Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201404449/1/A1 en 201404449/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft het college [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw met drie bouwlagen, na sloop van de huidige bebouwing op het perceel [locatie 1] te Amsterdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404449/1/A1 en 201404449/2/A1.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2014 in zaak nr. 13/1164 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam

(hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft het college [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw met drie bouwlagen, na sloop van de huidige bebouwing op het perceel [locatie 1] te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 februari 2013 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juni 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. L. de Groot, en het college, vertegenwoordigd door mr. G. van der Kuil, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan het bestuursorgaan worden opgedragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

3. De voorzitter stelt vast dat aan het geding in hoger beroep geen derde-partijen deelnemen. De gemachtigde van [belanghebbende A] en [belanghebbende B], voormalig eigenaar en eigenaar van de appartementsrechten [locatie 2] en [locatie 3] te Amsterdam, die beiden als partij aan het geding in beroep hebben deelgenomen, heeft schriftelijk bericht dat zij niet langer als partij aan het geding deelnemen. [belanghebbende C], die inmiddels [belanghebbende A] als eigenaar van het appartementsrecht [locatie 2] is opgevolgd, heeft schriftelijk meegedeeld dat zij evenmin als partij aan het hoger beroep deelneemt.

4. Omdat het college naar aanleiding van de aanvankelijke aanvraag van [appellant] op het standpunt stond dat de bouwmuur aan de zijde van het naburige perceel [locatie 4] (hierna: de zijmuur) geen uitwendige scheidingsconstructie in de zin van het Bouwbesluit 2003 is, zodat zij in kalkzandsteen met een dikte van 214 mm moet worden uitgevoerd, heeft [appellant] zijn aanvraag aan het standpunt van het college aangepast. De omgevingsvergunning is op basis van de gewijzigde aanvraag verleend.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de zijmuur geen uitwendige scheidingsconstructie is. Hij voert daartoe aan dat het door hem op te richten gebouw aan de [locatie 1] los staat van het gebouw aan de [locatie 4], zodat de zijmuur een scheiding vormt tussen een voor personen toegankelijke ruimte in de nieuwbouw en de buitenlucht tussen de nieuwbouw en het gebouw aan de [locatie 4]. Gelet hierop behoeft de zijmuur slechts aan de standaardeis voor geluidwering van 20 dB(A) te voldoen waarbij een kalkzandsteendikte van 100 mm volstaat, aldus [appellant].

5.1. Nu de aanvraag voor de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 is ingediend, is ingevolge artikel 9.1 van het Bouwbesluit 2012 het Bouwbesluit 2003 van toepassing.

Ingevolge artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) is een inwendige scheidingsconstructie een constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen toegankelijke besloten ruimten van een gebouw, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschrift.

Ingevolge artikel 1.1 van het Bouwbesluit is een uitwendige scheidingsconstructie een constructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschrift.

5.2. Niet in geschil is dat voor de nieuwbouw een afzonderlijke fundering wordt aangelegd, die niet met de fundering van het pand aan de [locatie 4] is verbonden. Evenmin is in geschil dat volgens de aanvraag de zijmuur niet met de naburige zijmuur van het pand aan de [locatie 4] is verbonden en dat zich tussen de zijmuur en de zijmuur van het pand aan de [locatie 4] een ruimte met een breedte van 60 mm bevindt, die over de gehele diepte van circa 8 m en de voor - en achterzijde open is, maar aan de bovenzijde door het dak is afgedekt.

5.3. De rechtbank heeft onder de gegeven omstandigheden ten onrechte overwogen dat de zijmuur die grenst aan het pand [locatie 4], niet als een uitwendige scheidingsconstructie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit kan worden aangemerkt. Nu volgens de ter zitting beschouwde bouwtekeningen de afstand tussen de zijmuur en het pand [locatie 4], 60 mm bedraagt, grenst de zijmuur aan de buitenlucht als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit. Zij vormt daarom geen inwendige, maar een uitwendige scheidingsconstructie.

De toelichting bij het Bouwbesluit, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat zij slechts enkele voorbeelden opsomt en die opsomming niet uitputtend is bedoeld. Ook het doel van het onderscheid tussen inwendige en uitwendige scheidingsconstructie, te weten een toereikende geluidsisolatie, kan, nu beide zijmuren los van elkaar staan, geen aanleiding zijn de zijmuur van de nieuwbouw als een inwendige scheidingsconstructie aan te merken.

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het college op goede gronden heeft overwogen dat het door [appellant] gewenste bouwplan niet aan de vereisten voldeed die het Bouwbesluit aan de bescherming tegen geluidhinder stelt. Zij heeft niet onderkend dat [appellant] mocht volstaan met een dikte van de zijmuur die voldoet aan de vereisten uit het Bouwbesluit voor uitwendige scheidingsconstructies.

Het betoog slaagt.

6. De voorzitter ziet in het belang bij een spoedige beƫindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen dit gebrek in het besluit van 12 februari 2013, voor zover daarin op het bezwaar van [appellant] is beslist, te herstellen.

Daartoe dient het college opnieuw op dat bezwaar te beslissen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen.

Het college dient [appellant] daarbij in de gelegenheid te stellen de aanvraag door middel van een gewijzigde bouwtekening zodanig aan te passen dat wordt voorzien in een zijmuur die voldoet aan de vereisten met betrekking tot geluidwering in het Bouwbesluit voor uitwendige scheidingsconstructies en daarop te beslissen. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat een zodanige wijziging van de verleende omgevingsvergunning ondergeschikt van aard is.

Het college dient het nieuwe besluit binnen vier weken op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en aan de Afdeling toe te zenden.

7. In de einduitspraak zal over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht worden beslist.

8. Nu de voorzitter met toepassing van artikel 8:86 van de Awb naar aanleiding van het nieuw te nemen besluit op korte termijn einduitspraak zal doen, bestaat aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt het college op om het besluit van 12 februari 2013, kenmerk 2012-262 / 2012-263, te herstellen met inachtneming van hetgeen onder 5.3 en 6 is overwogen;

II. bepaalt dat het college het nieuwe besluit binnen vier weken aan de Afdeling toezendt;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Bolleboom

voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

641.