Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201210619/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2012:BY2596, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 30 mei 2011 heeft de staatssecretaris de verzoeken van AirKub B.V. om het Air Operator’s Certificate (hierna: AOC) en de Continuing Airworthiness Management Organisation Approval (hierna: CAMO-erkenning), die eerder aan haar zijn afgegeven, te wijzigen in die zin dat [appellant] wordt aangewezen als accountable manager van AirKub, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210619/2/A3.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Schagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 oktober 2012 in zaak nr. 12/417 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 30 mei 2011 heeft de staatssecretaris de verzoeken van AirKub B.V. om het Air Operator’s Certificate (hierna: AOC) en de Continuing Airworthiness Management Organisation Approval (hierna: CAMO-erkenning), die eerder aan haar zijn afgegeven, te wijzigen in die zin dat [appellant] wordt aangewezen als accountable manager van AirKub, afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2012 heeft de staatssecretaris de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2013, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.P.G.M. Rijken, mr. A. Mearadji en ir. J. Keer, allen werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek in deze zaak heropend met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

[appellant] heeft na de zitting een nader stuk ingediend.

Bij tussenuitspraak van 11 december 2013 in deze zaak (nr. 201210619/1/A3) heeft de Afdeling overwogen dat [appellant] belanghebbende is bij de besluiten van 30 mei 2011, zodat de door hem daartegen gemaakte bezwaren bij het besluit van 11 januari 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De Afdeling heeft de staatssecretaris opgedragen binnen tien weken na de verzending van de tussenuitspraak deze bezwaren alsnog inhoudelijk te beoordelen en de uitkomst van deze beoordeling in de vorm van een besluit op bezwaar aan [appellant] en de Afdeling te zenden. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft de staatssecretaris ter uitvoering van deze tussenuitspraak de door [appellant] tegen de besluiten van 30 mei 2011 gemaakte bezwaren inhoudelijk beoordeeld en deze ongegrond verklaard.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] zijn zienswijze over het besluit van 18 februari 2014 gegeven.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge OPS 1.003, van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 859/2008 van de Commissie van 20 augustus 2008 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad ten aanzien van gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures van toepassing op commercieel vervoer per vliegtuig, wordt in deze bijlage verstaan onder aanvaard/aanvaardbaar: waartegen de autoriteit geen bezwaar heeft gemaakt en die geschikt is voor het beoogde doel.

Ingevolge OPS 1.035, onder a, van die bijlage, dient de exploitant één kwaliteitssysteem vast te stellen en één kwaliteitsmanager aan te stellen die toeziet op de naleving en adequaatheid van de procedures die de veilige uitvoering van vluchten en luchtwaardigheid van vliegtuigen moeten garanderen. Het toezicht op de naleving dient een terugmeldingssysteem te omvatten naar de verantwoordelijk manager (zie ook OPS 1.175(h)), om ervoor te zorgen dat zo nodig corrigerende maatregelen genomen worden.

Ingevolge OPS 1.175, onder h, van die bijlage, dient de exploitant een verantwoordelijk manager te hebben aangewezen, die voor de autoriteit aanvaardbaar is en die de bevoegdheid heeft zeker te stellen dat alle operationele en onderhoudsactiviteiten kunnen worden gefinancierd en uitgevoerd overeenkomstig de door de autoriteit vereiste normen.

In AMC OPS 1.035, paragraaf 1.1, van TGL 44, is vermeld:

In order to show compliance with JAR-OPS 1.035, an operator should establish his Quality System in accordance with the instructions and information contained in the following paragraphs.

In paragraaf 2.1, onder a, is vermeld: The terms used in the context of the requirement for an operator’s Quality System have the following meanings:

i. Accountable Manager: the person acceptable to the Authority who has corporate authority for ensuring that all operations and maintenance activities can be financed and carried out to the standard required by the Authority, and any additional requirements defined by the operator.

[-].

In paragraaf 2.2.2 is vermeld: The Accountable Manager is an essential part of the AOC holder’s management organisation. With regard to the text in JAR-OPS 1.175 (h) and the above terminology, the term Accountable Manager is intended to mean the Chief Executive / President / Managing Director / Director General / General Manager etc. of the operator’s organisation, who by virtue of his position has overall responsibility (including financial) for managing the organisation.

In paragraaf 2.2.3 is vermeld: The Accountable Manager will have overall responsibility for the AOC holders Quality System including the frequency, format and structure of the internal management evaluation activities as prescribed in paragraph 4.9 below.

