Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2587

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
201302258/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2012, kenmerk 2012-XI-11, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Oostflakkee" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302258/2/R4.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Den Bommel, gemeente Goeree-Overflakkee,

en

de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2012, kenmerk 2012-XI-11, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Oostflakkee" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2013, waar [appellant], bij monde van [appellant A], bijgestaan door mr. E.G. Karel, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door C. van Nimwegen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.

Bij tussenuitspraak van 31 december 2013, in zaak nr. 201302258/1/R4, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 29 november 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 20 maart 2014, kenmerk Z-14-20844/2507, het bestemmingsplan "Buitengebied Oostflakkee" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 29 november 2012

1. De Afdeling heeft onder 8.2 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad ter zitting heeft bevestigd dat bij de vaststelling van het plan geen onderzoek is verricht naar het aantal verkeersbewegingen en de omvang van de parkeerbehoefte die de uitbreiding van de camping meebrengt. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de uitbreiding van de camping niet leidt tot een onaanvaardbare verkeers- en parkeeroverlast op de Bommelsedijk. Nu de raad dit heeft nagelaten, heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te betrachten zorgvuldigheid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb ontoereikend is gemotiveerd.

2. De Afdeling heeft voorts onder 9.2 van de tussenuitspraak overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het de bedoeling van de raad is geweest ter plaatse van de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant] uitsluitend een groenvoorziening mogelijk te maken. Nu het plan ter plaatse dagrecreatie mogelijk maakt, waartoe onder meer spel- en speelvoorzieningen en andere activiteiten die geluid meebrengen behoren, heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid.

3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant], voor zover dat is gericht tegen het besluit van 29 november 2012, gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - camping" voor het perceel waarop camping Zuidzijde ligt, alsook voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" voor de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant].

4. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 8.2 alsnog onderzoek te doen naar de verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte die de uitbreiding van de camping meebrengt en inzichtelijk te maken dat de uitbreiding van de camping niet leidt tot een onaanvaardbare verkeers- en parkeeroverlast op de Bommelsedijk, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. Voorts heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van overweging 9.2 het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

Het besluit van 20 maart 2014

5. Bij besluit van 20 maart 2014 heeft de raad het plan opnieuw, zij het gewijzigd, vastgesteld en daarmee het besluit van 29 november 2012 vervangen.

6. De raad heeft aan het besluit van 20 maart 2014 ten grondslag gelegd dat de voorziene camping geen onaanvaardbare parkeer- en verkeershinder meebrengt. Daartoe verwijst de raad naar een in opdracht van de raad uitgevoerde studie naar de parkeer- en verkeerseffecten van de in het plan voorziene ontwikkeling betreffende camping Zuidzijde. De resultaten van deze studie zijn neergelegd in een memo van 12 maart 2014 (hierna: de parkeer- en verkeersstudie). Voorts heeft de raad aan de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant] de bestemming "Agrarisch" toegekend.

7. Het besluit van 20 maart 2014 is gezien artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellant] wordt geacht van rechtswege mede te zijn gericht tegen dit besluit.

8. [appellant] voert in zijn zienswijze aan dat aan de strook grond die grenst aan zijn perceel thans ten onrechte de bestemming "Agrarisch" is toegekend. [appellant] vreest ook als gevolg van deze bestemming ernstige overlast te ondervinden. In dit verband wijst [appellant] erop dat deze bestemming de mogelijkheid biedt om ter plaatse een manege met paardenstalling te realiseren. Het gebrek is daarmee niet hersteld, aldus [appellant].

8.1. Volgens de verbeelding is aan de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant] de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan het noordelijk gelegen gedeelte van de strook grond is voorts de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - ontsluiting 1" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor een agrarisch bedrijf en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - ontsluiting 1" tevens voor een calamiteitenontsluiting.

8.2. In het raadsvoorstel staat dat het, zoals tijdens de zitting is aangegeven, bij de vaststelling van de bestemming voor de desbetreffende strook grond de bedoeling was om alleen een groenvoorziening mogelijk te maken, vanwege de minimale kans op overlast die het gebruik van de gronden voor een groenvoorziening meebrengt. In overleg met de exploitant van camping Zuidzijde is echter besloten om aan het perceel niet de bestemming "Groen", maar de bestemming "Agrarisch" toe te kennen, zo staat in het raadsvoorstel. Volgens het raadsvoorstel is dit aanvaardbaar, omdat het gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden evenmin overlast oplevert voor [appellant].

De Afdeling stelt vast dat het plan gelet op de bestemmingsomschrijving in artikel 3, lid 3.1, van de planregels ter plaatse onder meer een agrarisch bedrijf mogelijk maakt en derhalve meer dan het voorziene gebruik van de gronden als buffer door middel van een groenvoorziening. Anders dan de raad kennelijk veronderstelt, is niet uitgesloten dat deze activiteit naar zijn aard meer overlast meebrengt voor [appellant] dan de overlast die wordt veroorzaakt door het gebruik van de gronden voor een groenvoorziening. De omstandigheid dat op grond van het voorheen geldende plan aan de desbetreffende strook ook een agrarische bestemming was toegekend, is daarvoor onvoldoende motivering. In strijd met de bedoeling van de raad waarborgt het plan dan ook niet dat ter plaatse niet meer overlast wordt veroorzaakt dan het gebruik van de gronden voor een groenvoorziening zou meebrengen. Het plan is daarom in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het onder 9.2 van de tussenuitspraak geconstateerde en onder 12, tweede aandachtsstreepje, vermelde gebrek is niet hersteld.

