de afgesproken natuurcompensatie wordt gerealiseerd.

18.2. [appellant sub 4] woont op een afstand van ongeveer 210 m van de gronden. Op de gronden exploiteert De Huifkarhoeve twee restaurants met een terras en een speeltuin voor kinderen. Voorts worden op de gronden evenementen gehouden. Op de gronden is een parkeerterrein aanwezig. Aan een gedeelte van de gronden is de bestemming "Horeca" met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 1" toegekend. Aan een ander gedeelte van de gronden is de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" met de aanduidingen "horeca", "speeltuin" en "parkeerterrein" toegekend. Aan een klein gedeelte van de gronden is de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.43, van de planregels wordt onder evenement verstaan een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden onder meer bestemd voor horecabedrijven uit categorie 1a en 1b van de Staat van horeca-activiteiten en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 1" tevens een café-restaurant uit categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten met daaraan ondergeschikt het verlenen van logies.

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder d, e en f, zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden onder meer bestemd voor uitsluitend een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein", ter plaatse van de aanduiding "horeca" voor horeca en dagrecreatie en ter plaatse van de aanduiding "speeltuin" voor een speeltuin.

Ingevolge artikel 34, lid 34.1, aanhef en onder a en k, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wegen, straten, en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie en evenementen, met een maximale duur van 7 dagen (inclusief opbouw- en afbraakwerkzaamheden).

Ingevolge artikel 64, lid 64.3, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het toestaan van evenementen langer dan 7 dagen (inclusief opbouw- en afbraakwerkzaamheden) binnen onder meer de bestemming "Verkeer" en voor het toestaan van evenementen in andere bestemmingen dan "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 2", "Groen", "Kastelen en Landgoederen", "Cultuur en ontspanning - Bezoekerscentrum", "Verkeer", "Maatschappelijk", "Natuur", "Sport" (ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - sport en spel' en specifieke vorm van sport - sportterrein'), mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. er vindt geen horeca ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement;

b. er vindt geen detailhandel ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement, met uitzondering van vlooien- en/of rommelmarkten;

c. er treden geen onomkeerbare gevolgen voor het landschap op;

d. de belangen van de betreffende bestemming worden niet onevenredig aangetast;

e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

f. belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;

g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige architectonische, cultuurhistorische of natuurwaarden;

h. de belangen van in de nabijheid gelegen functies verzetten zich niet tegen het gebruik van de betreffende bestemming voor het evenement.

18.3. De Afdeling overweegt dat het op de weg van de planwetgever ligt om omtrent, onder meer, het toegestane aantal evenementen per jaar, de soorten en de maximale bezoekersaantallen voorschriften te stellen, voor zover dat uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid van het houden van evenementen belang is. Het gaat hier om de beoordeling en de afweging of een planregeling waarmee evenementen kunnen worden toegelaten vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Deze beoordeling en afweging is een andere dan die op grond waarvan, in een concreet geval, voor een evenement al dan niet vergunning op grond van de APV wordt verleend. Regulering van evenementenvergunningen in de APV geschiedt met name vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde en waarborgt niet de vereiste planologische rechtszekerheid. Deze beoordeling en afweging kunnen voorts niet pas bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor evenementen worden gemaakt. Reeds bij de vaststelling van het plan had de raad moeten afwegen of deze afwijkingsbevoegdheid op de gronden op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast. De raad heeft dit evenwel niet gedaan. De raad heeft het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

19. [appellant sub 4] voert verder aan dat hij niet het vertrouwen heeft dat handhavend zal worden opgetreden tegen parkeren buiten het parkeerterrein en dat afspraken over compensatie van natuur in ruil voor uitbreiding van het parkeerterrein zullen worden nageleefd.

19.1. De Afdeling overweegt dat optreden tegen parkeren buiten het parkeerterrein een kwestie van handhaving betreft die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Voorts hebben de afspraken over natuurcompensatie betrekking op de uitbreiding van het bedrijf van De Huifkarhoeve die in het voorheen geldende bestemmingsplan "Huifkarhoeve - Aan de Hoeve" mogelijk is gemaakt. Deze afspraken staan dus los van het voorliggende plan. Het betoog faalt.

20. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Horeca", "Recreatie - Dagrecreatie" en "Verkeer" voor de gronden, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

21. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte aan één van de weilanden die in zijn eigendom zijn de bestemming "Natuur" is toegekend. Volgens hem behoort het desbetreffende weiland tot zijn manege en heeft het reeds sinds lang een agrarische functie. Volgens [appellant sub 2] leidt de bestemming "Natuur" voor het desbetreffende weiland tot ernstige beperkingen in zijn bedrijfsvoering en tot een ernstige waardevermindering van het desbetreffende weiland.