Ingevolge M.A.706, paragraaf a, van bijlage I, deel M, subdeel G bij de Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen, dient de organisatie een verantwoordelijk manager aan te stellen die bevoegd is voor de organisatie om te verzekeren dat alle managementactiviteiten voor permanente luchtwaardigheid kunnen gefinancierd en uitgevoerd worden.

Ingevolge M.A.706, paragraaf b, van die bijlage, zal voor commercieel luchttransport de verantwoordelijk manager van paragraaf a de persoon zijn die tevens bevoegd is voor de organisatie, teneinde te verzekeren dat alle vluchtuitvoeringen van de exploitant gefinancierd en uitgevoerd kunnen worden conform de voor het afgeven van een vergunning tot vluchtuitvoering vereiste norm.

Ingevolge FCL.065, onder b, van de Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, mag de houder van een bewijs van bevoegdheid als bestuurder, die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, niet fungeren als bestuurder van een luchtvaartuig dat betrokken is bij commercieel luchtvervoer.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder i, van de Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG, wordt in deze verordening verstaan onder commerciële vluchtuitvoering: elke vluchtuitvoering met een luchtvaartuig, tegen vergoeding of andere beloning, die voor het publiek beschikbaar is of, wanneer deze niet voor het publiek beschikbaar is, die wordt verricht krachtens een overeenkomst tussen een exploitant en een klant, waarbij de klant geen controle over de exploitant uitoefent.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder AOC:

door de minister aan een onderneming of groep van ondernemingen afgegeven document waarin wordt verklaard dat de betrokken luchtvaartexploitant beschikt over beroepsbekwaamheid en organisatie om luchtvaartuigen veilig te exploiteren voor de in dat bewijs gespecificeerde luchtvaartactiviteiten (Air Operator’s Certificate).

Ingevolge artikel 3.25, tweede lid, wordt bij algemene maatregel van bestuur aangegeven welke erkenningen de minister kan verlenen.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, is het, voor zover bij internationale overeenkomst of besluit van een volkenrechtelijke organisatie niet anders is bepaald, verboden met luchtvaartuigen vluchten tegen vergoeding uit te voeren zonder een daartoe door de minister afgegeven AOC.

Ingevolge artikel 4.2, derde lid, kan de minister een AOC op verzoek van de houder wijzigen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit luchtvaartuigen 2008, zoals dat gold ten tijde hier van belang, kan de minister een CAMO-erkenning verlenen.

Het hoger beroep van [appellant]

2. Gelet op hetgeen onder 3. van de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 11 januari 2012 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient eveneens te worden vernietigd.

Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 18 februari 2014

3. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 18 februari 2014 op het standpunt gesteld dat [appellant] niet geschikt is om de functie van accountable manager adequaat te vervullen. Als motivering heeft de staatssecretaris aangevoerd dat [appellant] op 8 november 2010 een commerciële vlucht heeft uitgevoerd, terwijl hem bekend was dat de wettelijke bevoegdheid daarvoor ontbrak, omdat AirKub op dat moment niet over een geldig AOC beschikte en [appellant] ouder dan 65 jaar was.

Gezien de rol van [appellant] bij deze vlucht en zijn inconsistente verklaringen daarover heeft de staatssecretaris niet het benodigde vertrouwen dat de veilige vluchtuitvoering van de onderneming voldoende is gegarandeerd, als deze sleutelpositie van de onderneming door [appellant] wordt vervuld.

4. [appellant] betoogt dat de door hem op 8 november 2010 gemaakte vlucht als een lijntrainingsvlucht met passagiers was gekwalificeerd en niet de intentie bestond de passagiers tegen vergoeding te laten meevliegen. Hij was niet op de hoogte van het feit dat de vlucht in rekening was gebracht tot hij op 28 november 2011 van de staatssecretaris de desbetreffende factuur ontving. Deze factuur noch de offerte voor de vlucht, die hij eveneens eerst via de staatssecretaris onder ogen heeft gekregen, waren in de administratie van AirKub aanwezig.

Bovendien hield hij zich in zijn functie van hoofd vliegdienst niet bezig met de verkoop en facturering van vluchten en had hij geen toegang tot het factureringssysteem, aldus [appellant].

4.1. Niet in geschil is dat de vlucht op 8 november 2010 tegen vergoeding is uitgevoerd en daarmee een commerciële vlucht is.

