Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2608

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201306478/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306478/1/V1.

Datum uitspraak: 10 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 juni 2013 in zaak nr. 07/25847 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juni 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Desgevraagd hebben de minister van Veiligheid en Justitie, de vreemdeling en de staatssecretaris een standpunt ingenomen over schadevergoeding verband houdend met de lengte van de procedure.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding (hierna: de Wns) bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste, lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

3. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat kan worden getwijfeld aan de juistheid van de conclusies van de door het Bureau Land en Taal (hierna: het BLT) verrichte taalanalyse van 23 juni 2006 (hierna: de BLT-taalanalyse) en dat deze conclusies in combinatie met de weerwoorden van het BLT van 27 april 2007 en 7 januari 2008 (hierna: onderscheidenlijk weerwoord 1 en weerwoord 2 en samen: de weerwoorden) niet kunnen gelden als een voldoende onderbouwing van het standpunt dat niet geloofwaardig is dat de vreemdeling afkomstig is uit Sierra Leone. De staatssecretaris voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de BLT-taalanalyse in samenhang met de weerwoorden wordt bevestigd door de conclusie van het door het Zweedse taalanalysebureau Skandinavisk Språkanalys AB (hierna: Sprakab) verrichte taalanalyse van 27 april 2007 (hierna: de Sprakab-taalanalyse). Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank de bevindingen van de Sprakab-taalanalyse ten onrechte uitgelegd als een bevestiging van de contra-expertise van De Taalstudio van 28 maart 2007 (hierna: de contra-expertise). Voor zover de vreemdeling Engelse leenwoorden gebruikt, heeft Sprakab dit, anders dan de rechtbank, niet opgevat als steun voor de door de vreemdeling gestelde herkomst uit Sierra Leone, maar alleen als een aanwijzing voor verblijf in een Engelstalig land. Voorts heeft de rechtbank door te oordelen dat het niet ondenkbaar is dat de vreemdeling geen Krio beheerst omdat hij naar eigen zeggen is opgevoed door zijn grootvader en nooit onderwijs heeft gevolgd, de bevindingen van Sprakab selectief gelezen en daarbij de conclusie van Sprakab dat de vreemdeling een variant van Malinké spreekt, zoals gesproken in Guinee, genegeerd.

3.1. In het besluit van 4 juni 2007, gelezen in samenhang met het daarin gelaste voornemen daartoe, heeft de staatssecretaris zich, onder verwijzing naar de BLT-taalanalyse en weerwoord 1 op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat de vreemdeling uit Sierra Leone afkomstig is.

In de BLT-taalanalyse trekt het BLT de conclusie dat de vreemdeling eenduidig niet tot de spraakgemeenschap van Sierra Leone is te herleiden. De vreemdeling spreekt Malinké zoals gangbaar in Guinee. Hij spreekt geen Krio, de algemene voertaal in Sierra Leone.

De opsteller van de contra-expertise plaatst de vreemdeling met zekerheid in het door hem gestelde herkomstgebied: "The area of socialisation of the applicant is definitely Sierra Leone." De spraak van de vreemdeling vertegenwoordigt een variant van Malinké, verwant aan Malinké-Mori. Hij gebruikt Engelse leenwoorden, wat typisch is voor herkomst uit Sierra Leone. Hij gebruikt geen Franse leenwoorden, wat typisch zou zijn voor een herkomst uit Guinee.

In reactie op de contra-expertise heeft het BLT in weerwoord 1 gemotiveerd te kennen gegeven dat het zich niet kan vinden in de conclusie van de opsteller van de contra-expertise en dat het geen reden ziet de BLT-taalanalyse te herzien. Het BLT stelt daartoe dat de vreemdeling wel Franse leenwoorden gebruikt. Uit algemene informatie volgt dat 95% van de bewoners van Sierra Leone het Krio spreekt.

Op 21 september 2007 heeft de vreemdeling een gemotiveerde reactie van De Taalstudio en de opsteller van de contra-expertise overgelegd, waarin zij ingaan op de in weerwoord 1 gebezigde argumentatie van het BLT en vasthouden aan de in de contra-expertise getrokken conclusie. De Taalstudio stelt daarin dat er wel degelijk gebieden van Sierra Leone zijn waar volwassenen mogelijk geen kennis hebben van het Krio, met name in het grensgebied met Guinee, waar de vreemdeling vandaan stelt te komen.

Bij reactie van 7 januari 2008 heeft het BLT in weerwoord 2 deze argumenten gemotiveerd weersproken en het standpunt gehandhaafd dat de vreemdeling eenduidig niet tot de spraakgemeenschap van Sierra Leone is te herleiden. Het BLT vat het niet spreken van het Krio op als een sterke contra-indicatie tegen een herkomst uit Sierra Leone. Het betreft geen absoluut criterium.

