Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201403680/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59a
Vreemdelingenwet 2000 106
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/274

Uitspraak

201403680/1/V3

Datum uitspraak: 1 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 april 2014 in zaak nr. 14/8622 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de staatssecretaris en vreemdeling schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hogerberoepschrift in aanvulling op artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Awb, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

2. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd over het niet volstaan met een lichter middel, heeft hij niet als zodanig in eerste aanleg naar voren gebracht. Dat dat voor het eerst in hoger beroep gebeurt, verdraagt zich niet met het bepaalde in voormeld artikel 85. Uit deze bepaling volgt dat de grieven in hoger beroep moeten blijven binnen de toetsing van het bestreden besluit die de rechtbank heeft verricht, dan wel, gelet op de daartegen voor haar aangevoerde beroepsgronden en de door haar te verrichten ambtshalve toetsing, behoorde te verrichten. Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd voldoet derhalve niet aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, zodat in zoverre geen sprake is van een grief.

3. De vreemdeling klaagt verder dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat een overdracht aan de Spaanse autoriteiten niet meer aan de orde was.

3.1. Bij besluit van 8 april 2014 is de vreemdeling krachtens artikel 59a van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, in vreemdelingenbewaring gesteld.

Op 15 april 2014 heeft de staatssecretaris de rechtbank en de vreemdeling schriftelijk bericht dat de beoogde overdracht van de vreemdeling aan de Spaanse autoriteiten is geannuleerd en in verband met de uiterste overdrachtsdatum van 17 april 2014 geen overdracht aan deze autoriteiten meer zal plaatsvinden.

Ter zitting van de rechtbank op 17 april 2014 heeft de staatssecretaris zijn berichtgeving van 15 april 2014 bevestigd en aangegeven zich te beraden omtrent omzetting of opheffing van de bewaring.

3.2. Nu inbewaringstelling krachtens artikel 59a van de Vw 2000 geschiedt met het oog op overdracht aan de verantwoordelijke staat, had de staatssecretaris bij het voortduren van de bewaring rekening behoren te houden met het niet plaatsvinden van de overdracht van de vreemdeling aan de Spaanse autoriteiten. De staatssecretaris heeft na de melding van 15 april 2014 dat een dergelijke overdracht niet zal plaatsvinden, niet te kennen gegeven of deze omstandigheid aanleiding vormt voor een omzetting of opheffing van de bewaring en niet een daartoe strekkend besluit genomen. Evenmin heeft hij omstandigheden aangevoerd waarom hij niet binnen een dag tot een dergelijk standpunt en besluit heeft kunnen komen. Daarom heeft de staatssecretaris na 16 april 2014 gehandeld in strijd met artikel 59a van de Vw 2000 door geen standpunt te bepalen over en besluit te nemen tot omzetting of opheffing van de bewaring. Gelet hierop was de bewaring van de vreemdeling met ingang van 17 april 2014 niet langer rechtmatig, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend. De grief slaagt derhalve.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het voorgaande, het beroep gegrond verklaren. Nu de maatregel van bewaring reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 17 april 2014 tot 21 mei 2014, de dag waarop de maatregel van bewaring is opgeheven.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 april 2014 in zaak nr. 14/8622;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.720,00 (zegge: tweeduizend zevenhonderdtwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.704,50 (zegge: zeventienhonderdvier euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Snijders

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014

279