De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 18 februari 2014 met juistheid op het standpunt gesteld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vlucht buiten zijn weten om bij de passagiers in rekening is gebracht. In een aan de staatssecretaris verzonden e-mail van 11 november 2010, die [appellant] als een biecht heeft aangeduid, heeft hij verklaard dat hij uit nood heeft besloten enige personen, die een vlucht bij AirKub hadden geboekt en geen vervangende vlucht meer konden boeken, tegen kostprijs met de vlucht van 8 november 2010 te laten meevliegen en dat hij de volle verantwoordelijkheid voor die beslissing neemt. Bij brief van 30 november 2010 heeft hij verklaard dat met de vlucht geen winst is gemaakt, maar tussen AirKub en de passagiers een kostenverdeling is gemaakt.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar op 24 maart 2011 heeft [appellant] naar voren gebracht dat de vlucht "free of charge" is uitgevoerd en later alsnog in rekening is gebracht. Bij brief van 4 juni 2011 heeft hij gesteld dat op 8 november 2011 (lees: 2010) door een daartoe inmiddels onbevoegde persoon, tegen de wens van de toenmalige accountable manager van AirKub, wijlen B. Kubbe, een factuur voor een bijdrage in de kosten van de vlucht aan de passagiers is verstuurd.

Bij brief van 14 november 2011 heeft [appellant] verklaard dat het voor hem nu eindelijk duidelijk is dat door AirKub een factuur voor de vlucht is verzonden, maar dat deze voor hem verborgen is gehouden.

[appellant] doelt daarmee op de factuur van 8 november 2010.

Zoals de staatssecretaris in het besluit van 18 februari 2014 terecht heeft opgemerkt, is deze verklaring van [appellant] niet te rijmen met zijn verklaringen tijdens de hoorzitting op 24 maart 2011 en in de brief van 4 juni 2011, waarin hij de desbetreffende factuur al heeft genoemd. Daarbij komt dat Kubbe reeds bij brief van 2 januari 2011 heeft erkend dat door AirKub een factuur voor een bijdrage in de kosten van de vlucht aan de passagiers is verzonden. De staatssecretaris heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat [appellant] over de gang van zaken rondom de vlucht op belangrijke punten inconsistent heeft verklaard en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn beschrijving ervan. Evenzeer met juistheid heeft hij zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de positie die [appellant] destijds bij AirKub bekleedde en mede gelet op de brief van Kubbe van 3 december 2010, waarin deze heeft verklaard dat [appellant] de vliegoperatie, de administratie en de financiën bij AirKub controleerde en onvolkomenheden aan hem rapporteerde, niet aannemelijk is dat [appellant], zoals hij stelt, de e-mail van 11 november 2010 heeft verstuurd op verzoek van Kubbe, maar er niet van op de hoogte was dat voor de door hem op 8 november 2010 gemaakte vlucht door AirKub een factuur was verstuurd en deze was voldaan.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat, nu [appellant] bij de desbetreffende vlucht en de feitelijke afhandeling ervan een leidende rol heeft vervuld en daarbij het door de Europese luchtvaartregelgeving en de Wet luchtvaart nagestreefde doel de veiligheid van de vluchtuitvoering te waarborgen is ondermijnd, hij zo ernstig is tekortgeschoten dat hij ongeschikt is om de functie van accountable manager adequaat te kunnen uitvoeren. Deze functie betreft een sleutelpositie binnen de onderneming van de AOC-houder. Zo draagt de accountable manager de algehele verantwoordelijkheid voor de vliegveiligheid en behoort deze er onder meer zorg voor te dragen dat de toepasselijke wet- en regelgeving door de onderneming in acht wordt genomen. Juist op dit punt is [appellant] tekortgeschoten. In de stelling van [appellant] dat de vlucht geheel veilig is uitgevoerd en hij gedurende vijftig jaren duizenden veilige vlieguren heeft gemaakt, heeft de staatssecretaris geen aanleiding hoeven zien tot een andersluidend oordeel te komen.

Het betoog faalt.

5. Het op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 18 februari 2014 is ongegrond.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 oktober 2012 in zaak nr. 12/417;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 11 januari 2012, kenmerk B-1-11-793.001 en B-1-11-1511.001 gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 18 februari 2014, kenmerk D-1-12-0004.001, ongegrond;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bij de rechtbank ingestelde beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Wilde

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

598.