Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2578

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201403712/1/V4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:7168, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/275
NJB 2014/1523

Uitspraak

201403712/1/V4.

Datum uitspraak: 1 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 april 2014 in zaak nr. 13/22668 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2014, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat te Groningen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 21 juni 2013 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat Italië op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003 L 050), verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

2. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten aanzien van Italië niet kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat overdracht aan dat land strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daartoe voert hij aan dat er in Italië sprake is van een structurele tekortkoming ten aanzien van de opvang van asielzoekers, de toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers. De vreemdeling heeft dit standpunt ter zitting toegelicht en betoogd dat, hoewel uit de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2014 in zaken nrs. 201309818/1/V4, 201310166/1/V4 en 201310669/1/V4; hierna: de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2014) blijkt dat de in die zaken overgelegde landeninformatie niet tot de conclusie noopte dat ten tijde van belang sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen, dit thans wel het geval is, nu sinds deze uitspraken de Italiaanse autoriteiten hebben aangegeven de recent toegenomen instroom van asielzoekers niet meer aan te kunnen en uit recente rapporten blijkt dat de situatie niet is verbeterd. De vreemdeling verwijst in dit verband naar de volgende stukken:

1. het Amnesty International jaarrapport 2011 over Italië;

2. het World Report van Human Rights Watch van 24 januari 2011;

3. het rapport "Report by Nils Muižnieks - Commissioner for Human Rights of the Council of Europe, following his visit to Italy from 3 to 6 July 2012", van 18 september 2012;

4. het rapport "Gutachten zum Beweisbeschluss des VG Braunschweig vom 28.09.2009" van de vluchtelingenorganisatie Borderline-Europe van december 2012;

5. het rapport "Italien: Aufnahmebedingungen - Aktuelle Situation von Asylsuchenden und Schutzberechtigten, insbesondere Dublin-Rückkehrenden" van de Schweizerische Flüchtlingshilfe, van oktober 2013;

6. een uitspraak van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main van 9 juli 2013 (7K560/11.F.A);

7. een tweetal vragen die de Afdeling aan de staatssecretaris heeft gesteld in zaak nr. 201309818/1/V4;

8. het rapport "2012 Country Reports on Human Rights Practices Italy" van het United States Department of State, van 19 april 2013;

9. het rapport "2013 Country Reports on Human Rights Practices Italy" van het United States Department of State, van 27 februari 2014;

10. het verslag van de lezing van Nils Muižnieks van 4 maart 2014 in Londen, getiteld "Refugee protection, migration and human rights in Europe: notes from the field" en de door hem daarop aansluitend verzonden 'tweet';

11. het nieuwsartikel "Onderdak in het huis van God" uit de Volkskrant van 13 juni 2014;

12. het antwoord van de staatssecretaris van 9 mei 2014 op vragen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak J.A. e.a. tegen Nederland, nr. 21459/14.

2.1 De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem afgelegde verklaringen, bezien in het licht van de door hem ingeroepen stukken, niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, zodat hij kan worden overgedragen aan Italië. Daartoe heeft de staatssecretaris betoogd dat, samengevat weergegeven, in Italië geen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen waar het gaat om opvang voor asielzoekers, toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers. Voorts heeft hij betoogd dat de door de vreemdeling ingeroepen rapporten, voor zover ze relevant en niet gedateerd zijn, reeds zijn beoordeeld in de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2014 en de daarin meegewogen beslissingen van het EHRM, waaruit hij afleidt dat de Afdeling en het EHRM van oordeel zijn dat een vreemdeling die wordt overgedragen aan Italië geen risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Ter zitting heeft de staatssecretaris nader toegelicht dat de recent toegenomen instroom van asielzoekers over de Middellandse Zee niet tot een ander standpunt noopt, mede gelet op de omstandigheid dat andere lidstaten, waaronder Duitsland, Zweden en Denemarken, Dublinoverdrachten aan Italië hebben voortgezet. Ook heeft een ambtelijke delegatie die namens hem een bezoek bracht aan Italië in mei 2014 niet van de Italiaanse autoriteiten vernomen dat de capaciteit aldaar ontbreekt om Dublinclaimanten in de asielprocedure op te nemen of op te vangen, aldus de staatssecretaris. Hoewel de positie van kwetsbare vreemdelingen in dit verband zijn aandacht heeft, leidt dat in deze zaak niet tot een ander standpunt, reeds omdat de vreemdeling, naar hij heeft erkend, niet tot die categorie behoort, aldus de staatssecretaris.

2.2 Hoewel in Italië de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers bepaalde tekortkomingen kennen, biedt het door de vreemdeling aangevoerde, waaronder de onder 2. vermelde rapporten, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de situatie van asielzoekers ten tijde van belang niet wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie in de periode die aan de orde was in de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2014 en de daarin meegewogen recente arresten van het EHRM, en dat zich ook thans geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen voordoen. In het bijzonder biedt de door de staatssecretaris ter zitting gegeven informatie geen grond voor het oordeel dat de situatie voor terugkerende Dublinclaimanten sinds voormelde uitspraken zodanig is verslechterd dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hieruit blijkt slechts dat de Italiaanse autoriteiten als gevolg van de verhoogde instroom over de Middellandse Zee problemen ondervinden bij de registratie van vingerafdrukken van net gearriveerde asielzoekers. Dat dit ook gevolgen heeft voor terugkerende Dublinclaimanten blijkt daaruit niet. Bovendien blijkt dat Dublinoverdrachten zoals in deze zaak aan de orde ook in andere lidstaten niet zijn opgeschort.

Voorts geeft het persoonlijk relaas van de vreemdeling, bezien in het licht van de rapporten, er geen blijk van dat de vreemdeling niet in staat zal worden gesteld om eventuele problemen die hij ondervindt voor te leggen aan de Italiaanse autoriteiten.

Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van de vreemdeling aan Italië een situatie zal ontstaan die met artikel 3 van het EVRM strijdig is en de staatssecretaris om die reden niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit heeft mogen gaan.

De grief faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014

574-796.