Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201111025/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BT7989, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2008 heeft de minister een verzoek van de vennootschappen om nadeelcompensatie op grond van de beleidslijn "Ruimte voor de rivier" (hierna: de Beleidslijn) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/768
BR 2014/117

Uitspraak

201111025/1/A2.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vennootschappen], alle gevestigd te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 september 2011 in zaak nr. 09/4141 in het geding tussen:

de vennootschappen

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2008 heeft de minister een verzoek van de vennootschappen om nadeelcompensatie op grond van de beleidslijn "Ruimte voor de rivier" (hierna: de Beleidslijn) afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2009 heeft de minister het door de vennootschappen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2011 heeft de rechtbank het door de vennootschappen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vennootschappen hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De vennootschappen hebben gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid te repliceren. De minister heeft gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid te dupliceren.

De vennootschappen hebben nadere stukken overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2013, waar de vennootschappen, vertegenwoordigd door mr. B.S. ten Kate, advocaat te Arnhem, vergezeld door P.S.A. Overwater, taxateur, en door K.N. Ottervanger en P.C. van Tuyl, beiden werkzaam bij de vennootschappen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. van Poortvliet, advocaat te Den Haag, en door mr. drs. M.A. Ziel, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 17 april 2013 in zaak nr. 201111025/1/T1/A2 heeft de Afdeling de minister opgedragen binnen 24 weken na verzending van de tussenuitspraak het besluit van 18 september 2009 nader te motiveren dan wel een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

De in de tussenuitspraak gegeven termijn is op verzoek van partijen verlengd.

Bij besluit van 15 januari 2014 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van de vennootschappen, het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2008 alsnog gegrond verklaard, het besluit van 9 december 2008 herroepen en aan de vennootschappen alsnog een vergoeding toegekend van € 1.975.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente van af 12 september 2007 tot en met de dag van algehele voldoening.

Bij brieven van 19 februari en 12 maart 2014 hebben de vennootschappen een zienswijze naar voren gebracht.

De minister heeft gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid te repliceren.

De vennootschappen hebben nadere stukken overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2014, waar de vennootschappen, vertegenwoordigd door mr. B.S. ten Kate, advocaat te Arnhem, vergezeld door P.S.A. Overwater, taxateur, K.N. Ottervanger, A.M. van den Broek en P.C. van Tuyl, werkzaam bij de vennootschappen, en door mr. A.C.M.M. van Heesbeen, deskundige, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. F. de Groot, advocaat te Den Haag, en door mr. M.A. Ziel, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de behartiging van waterstaatsdoeleinden als een normale maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen belang dient te worden beschouwd. De vennootschappen dienden derhalve rekening te houden met beperkingen die daaruit voortvloeiden ten aanzien van te ontwikkelen industriële activiteiten op de locatie IJzendoorn. Inherent aan een buitendijks, in het winterbed van een rivier gelegen locatie is ook dat tot op zekere hoogte rekening dient te worden gehouden met wijziging van beleidsinzichten ten aanzien van het bieden van bescherming tegen hoogwater en de mogelijkheid van een stringenter beleid ten aanzien van het gebruik van een winterbed.

1.1. In de tussenuitspraak is voorts overwogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het optreden van schade als gevolg van de beleidslijn "Ruimte voor de rivier" (de Beleidslijn) volledig inherent is aan de bedrijfsactiviteiten van de vennootschappen en de op de locatie rustende dubbelbestemming waterstaatsdoeleinden en derhalve geheel binnen het normale ondernemersrisico van de vennootschappen valt. De raad van de gemeente Echtveld (thans: Neder-Betuwe) heeft in het op 7 april 1993 vastgestelde bestemmingsplan "Gedeeltelijke herziening A bestemmingsplan Uiterwaarden" aan de locatie IJzendoorn de bestemming "Bedrijventerrein B" toegekend. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft hieraan bij besluit van 29 november 1993 goedkeuring onthouden, met de motivering dat handhaving van de bedrijfsbestemming op de locatie als achterhaald moet worden beschouwd. De minister heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, en evenmin is daarvan gebleken, die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat de vennootschappen reeds voordien rekening dienden te houden met wijziging van beleidsinzichten die met zich kon brengen dat de gronden afgegraven zouden worden en daarop in het geheel geen niet-rivier gebonden activiteiten meer mogelijk zouden zijn.

