Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201403332/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Linge’s Zorglandschap" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403332/2/R2.

Datum uitspraak: 1 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], beiden wonend te Rumpt, gemeente Geldermalsen,

2. [verzoeker sub 2], wonend te Rumpt, gemeente Geldermalsen,

en

de raad van de gemeente Geldermalsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Linge’s Zorglandschap" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld.

[verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 juni 2014, waar [verzoekers sub 1], vertegenwoordigd onderscheidenlijk bijgestaan door mr. T. Steenbeek, [verzoeker sub 2], eveneens vertegenwoordigd door mr. T. Steenbeek, en de raad, vertegenwoordigd door drs. F. Schmidt, zijn verschenen. Tevens is de stichting Stichting Linge’s Zorglandgoed, de initiatiefnemer van het voorziene zorglandgoed, vertegenwoordigd door mr. J.H. Hartman, N. van Iperen en C. van den Berg, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in de mogelijkheid een zorglandgoed te realiseren in de nabijheid van de kern Rumpt. Ten behoeve hiervan zijn aan de gronden binnen het plangebied de bestemmingen "Wonen" en "Natuur" toegekend.

3. [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] beogen met hun verzoeken onomkeerbare gevolgen als gevolg van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. Zij voeren aan dat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene zorginstelling, dat in de omgeving al andere zorginstellingen worden gerealiseerd en dat niet is verzekerd dat op het landgoed in de toekomst geen zelfstandige woningen zullen worden gerealiseerd. In dit verband betogen zij tevens dat niet wordt voldaan aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro).

3.1. De raad en de initiatiefnemer hebben ter zitting toegelicht dat in de gemeente Geldermalsen en in de regio een tekort bestaat aan zorgplaatsen voor psychogeriatrische patiënten en dat in de toekomst een groei van het aantal potentiële zorgvragers wordt verwacht. De andere zorginstellingen waarnaar Steen, Van de Water en [verzoeker sub 2] verwijzen zijn volgens de raad niet vergelijkbaar. [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben het voorgaande niet bestreden. Voor het oordeel dat onvoldoende behoefte bestaat aan de voorziene zorginstelling ziet de voorzitter dan ook geen aanleiding. Voorts hebben [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6 van het Bro.

Voor zover [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] vrezen dat in de toekomst reguliere woningen zullen worden gerealiseerd op het landgoed, wordt overwogen dat het voorliggende plan niet in die mogelijkheid voorziet.

4. Voor zover [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] vrezen voor aantasting van hun woongenot ten gevolge van de vermindering van hun uitzicht en privacy ten gevolge van de realisering van de voorziene zorginstelling, wordt het volgende overwogen.

Naar het oordeel van de voorzitter is niet uitgesloten dat zich enige aantasting zal voordoen van het uitzicht en de privacy van [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2]. De voorzitter ziet echter geen grond voor de verwachting dat sprake zal zijn van een onevenredige aantasting daarvan.

5. [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen verder dat de gemeentelijke Nota Land Goed voor Landschap (hierna: de Landgoednota) aan de in het plan voorziene ontwikkelingen in de weg staat. Hiertoe voeren zij aan dat het plan voor de zorginstelling ten onrechte voorziet in een woonbestemming, terwijl daaraan gelet op het beoogde gebruik eigenlijk een maatschappelijke bestemming had moeten worden toegekend. Laatstgenoemde bestemming is volgens hen niet in overeenstemming met de Landgoednota. Verder voeren zij aan dat het plan ten onrechte voorziet in een bedrijfsactiviteit als hoofdactiviteit op het landgoed. Ook betogen zij dat het plan voorziet in te veel wooneenheden, die bovendien over twee gebouwen zijn verdeeld.

5.1. De Landgoednota bevat de uitgangspunten voor de ontwikkeling van landgoederen in de gemeente Geldermalsen. Volgens de Landgoednota moet een minimum hoeveelheid nieuwe natuur worden gecreëerd om de bouw van wooneenheden toe te kunnen staan. Voor dit landgoed wordt meer dan 16,5 hectare nieuwe natuur gerealiseerd, waardoor op grond van de Landgoednota de bouw van maximaal zes wooneenheden kan worden toegestaan.

5.2. De gebruikers van de beoogde voorziening zijn psychogeriatrische patiënten die permanent op het landgoed wonen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde voorziening niet passend is binnen een woonbestemming. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de zorgverlening als bedrijfsactiviteit moet worden aangemerkt, nu onweersproken door de raad is gesteld dat onder bedrijfsactiviteiten in de zin van de Landgoednota met name bedrijven aan huis moeten worden verstaan.

Zoals hiervoor is overwogen, kunnen volgens de Landgoednota maximaal zes wooneenheden worden gerealiseerd op het nieuwe landgoed. Weliswaar zullen er meer dan zes patiënten verblijven, maar ter zitting heeft de initiatiefnemer toegelicht dat de patiënten verspreid zullen wonen over drie vleugels. Elk van deze vleugels kan volgens de raad als wooneenheid worden aangemerkt, waarbinnen tien patiënten kunnen wonen. Daarnaast zal op het landgoed nog een beheerderswoning worden gerealiseerd, die ook als een wooneenheid kan worden aangemerkt. Voorts wordt in de Landgoednota de mogelijkheid geboden om bij deze omvang van de bebouwing de wooneenheden gedeeltelijk in een tweede gebouw te voorzien. Gelet op het voorgaande en op hetgeen is aangevoerd ziet de voorzitter dan ook vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de Landgoednota aan het plan in de weg staat.

6. Voorts stelt [verzoeker sub 2] dat onvoldoende rekening is gehouden met het nationale landschap de Nieuwe Hollandse Waterlinie (hierna: de Waterlinie). Hiertoe voert hij aan dat de Waterlinie zal worden aangetast door de realisering van bebouwing in het plangebied.

6.1. Ter zitting is door de raad toegelicht dat binnen de Waterlinie verschillende gebieden bestaan. In de laaggelegen komgebieden wordt in beginsel geen bebouwing toegelaten, terwijl op de oeverwallen verdichting van de bestaande bebouwing kan worden toegestaan. De raad heeft toegelicht dat de bebouwing in het plangebied op een oeverwal is gelegen en aansluit bij de bebouwing van het nabijgelegen Rumpt en Rhenoy. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met het nationale landschap.

7. Ten aanzien van het betoog van [verzoekers sub 1] dat het verhaal van kosten op de initiatiefnemer niet voldoende is verzekerd, wordt overwogen dat tussen het gemeentebestuur en de initiatiefnemer overeenkomsten zijn gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. In hetgeen [verzoekers sub 1] hebben aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het verhaal van kosten hiermee onvoldoende is verzekerd.

8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Gelet hierop dienen de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening dienen te worden afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014

545-726.