21.1. Volgens de raad was onder het voorheen geldende plan de bestemming "Bos- en Natuurgebied" toegekend aan het desbetreffende weiland en zijn de bestaande rechten overgenomen.

21.2. [appellant sub 2] exploiteert op het perceel [locatie 3] te Herkenbosch een manege met daaromheen weilanden. Aan het desbetreffende weiland is de bestemming "Natuur" toegekend. Het desbetreffende weiland gebruikt [appellant sub 2] voor het laten grazen van paarden, het hooien van gras en het organiseren van springwedstrijden en dressuurwedstrijden voor paarden en pony’s. Het desbetreffende weiland ligt binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Meinweg".

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder a, b, f, g, h en j, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden onder meer bestemd voor natuur in de vorm van bos, weilanden, moeras, water, heide en/of zandgronden, het behoud, herstel en de ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijk en cultuurhistorische waarden, extensief recreatief medegebruik, recreatieve wandel- en fietspaden, parkeer- en verkeersvoorzieningen en agrarisch medegebruik ten behoeve van natuurbeheer.

21.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, onder a en c, van de voorschriften van het voorheen geldende plan waren de voor "Bos - en natuurgebied" aangewezen gronden onder meer bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en het beperkt recreatief medegebruik.

Ingevolge lid 5.6.1 was het verboden de in dit artikel bedoelde gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming.

Ingevolge lid 5.6.2 werd onder gebruik in strijd met de bestemming in elk geval begrepen gebruik van de grond voor agrarisch gebruik, behoudens voor zover dat ten dienste stond van de instandhouding of ontwikkeling van de natuurwaarden.

Ingevolge artikel 40, lid 40.2, onder a, van de voorschriften van het voorheen geldende plan mocht het gebruik van de grond en/of opstallen dat strijdig is met het plan op het tijdstip waarop het plan van kracht wordt, worden gehandhaafd.

Ingevolge lid 40.2, onder b, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik als daar bedoeld, dat reeds in strijd was met het tot het daar genoemde tijdstip ter plaatse geldende bestemmingsplan.

21.4. De Afdeling stelt vast dat het desbetreffende weiland als zodanig is bestemd, nu binnen de bestemming "Natuur" weilanden zijn toegestaan. Niet in geschil is evenwel dat het gebruik door [appellant sub 2] van het desbetreffende weiland niet als zodanig is bestemd, nu dat gebruik niet als extensief recreatief medegebruik en agrarisch medegebruik ten behoeve van natuurbeheer kan worden aangemerkt. De Afdeling stelt voorts vast dat onder het voorheen geldende plan de bestemming "Bos- en natuurgebied" was toegekend aan het desbetreffende weiland en dat binnen deze bestemming het gebruik door [appellant sub 2] van het weiland eveneens niet was toegestaan. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt aan de hand van bijvoorbeeld fotomateriaal dat voor dit gebruik een beroep kon worden gedaan op het overgangsrecht van het voorheen geldende plan. Gelet hierop behoefde de raad in redelijkheid het gebruik door [appellant sub 2] van het desbetreffende weiland niet als zodanig te bestemmen, nu illegaal gebruik in beginsel niet als zodanig behoeft te worden bestemd. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad desondanks dat gebruik als zodanig had moeten bestemmen. Daarbij is van belang dat het desbetreffende weiland binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Meinweg" ligt. Het betoog faalt.

22. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Proceskostenveroordeling

23. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Opdracht

24. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Roerdalen van 30 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Roerdalen", voor zover het betreft:

a. de begrippen educatie gekoppeld aan recreatie, overige recreatieve functies/agrotoerisme en agrarische duurzaamheid, innovatie en educatie in tabel 4.3 van de planregels;

b. de begrippen educatie gekoppeld aan recreatie en overige recreatieve functies/agrotoerisme in tabel 37.3 van de planregels;

c. artikel 4, lid 4.5.3, van de planregels;

d. artikel 63, lid 63.6, van de planregels;

e. artikel 64, lid 64.4 en 64.5, van de planregels;

f. de plandelen met de bestemmingen "Horeca", "Recreatie - Dagrecreatie" en "Verkeer" voor de gronden van De Huifkarhoeve aan de Gitstappermolenweg 1 en 1a;

III. draagt de raad van de gemeente Roerdalen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II., onder a. tot en met f., worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A]en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Roerdalen tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. [appellant sub 1] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellant sub 4] tot een bedrag van € 1.025,34 (zegge: duizendvijfentwintig euro en vierendertig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Roerdalen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1];

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 4].

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van Driel Kluit

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

703.