2. Gelet op dit oordeel van de Afdeling in de tussenuitspraak, is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 september 2009 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

3. Bij besluit van 15 januari 2014 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak aan de vennootschappen alsnog een vergoeding toegekend van € 1.975.000,00.

De minister heeft aan dit besluit een advies van de Commissie Schadebeoordeling Beleidslijn "Ruimte voor de Rivier" van november 2013 ten grondslag gelegd. In het advies is vermeld dat de waarde van de buitendijkse gronden op de peildatum 19 april 1996, de dag waarop de Beleidslijn in werking trad, € 10.200.000,00 bedroeg. Op de gronden rustte een ruime bedrijfsbestemming. Van de gronden kon ongeveer 3 ha als volledig bouwrijp worden aangemerkt en 15 ha als nog niet geheel bouwrijp. Na de inwerkingtreding van de Beleidslijn zijn de gronden, voor zover thans van belang, alleen aan te wenden voor riviergebonden bedrijfsactiviteiten in de vorm van aan een hoofdwaterweg gebonden overslagbedrijven. Gelet op de omvang van het terrein en de hoogteligging van de gronden, zou naar het oordeel van de commissie een afgraving van 3 ha nodig zijn om het overblijvende terrein van 15 ha voldoende te kunnen ophogen en dit terrein aldus bruikbaar te maken voor riviergebonden bedrijfsdoeleinden welke voldoen aan de criteria van de Beleidslijn. De waarde van de 15 ha nog niet geheel bouwrijpe gronden, rekening houdend met kosten voor het aan de waterzijde afgraven en elders ophogen van de gronden en kosten van afwerking van het terrein, bedraagt € 6.650.000,00. De waardevermindering van de gronden komt daarmee op € 3.550.000,00.

3.1. In het advies is voorts ingegaan op de vraag in hoeverre de schade als gevolg van de Beleidslijn tot het normale ondernemersrisico van de vennootschappen behoort. Daarbij is het gestelde in de tussenuitspraak, zoals weergegeven onder 1 en 1.1, als uitgangspunt genomen. Inherent aan een buitendijks, in het winterbed van een rivier gelegen locatie is dat op zekere hoogte rekening moet worden gehouden met wijziging van beleidsinzichten voor het bieden van bescherming tegen hoogwater en de mogelijkheid van een stringenter beleid voor het gebruik van een winterbed. De vennootschappen hadden al sinds het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "Buitengebied 1975" op 3 juni 1981 de mogelijkheid om de gronden ten behoeve van bedrijfsmatige doeleinden te bebouwen en te gebruiken. Het voornemen om een deel van de gronden aan te wenden voor de eigen bedrijfsvoering en het overige deel na bouwrijpmaking te verkopen aan derden, is nooit gerealiseerd, ook niet in de periode voordat bij besluit van 29 november 1993 goedkeuring werd onthouden aan de industriële bestemming op de gronden. Naarmate langer werd gewacht met het benutten van de bouw- en aanwendingsmogelijkheden, nam de kans toe dat beleidsinzichten zouden wijzigen met als gevolg relevante beperkingen voor de beoogde bedrijfsmatige activiteiten. Daar komt bij dat bedrijfsmatige projectontwikkeling naar haar aard al risicovol is en dat de buitendijkse ligging, ondanks de ophoging in het verleden, nog altijd een extra risico vormde (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005, zaak nr. 200400527/1).

Dat voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Beleidslijn rekening moest worden gehouden met een wijziging van beleidsinzichten die met zich kon brengen dat 3 ha van de gronden afgegraven zouden moeten worden, kan niet geacht worden binnen het normale verwachtingspatroon van de vennootschappen te liggen. Dat geldt ook voor het hiermee samenhangende verlies aan uitgeefbare gronden. Het vervallen van de mogelijkheid voor niet-riviergebonden bedrijvigheid was evenmin te verwachten. Daarvan gaat volgens het advies echter geen waardedrukkend effect uit omdat de gronden juist hun hoogste waarde ontlenen aan de mogelijkheid van riviergebonden bedrijvigheid. De kosten voor verdere ophoging van de gronden komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten inherent zijn aan de locatie van de gronden. De gronden zijn in de jaren 60 opgehoogd tot toenmalig dijkniveau en het ligt in de rede dat in de loop van de tijd verdere voorzieningen getroffen zouden moeten worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dijken met enige regelmaat versterkt en verhoogd moeten worden teneinde de vereiste veiligheid van het achterland te waarborgen.