9. [appellant] voert in zijn zienswijze voorts aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de parkeerbehoefte die de uitbreiding van de camping meebrengt. [appellant] betoogt dat met de parkeer- en verkeersstudie niet is aangetoond dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare parkeeroverlast, omdat uit deze studie volgt dat de parkeerbehoefte 225 tot 270 parkeerplaatsen bedraagt, terwijl op het terrein slechts is voorzien in ruimte voor 100 tot 150 parkeerplaatsen en in de studie niet wordt aangegeven hoe en waar verder in de behoefte wordt voorzien. Daarbij komt dat bij de bepaling van deze parkeerbehoefte geen rekening is gehouden met de behoefte die ontstaat als gevolg van de gewijzigde plannen voor de strook grond die grenst aan zijn perceel, aldus [appellant]. Het betrokken gebrek is daarmee niet hersteld, zo betoogt [appellant].

Voorts voert [appellant] in zijn zienswijze aan dat niet inzichtelijk is gemaakt dat geen onaanvaardbare verkeershinder op de Bommelsedijk optreedt. Hiertoe stelt hij dat in de studie ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat de toegang naar de Bommelsedijk wordt afgesloten. In dit verband voert [appellant] aan dat, hoewel deze toegang slechts mag worden gebruikt als calamiteitenontsluiting, de toegang wel degelijk open blijft, waardoor hij hinder vreest als gevolg van gebruik van de toegang door bezoekers van de camping en de manege, alsook door bewoners. Dat is in de studie ten onrechte niet onderkend, zo betoogt [appellant]. Het desbetreffende gebrek is dan ook niet hersteld, aldus [appellant].

9.1. Over de parkeerdruk overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op hetgeen is overwogen onder 8.2 behoeft het betoog dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van het toekennen van de bestemming "Agrarisch" aan de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant] geen bespreking.

In de parkeer- en verkeersstudie is het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend op basis van publicatie nr. 317 van het CROW "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". De parkeerbehoefte voor de in het plan voorziene ontwikkeling bedraagt 225 tot 270 parkeerplaatsen, waarbij is uitgegaan van twee woningen, 200 standplaatsen en veertien manegeboxen, zo volgt uit de parkeer- en verkeersstudie. Uit het vorenstaande blijkt dat de raad onderzoek heeft gedaan naar de parkeerbehoefte voor de situatie die ontstaat nadat de door het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van de camping heeft plaatsgevonden, waarbij de specifieke uitbreiding van de camping is betrokken. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderzoek in zoverre onjuist is.

In de parkeer- en verkeersstudie staat verder dat de benodigde ruimte voor het totale aantal parkeerplaatsen beschikbaar is op het terrein van de camping, zodat het mogelijk is alle benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Gelet op de oppervlakte van het terrein waarop de camping is voorzien, acht de Afdeling dat niet onaannemelijk, temeer nu gelet op hetgeen onder 8.2 is overwogen op de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant] minder ontwikkelingen mogelijk zullen zijn dan waarvan in de parkeer- en verkeersstudie is uitgegaan. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van de ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" mogelijk gemaakte activiteiten geen onaanvaardbare parkeeroverlast ontstaat.

9.2. Over de verkeersbewegingen op de Bommelsedijk overweegt de Afdeling als volgt. In de parkeer- en verkeersstudie staat dat de huidige toegang aan de Bommelsedijk wordt afgesloten en dat bezoekers van de camping behoudens calamiteiten gebruik zullen maken van de Schaapsweg, de Groeneweg en de Lageweg, op welke wegen het verwachte verkeer kan worden afgewikkeld. Met de door de raad beoogde aanduiding "specifieke vorm van verkeer - ontsluiting 1" wordt geregeld dat de desbetreffende toegang alleen mag worden gebruikt voor een calamiteitenontsluiting. De vrees dat hinder optreedt als gevolg van bezoekers van de camping die desondanks - buiten het geval van calamiteiten - gebruik zullen maken van de toegang aan de Bommelsedijk, heeft geen betrekking op het plan, maar op de uitvoering ervan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dit bezwaar moet derhalve buiten beschouwing blijven.

9.3. De betogen falen. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het in de tussenuitspraak onder 8.2 geconstateerde en onder 12, eerste aandachtsstreepje, vermelde gebrek niet is hersteld.

10. Ten aanzien van de beroepsgronden die [appellant] heeft aangevoerd tegen het besluit van 29 november 2012, welke worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 20 maart 2014, ziet de Afdeling thans geen aanleiding anders te oordelen dan zij in de tussenuitspraak heeft gedaan.

11. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 20 maart 2014, is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant].

12. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Hierbij wijst de Afdeling er ten behoeve van het nieuw te nemen besluit op dat door de vernietiging van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant], de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - ontsluiting 1" eveneens wordt vernietigd.

Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

13. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 29 november 2012, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Goerree-Overflakkee van 29 november 2012, kenmerk 2012-XI-11, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Oostflakkee", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - camping" voor het perceel waarop camping Zuidzijde ligt, alsook voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" voor de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant A] en [appellante B];

III. verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 20 maart 2014, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Goerree-Overflakkee van 20 maart 2014, kenmerk Z-14-20844/2507, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Oostflakkee", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de strook grond die grenst aan het perceel van [appellant A] en [appellante B] zoals omschreven in het hiervoor vermelde onderdeel II.;

V. draagt de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee op om binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ten aanzien van het in het hiervoor vermelde onderdeel IV. genoemde plandeel een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

271-786.