3.2. Bij brief van 22 januari 2010 heeft de staatssecretaris de Sprakab-taalanalyse aan de rechtbank overgelegd. Wat het gebruik van Engelse leenwoorden betreft, stelt Sprakab dat het erop kan duiden dat de vreemdeling een periode in een Engelstalig land heeft doorgebracht. Wat het niet spreken van het Krio betreft, stelt Sprakab dat personen die voor langere tijd in Sierra Leone zijn gevestigd een bepaald niveau Krio spreken. Sprakab concludeert dat de vreemdeling "speaks a variety of Malinké found with certainty in Guinea Conakry".

De reactie van de vreemdeling van 22 februari 2010 gaat niet in op de inhoud van de Sprakab-taalanalyse.

3.3. Reeds omdat niet in geschil is dat de Sprakab-taalanalyse inzichtelijk is, Sprakab op het gebruik van Engelse leenwoorden en het niet spreken van het Krio ingaat en de vreemdeling geen reactie heeft ingebracht waarin de opsteller van de contra-expertise of een andere deskundige die bevindingen deugdelijk gemotiveerd weerspreekt, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de uitkomst van de BLT-taalanalyse ten onrechte aan het besluit van 4 juni 2007 ten grondslag heeft gelegd. Met de contra-expertise heeft de vreemdeling de door de Sprakab-taalanalyse versterkte twijfel over zijn gestelde land van herkomst niet weggenomen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling met betrekking tot zijn herkomst onjuiste gegevens heeft verstrekt.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 4 juni 2007 worden getoetst in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat hij met de bij brief van 22 februari 2010 overgelegde nationaliteitsverklaring van de ambassade van Sierra Leone te Brussel van 16 februari 2010 zijn nationaliteit heeft aangetoond.

Reeds omdat deze nationaliteitsverklaring, zijnde een kopie, geen pasfoto of andere identificerende elementen bevat, kan zij niet als nader bewijs dienen van de gestelde nationaliteit van de vreemdeling.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. De vreemdeling heeft ter zitting bij de rechtbank verzocht om vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden omdat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgerond.

7.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis, de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302106/1/A2, van toepassing, omdat het besluit vóór 1 februari 2014 bekend is gemaakt. Op deze zaak worden de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde, zoals neergelegd in haar uitspraak van 13 februari 2013 in zaak nr. 201112627/1/V1.

7.2. In dit geval heeft de staatssecretaris bij besluit van 4 juni 2007 afwijzend op de aanvraag beslist en heeft de vreemdeling daartegen op 22 juni 2007 beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Op 22 mei 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde een deskundige te benoemen. Bij brieven van 29 juli 2008 heeft de rechtbank partijen verzocht een eventuele voorkeur over de te benoemen deskundige op te geven. Bij brief van 3 februari 2009 heeft de staatssecretaris aan de rechtbank bericht dat Sprakab in staat en bereid is om desgevraagd als deskundige op te treden. Op 3 september 2009 heeft de rechtbank besloten Sprakab als deskundige in te schakelen. Op 22 januari 2010 heeft de staatssecretaris aan de rechtbank een kopie van de bandopname doen toekomen en daarbij de Sprakab-taalanalyse overgelegd. Op 6 april 2012 heeft de vreemdeling de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak op korte termijn voort te zetten. Het onderzoek is voortgezet op de zitting van de rechtbank van 24 april 2013. De uitspraak is van 20 juni 2013.

7.3. Bij brief van 29 april 2014 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase bij de rechtbank van twee jaar is overschreden met vier jaar. Van deze overschrijding door de rechtbank dient de periode van 3 februari 2009 tot 22 januari 2010 te worden afgetrokken, omdat de staatssecretaris de procesgang heeft vertraagd. Daarbij heeft de minister in aanmerking genomen dat de staatssecretaris op 3 februari 2009 Sprakab als een door de rechtbank te benoemen deskundige heeft aanbevolen en eerst op 22 januari 2010 aan de rechtbank heeft bericht dat Sprakab reeds een taalanalyse had uitgebracht, terwijl dit de staatssecretaris reeds op 27 april 2007 bekend was. Deze periode van bijna een jaar komt dan ook voor rekening van de staatssecretaris. Er zijn geen aanwijzingen dat de vertraging mede aan de vreemdeling is te wijten. De conclusie van de minister is dat de termijnoverschrijding door de rechtbank van drie jaar resulteert in een schadevergoeding van € 3.000,00. De staatssecretaris heeft zich bij brief van 15 mei 2014 bij dit standpunt aangesloten.

7.4. Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb de minister veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.000,00 aan de vreemdeling, bestaande uit € 3.000,00 als vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank en € 1.000,00 als vergoeding voor de aan de staatssecretaris te wijten vertraging van de procesgang.

8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 juni 2013 in zaak nr. 07/25847;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie om aan de vreemdeling te betalen een bedrag aan schadevergoeding van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro);

V. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 243,50 (zegge: tweehonderddrieënveertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

De voorzitter is verhinderd de w.g. Groeneweg

uitspraak te ondertekenen ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2014

32-801.