De slotsom van het advies is dat het verlies van 3 ha nog bouwrijp te maken bedrijventerrein niet tot het voor de vennootschappen geldende ondernemersrisico kan worden gerekend. De mogelijkheid dat nieuwe beleidsinzichten zouden kunnen nopen tot het treffen van voorzieningen of het ophogen van het overige gebied en de daarmee samenhangende lasten, rekent de commissie wel tot het ondernemersnemersrisico. Dit betekent dat het verlies van 3 ha nog niet geheel bouwrijpe grond (€ 1.500.000,00), de kosten voor het afgraven van deze gronden (€ 315.000,00) en de kosten van afwerking van het overblijvende terrein (€ 220.000,00) voor vergoeding in aanmerking komen, waarop de restwaarde van het 3 ha afgegraven terrein (€ 60.000,00) in mindering moet worden gebracht. Dit leidt tot een toe te kennen vergoeding van € 1.975.000,00.

4. De vennootschappen betogen dat de minister in navolging van het advies zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uitsluitend de schade die het gevolg is van het afgraven en verlies van 3 ha grond en kosten voor afwerking van het overblijvende terrein voor vergoeding in aanmerking komt. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat geen schade is ondervonden door de gebruiksbeperkingen die de Beleidslijn met zich brengen, omdat de gronden hun hoogste waarde ontleenden aan riviergebonden activiteiten. Deze stelling is in het advies niet onderbouwd en is volgens de vennootschappen ook niet aannemelijk. Daartoe stellen zij dat de gronden voorheen een ruime bedrijfsbestemming hadden en als gevolg van de Beleidslijn alleen konden worden aangewend voor overslagbedrijven voor zover gekoppeld aan vervoer over een hoofdvaarweg. De gebruiksmogelijkheden werden hierdoor zodanig beperkt dat nog maar een klein deel van de gronden in beperkte mate bedrijfsmatig gebruikt had kunnen worden. De geringe meerwaarde van dit bedrijfsmatige gebruik woog niet op tegen de investeringen die nodig zouden zijn om het terrein te laten voldoen aan het door de Beleidslijn voorgeschreven beschermingsniveau. De kosten van compenserende maatregelen zijn in het advies te laag ingeschat. Daartoe stellen de vennootschappen dat het afgraven van 3 ha grond niet toereikend is om het verlies aan waterbergend vermogen als gevolg van verdere ophoging van de gronden, te compenseren. Bij een hoge waterstand biedt dit geen compensatie, omdat de ruimte die door afgraving wordt gecreëerd onmiddellijk tot de rivier gaat behoren. De gronden hadden door de inwerkingtreding van de Beleidslijn nog slechts een waarde van € 6,26 per m2 (tweemaal de agrarische waarde). Voor 18 ha bedroeg de waarde derhalve € 1.126.800,00. Indien wordt uitgegaan van de waarde van de gronden voor de inwerkingtreding van de Beleidslijn, € 10.200.000,00, bedraagt de schade € 9.073.200,00.

4.1. Blijkens de toelichting op artikel 4, eerste lid en onder d, van de Beleidslijn zijn, voor zover thans van belang, situaties denkbaar waarin plannen of initiatieven in verband met de Beleidslijn niet meer kunnen worden gerealiseerd en waarvan de hierdoor veroorzaakte schade niet of niet geheel tot de normale maatschappelijke of bedrijfsrisico’s kan worden gerekend. In dat geval moet er sprake zijn van een schrijnend geval, waarvan de redelijkheid gebiedt dat deze in ogenschouw moet worden genomen, aldus de toelichting.

