Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2568

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201401431/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201302654/1/A1, heeft de Afdeling het hoger beroep van [belanghebbende A] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende A]) gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 6 februari 2013 in zaken nrs. 12/760 en 12/761 vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 25 juni 2012 over de bij besluit van 16 januari 2012 verleende bouwvergunning voor de bedrijfswoning ongegrond is verklaard. Tevens heeft zij het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van Wierden van 25 juni 2012 vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de bij besluit van 16 januari 2012 verleende bouwvergunning voor de bedrijfswoning. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401431/1/A1.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

het college van burgemeester en wethouders van Wierden,

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, in zaak nr. 201302654/1/A1.

Procesverloop

Bij uitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201302654/1/A1, heeft de Afdeling het hoger beroep van [belanghebbende A] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende A]) gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 6 februari 2013 in zaken nrs. 12/760 en 12/761 vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 25 juni 2012 over de bij besluit van 16 januari 2012 verleende bouwvergunning voor de bedrijfswoning ongegrond is verklaard. Tevens heeft zij het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van Wierden van 25 juni 2012 vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de bij besluit van 16 januari 2012 verleende bouwvergunning voor de bedrijfswoning. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Het college heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 mei 2014, waar het college, vertegenwoordigd door L. Pak en G.J. Grievink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts verschenen daar [belanghebbende B] en [belanghebbende C].

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 16 januari 2012 heeft het college aan [belanghebbende B] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te Enter (hierna: het perceel).

In de uitspraak, waarvan herziening wordt verzocht, heeft de Afdeling onder meer overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in de bouwtekening van 9 juli 2013 opgenomen wijziging van het bouwplan, voor zover deze betrekking heeft op de bedrijfswoning, aangemerkt kan worden als een wijziging van ondergeschikte aard ten opzichte van het bouwplan waarvoor bij besluit van 16 januari 2012 bouwvergunning is verleend, zodat daarvoor geen nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning vereist is. Tevens heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen, dat het betoog van [belanghebbende A] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het gedeelte van de bedrijfswoning dat een hoogte heeft van 7,4 m ten onrechte aanmerkt als een bijgebouw als bedoeld in artikel 1.17 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009, partiële herziening Goorseweg ong. - Eversdijk 16 in Enter", terecht is voorgedragen. Daartoe is overwogen dat het bouwplan voorziet in een bedrijfswoning, waarvan het deel dat door het college is aangemerkt als bijgebouw wat betreft de vorm niet te onderscheiden is van het hogere gedeelte en in architectonisch opzicht daaraan niet ondergeschikt is. Aldus wordt niet voldaan aan de omschrijving van het begrip bijgebouw in artikel 1.17 van de planregels, aldus de Afdeling. Hierbij is onder meer de bouwtekening van 9 juli 2013 in aanmerking genomen, waarop het door het college als bijgebouw aangemerkte gedeelte van het bouwplan op de begane grond een breedte heeft van 7,30 m en een lengte van 11,25 m en het als hoofdgebouw aangemerkte gedeelte een breedte heeft van 8,75 m en een lengte van 12,00 m.

3. Het college betoogt in zijn verzoekschrift dat de Afdeling met de hiervoor onder 2 opgenomen motivering op onjuiste, dan wel onduidelijke gronden tot het oordeel is gekomen dat het gedeelte van de bedrijfswoning dat een hoogte heeft van 7,4 m, niet als bijgebouw dient te worden aangemerkt. Daartoe voert het aan dat dit gedeelte aan alle bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan voldoet en verwijst het naar het door hem overgelegde aanvullende advies van de welstandscommissie van 4 februari 2014. Bovendien is het architectonisch onderscheid op de zitting niet aan de orde gekomen, noch is dit aangevoerd door [belanghebbende A], aldus het college. Verder voert het aan dat de Afdeling bij haar oordeel ten onrechte de bouwtekening van 9 juli 2013 heeft betrokken, nu het voor de bouwtekening van 25 mei 2010 bouwvergunning heeft verleend.

3.1. Aldus heeft het college in zijn verzoekschrift vermeld, dat en waarom hij het niet eens is met de uitspraak. Het bijzondere rechtsmiddel herziening dient er evenwel niet toe om een geschil, waarin is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen. Het door het college in dit verband overgelegde welstandsadvies van 7 februari 2014, kan reeds niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, nu niet valt in te zien dat het college dit niet eerder had kunnen laten opstellen en overleggen.

Voor zover het college aanvoert dat de Afdeling in de uitspraak, waarvan herziening wordt verzocht, ten onrechte van de bouwtekening van 9 juli 2013 is uitgegaan, wordt overwogen dat het college deze bouwtekening als ondergeschikte wijziging heeft aangemerkt en als zodanig als onderdeel van de op 16 januari 2012 verleende bouwvergunning met kenmerkt BWT10245 heeft gewaarmerkt. De Afdeling heeft in de uitspraak, waarvan om herziening wordt verzocht, overwogen dat het college dit, voor zover het de bedrijfswoning betreft, terecht heeft gedaan en was derhalve, daargelaten wat zou zijn als dit niet zo was, gehouden de gewijzigde situatie bij haar oordeel te betrekken.

4. Gelet op het vorenstaande heeft het college geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb naar voren gebracht. Gelet hierop dient het verzoek te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

414-713.