Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201400826/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2013 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:8
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vreemdelingenwet 2000 68
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 6.5a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/279

Uitspraak

201400826/1/V1.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2013 in zaak nr. 13/14210 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2013 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit, voor zover dat het inreisverbod betreft, vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In grieven 1 en 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft uitgevaardigd. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank heeft miskend dat hij, nu de vreemdeling is veroordeeld naar aanleiding van geweldsdelicten, overeenkomstig artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft uitgevaardigd en dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding geven van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten.

Verder betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij bij het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaren aan een verzwaarde motiveringsplicht moet voldoen. Dit volgt volgens de staatssecretaris niet uit artikel 11, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn).

1.1. Uit de uitspraken van de Afdeling van 15 juni 2012 in zaken nrs. 201201202/1/V4 en 201202257/1/V3 volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de benadering van de staatssecretaris, waarin hij in het geval dat zich de omstandigheid als bedoeld in het vijfde lid van artikel 6.5a van het Vb 2000 voordoet - behoudens het geval dat zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen - een inreisverbod voor tien jaren oplegt in strijd is met de tekst of strekking van de Terugkeerrichtlijn.

Dit laat onverlet dat, zoals in deze uitspraken is overwogen, uit artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, voortvloeit dat de staatssecretaris de desbetreffende vreemdeling in de gelegenheid moet stellen om individuele omstandigheden aan te voeren, in verband waarmee volgens die vreemdeling aanleiding zou bestaan voor een verkorting van de duur van het inreisverbod. Indien een vreemdeling zodanige omstandigheden heeft aangevoerd, zal de staatssecretaris, indien hij daarin geen aanleiding ziet om de duur van het inreisverbod verder te verkorten, ingevolge artikel 3:46 van de Awb dit standpunt dienen te motiveren.

1.2. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de individuele omstandigheden die de vreemdeling heeft aangevoerd onvoldoende bijzonder en zwaarwegend zijn en dat hij daarom niet ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft uitgevaardigd. De staatssecretaris heeft zich in dit kader niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de vreemdeling een positieve gedragsverandering in de maatschappij heeft laten zien, niet kan afdoen aan de ernst van de door hem gepleegde geweldsmisdrijven - te weten diefstallen, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van of door geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, in vereniging gepleegd en afpersing in vereniging gepleegd, waarvoor hij op 20 november 2007 tot een gevangenisstraf van zes jaren is veroordeeld - en het feit dat de vreemdeling in weerwil van zijn ongewenstverklaring zijn verblijf hier heeft gecontinueerd.

Uit artikel 6.5a van het Vb 2000, dat strekt ter implementatie van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, volgt voorts dat de staatssecretaris een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaren kan uitvaardigen indien een vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Gelet op de ernst van de gepleegde misdrijven, de zwaarte van de daarvoor opgelegde straf en het relatief korte tijdsverloop sindsdien, behoefde de staatssecretaris niet nader te motiveren dat de vreemdeling een dergelijke ernstige bedreiging vormt.

Grieven 1 en 2 slagen.

2. De staatssecretaris klaagt in grief 3 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van tien jaren niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De staatssecretaris betoogt dat hij rekening heeft gehouden met de omstandigheden die de vreemdeling heeft aangevoerd en niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat de belangenafweging, gelet op voormelde geweldsmisdrijven, in het nadeel van de vreemdeling uitvalt.

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel de vreemdeling nog geen eigen gezin heeft gesticht, de staatssecretaris niet ten onrechte minder gewicht heeft toegekend aan de binding van de vreemdeling met zijn ouders, omdat hij een volwassen man van ruim 25 jaren is. De staatssecretaris heeft zich volgens de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling moet worden geacht zich in Marokko staande te kunnen houden. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris echter niet deugdelijk gemotiveerd dat de misdrijven die de vreemdeling heeft gepleegd een inreisverbod voor de duur van tien jaren - gedurende welke tijd de vreemdeling zijn familie in Nederland niet kan bezoeken - rechtvaardigen. De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat de strafrechter de vreemdeling tot een zware straf heeft veroordeeld voor het in relatief korte tijd plegen van voormelde geweldsmisdrijven. Daar staat volgens de rechtbank evenwel tegenover dat de vreemdeling slechts eenmaal is veroordeeld en dat uit het door hem overgelegde rapport van een forensisch maatschappelijk werker van 4 juli 2011 kan worden afgeleid dat het een kortdurende misstap lijkt te zijn, hij meer volwassen is geworden, minder beïnvloedbaar is en dat de recidivekans sterk is afgenomen. Daarnaast heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling totdat de staatssecretaris bij besluit van 13 mei 2009 zijn verblijfsvergunning heeft ingetrokken en hem ongewenst heeft verklaard, altijd rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.

2.2. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de zwaarte van de misdrijven niet opweegt tegen de feiten en omstandigheden die de vreemdeling heeft aangevoerd. In dit kader heeft de staatssecretaris niet ten onrechte zwaar laten wegen dat de strafrechter de vreemdeling in 2007 tot een gevangenisstraf van zes jaren heeft veroordeeld voor het plegen van voormelde geweldsmisdrijven. De staatssecretaris heeft daarbij betrokken dat de vreemdeling deze misdrijven rond de leeftijd van 19 jaren heeft gepleegd en niet eerder is veroordeeld, maar dat de strafrechter hem niettemin tot een langdurige gevangenisstraf heeft veroordeeld. Hoewel de vreemdeling van 29 november 1999 tot 13 mei 2009 op grond van een verblijfsvergunning rechtmatig in Nederland heeft verbleven, heeft de staatssecretaris hem niet ten onrechte aangerekend dat hij daarna, in weerwil van zijn ongewenstverklaring, zijn verblijf hier heeft gecontinueerd. Verder heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling meegewogen dat geen objectieve belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven met zijn ouders in Marokko uit te oefenen en dat zij hem, als zij zich daar niet willen vestigen, kunnen bezoeken. Nu de rechtbank de staatssecretaris, gelet op rechtsoverweging 2.1, heeft gevolgd in zijn standpunt dat minder gewicht toekomt aan de binding met zijn ouders en dat de vreemdeling moet worden geacht zich in Marokko staande te kunnen houden, heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het recht op familie- en gezinsleven niet in de weg staat aan het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van tien jaren.

Grief 3 slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 14 mei 2013 alsnog ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2013 in zaak nr. 13/14210;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

488-760.