4.2. Gelet op de tussenuitspraak heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het verlies van de 3 ha grond, de kosten van afgraving en de kosten van afwerking van het resterende terrein niet tot het normaal ondernemersrisico behoren. Voor het overige heeft hij afdoende gemotiveerd dat de overige gestelde schade tot het normale ondernemersrisico moet worden gerekend. Zelfs indien geoordeeld zou moeten worden dat de overige gestelde schade, met name de waardedaling van de gronden, niet of niet geheel tot het normale ondernemersrisico kan worden gerekend, kan niet gesproken worden van een schrijnend geval, waarvan de redelijkheid gebiedt dat de overige gestelde schade voor vergoeding in aanmerking komt. Daartoe is van belang dat de gronden in de jaren 60 zijn aangekocht en dat toen een inschatting is gemaakt over de bruikbaarheid en mogelijke waarde van de gronden. De locatie van de gronden in het winterbed van de rivier de Waal heeft geleid tot een verhoogd risico op het ontstaan van schade. Met het verstrijken van de tijd nam de kans toe op wijziging van beleidsinzichten inzake de bescherming tegen hoogwater. Daarnaast hebben de vennootschappen de sinds 1981 tot 1993 bestaande industriële bestemming niet benut. Voorts konden er ook voor de Beleidslijn stringente beperkingen aan industriële activiteiten vanwege het belang van waterstaatsdoeleinden worden gesteld en is er nooit een vergunning op grond van de Rivierenwet verleend ten behoeve van industriële doeleinden.

4.3. Anders dan de vennootschappen betogen is er geen grond voor de veronderstelling dat de gronden hun hoogste waarde niet zouden ontlenen aan de mogelijkheid om deze aan te wenden voor riviergebonden activiteiten. In dit verband heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de bestemming industriële doeleinden nooit is gerealiseerd, dat er voorheen al stringente beperkingen bestonden op grond van de Rivierenwet en dat op grond van die wet ook nooit een vergunning ten behoeve van industriële activiteiten is verleend. In zoverre hebben de vennootschappen niet aannemelijk gemaakt dat onder het regime van de Beleidslijn de waarde van de gronden drastisch zou zijn gedaald. Voor zover de vennootschappen hebben gewezen op een notitie van Gloudemans van 10 maart 2014 leidt dit niet tot een ander oordeel, nu daarin wederom wordt gewezen op de mogelijkheid om voor de inwerkingtreding van de Beleidslijn de gronden te gebruiken voor industriële doeleinden en geen rekening wordt gehouden met reeds bestaande beperkingen.

Voor zover de vennootschappen betogen dat het niet reëel is dat de gronden nog voor riviergebonden activiteiten kunnen worden gebruikt gelet op de daarmee verbonden hoge kosten, treft dit geen doel. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat de berekening van de kosten in het advies om het resterende terrein te gebruiken voor riviergebonden overslag onjuist is. Daarmee is evenmin aannemelijk gemaakt dat de kosten zo hoog zijn dat dit de waarde van de gronden zou drukken tot het niveau van tweemaal de agrarische waarde ervan. Die lage waardering is ook in strijd met de eerder door de vennootschappen gegeven waardering van de gronden van € 66,67 per m2 in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2010 in zaak nr. 200906819/1/H2. In die waardering is rekening gehouden met de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het direct gevolg was van de Beleidslijn. Dat, zoals de vennootschappen betogen, die waardering is opgesteld in het kader van de planschadeprocedure, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister niet van de waarde van de gronden in het advies mocht uitgaan. Ook is er geen grond voor het oordeel dat de afgraving van 3 ha gronden geen duurzame compensatie zou zijn voor de ophoging van de resterende 15 ha grond. De 3 ha gronden zijn onder normale omstandigheden watervrije gronden en de ruimte die vrij komt door afgraving ervan komt ten goede aan de rivier. Hiermee wordt duurzaam een grotere capaciteit aan waterbergend vermogen gecreëerd. De door de vennootschappen overgelegde reactie van Arcadis van 11 december 2013 leidt niet tot een ander oordeel.

Voor zover de gronden volgens de vennootschappen niet geschikt zouden zijn voor riviergebonden activiteiten, omdat een achterland van bedrijvigheid en industrie ontbreekt, betekent dit niet, wat er ook van zij, dat de gronden hun hoogste waarde aan de industriële bestemming ontleenden.

5. Voorts betogen de vennootschappen dat de minister ten onrechte geen vergoeding heeft gegeven voor de kosten die samenhangen met het ophogen van de gronden.

