Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201202570/1/V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2011 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202570/1/V1.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2012 in zaak nr. 11/24279 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

het COa.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2011 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 februari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op de aanvraag neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Het COa en de vreemdeling hebben desgevraagd nadere stukken ingediend.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft desgevraagd een stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de weigering om de vreemdeling verstrekkingen te verlenen niet in strijd is met het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde recht op respect voor het privéleven. Het COa voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling aan die bepaling geen recht op verstrekkingen kan ontlenen, nu de Rva 2005 niet op de vreemdeling van toepassing is en hij derhalve geen aanspraak heeft op de verstrekkingen bedoeld in artikel 9 van de Rva 2005.

1.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid kan de staatssecretaris het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge het derde lid kan de staatssecretaris regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid.

De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 3, derde lid, van de Wet COa.

In artikel 3 van de Rva 2005 is bepaald aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen het COa opvang biedt.

Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, stelt het COa aan de in het tweede lid vermelde categorieën asielzoekers gelijk een vreemdeling van wie uitzetting krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) achterwege blijft, een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h, van de Vw 2000, die zich naar het oordeel van de staatssecretaris feitelijk bevindt in dezelfde situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000, alsmede een uitgeprocedeerde asielzoeker met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, die voorafgaand aan de aanvraag om verblijf op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.

1.2. Zoals volgt uit uitspraak van de Afdeling van 22 november 2013 in zaak nr. 201112327/1/V1, kan in een voorkomend geval ingevolge artikel 8 van het EVRM op de Staat een verplichting rusten om een hier te lande verblijvende vreemdeling wegens zijn medische situatie opvang te verlenen. Voorts volgt uit die uitspraak dat de Staat aan die verplichting voldoet door de voorzieningen die het COa biedt ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, van de Rva 2005 en de feitelijke opvang door het COa in geval van een acute medische noodsituatie.

1.3. De vreemdeling heeft het COa verzocht om betaling van buitengewone kosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005. Hij heeft daarbij gewezen op zijn medische problematiek. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling ten tijde van belang niet meer behoorde tot een van de categorieën vreemdelingen bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Rva 2005, hetgeen de vreemdeling in hoger beroep niet bestrijdt. Voorts heeft de vreemdeling niet gesteld dat zich zonder opvang een acute medische noodsituatie zal voordoen. Hij kan derhalve, gelet op het onder 1.2. overwogene, aan artikel 8 van het EVRM geen recht op opvang krachtens de Rva 2005 ontlenen. Nu het recht op verstrekkingen als bedoeld in artikel 9 van de Rva 2005 afhankelijk is van het recht op opvang krachtens de Rva 2005, heeft de rechtbank niet onderkend dat de COa terecht heeft geweigerd om de vreemdeling de gevraagde verstrekkingen te verlenen.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep ongegrond verklaren.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2012 in zaak nr. 11/24279;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

32-747.