5.1. De minister heeft zich in navolging van het advies terecht op het standpunt gesteld dat de ophoging van de gronden tot het toenmalige dijkniveau in de jaren 60 niet betekent dat de vennootschappen geen rekening hoefden te houden met de noodzaak de gronden verder op te hogen of voorzieningen te treffen teneinde overlast en schade als gevolg van hoog water te voorkomen. In dit verband is van belang dat de buitendijkse ligging in het winterbed van De Waal, ondanks ophoging in het verleden, een extra risico vormt. De vennootschappen dienen ook zonder de inwerkingtreding van de Beleidslijn rekening te houden met dergelijke kosten. Daaraan doet niet af dat Rijkswaterstaat in 1992 vergelijkbare gronden niet heeft verhoogd ten behoeve van de aanleg van een overnachtingshaven.

6. De vennootschappen betogen verder dat de minister ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de deskundigenkosten die zij in het kader van deze procedure hebben moeten maken. Zij betogen dat het niet onredelijk is dat zij een deskundige hebben ingeroepen voor het opstellen, verwoorden en onderbouwen van een verzoek om nadeelcompensatie. Dat de kosten grotendeels in het kader van de planschadeprocedure zijn gemaakt, sluit niet uit dat de adviezen ten dele zien op nadeel dat door de Beleidslijn is veroorzaakt en dat daarvoor geen vergoeding is gekregen.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 9 mei 2012 in zaak nr. 201106237/1/A1) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Ter bepaling of het inroepen van een niet-juridisch deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.

6.2. De deskundigenkosten die zijn gemaakt in het kader van de planschadeprocedure en waarvoor in dat verband al een vergoeding is ontvangen, komen in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking. Het rapport van Overwater van 19 juni 2013 is geen reactie op het conceptadvies van 27 september 2013, dat naar aanleiding van de tussenuitspraak is opgesteld. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het rapport niet in redelijkheid geacht kan worden te hebben bijgedragen aan de herbeoordeling van de aanvraag om nadeelcompensatie en het opstellen van het conceptadvies door de commissie.

Het betoog faalt.

6.3. Wat betreft de kosten die zijn gemaakt voor aan de vennootschappen uitgebrachte deskundigenrapporten van Arcadis en Gloudemans overweegt de Afdeling dat de kosten van een deskundige redelijkerwijs zijn gemaakt indien het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Het inroepen van een deskundige naar aanleiding van het concept-advies van 27 september 2013 is redelijk. Voor de vergoeding van de kosten van het opstellen van een deskundigenrapport hanteert de Afdeling een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur. Gelet op de beperkte omvang van de rapporten gaat de Afdeling er van uit dat aan het opstellen van de rapporten maximaal 10 uur is besteed. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van deze deskundigenrapporten bedraagt derhalve € 750,00.

7. De vennootschappen betogen tot slot dat de minister ten onrechte de rente heeft vergoed met ingang van 12 september 2007 en niet met ingang van 4 februari 2004. Daartoe stellen zij dat op 3 februari 2004 is verzocht om toekenning van een planschadevergoeding, maar dat dat verzoek mede zag op de vergoeding van nadeel als gevolg van de inwerkingtreding van de Beleidslijn.

7.1. Dit betoog slaagt niet. De minister heeft terecht 12 september 2007, de dag waarop het verzoek om nadeelcompensatie is ingediend, gehanteerd als aanvangsdatum van de wettelijke rente. Op 3 februari 2004 hebben de vennootschappen een verzoek om vergoeding van planschade bij de raad van de gemeente Neder-Betuwe ingediend, omdat zij stellen schade te hebben geleden als gevolg van het bestemmingsplan "Uiterwaarden Echteld 2001". Dat zij in de veronderstelling verkeerden dat het gehele door hen ondervonden nadeel als planschade kon worden beschouwd, brengt niet met zich dat 3 februari 2004 beschouwd zou moeten worden als de dag waarop zij het verzoek om nadeelcompensatie op grond van de Beleidslijn hebben ingediend.

8. De minister dient op na te melden wijze in de vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 september 2011 in zaak nr. 09/4141;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, IPC-880 van 18 september 2009, kenmerk BJZ2009055317;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van 15 januari 2014 van de minister ongegrond;

VI. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu, IPC-880 tot vergoeding van bij [de vennootschappen] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.428,50 (zegge: drieduizend vierhonderdachtentwintig euro en vijftig cent), waarvan € 2678,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

VII. gelast dat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, IPC-880 aan [de vennootschappen] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 789,00 (zegge: zevenhonderdnegenentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

299.