Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201310931/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2013 heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vreemdelingenwet 2000 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/278

Uitspraak

201310931/1/V1.

Datum uitspraak: 2 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2013 in zaak nr. 13/1622 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2013 heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Anders dan de vreemdeling in het verweerschrift betoogt, heeft de staatssecretaris belang bij beoordeling van het hoger beroep. Voor zover de vreemdeling in dat kader stelt dat hij thans een verblijfsrecht in België heeft, heeft hij dat immers niet gestaafd.

3. In punt 9 van de considerans van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) staat dat overeenkomstig de Procedurerichtlijn een onderdaan van een derde land die in een lidstaat asiel heeft aangevraagd niet mag worden beschouwd als iemand die illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijft, totdat het afwijzende besluit inzake het verzoek respectievelijk het besluit waarbij het verblijfsrecht van de betrokkene wordt beëindigd, in werking is getreden.

Volgens artikel 3, aanhef en onder 2, wordt voor de toepassing van de richtlijn onder "illegaal verblijf" verstaan: de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in die lidstaat.

Volgens dat artikel, aanhef en onder 4, wordt voor de toepassing van de richtlijn onder "terugkeerbesluit" verstaan: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

Volgens artikel 6, eerste lid, vaardigen de lidstaten, onverminderd de in de leden twee tot en met vijf vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.

Volgens het vierde lid kunnen de lidstaten te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege moet blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

Ingevolge artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 kan een vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt, in afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, geen rechtmatig verblijf hebben, ingeval deze vreemdeling:

a. bij onherroepelijk geworden rechtelijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

c. naar het oordeel van de staatssecretaris een ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid, dan wel

d. ingevolge een verdrag of in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ieder verblijf dient te worden ontzegd.

Ingevolge artikel 67, derde lid, kan een ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000 geen rechtmatig verblijf hebben.

4. Bij besluit van 4 april 2007 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem ongewenst verklaard en hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten.

Op 13 juli 2009 heeft de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) een interim measure getroffen ter voorkoming van uitzetting van de vreemdeling naar Afghanistan.

Bij besluit van 24 april 2012 heeft de staatssecretaris de ongewenstverklaring van de vreemdeling opgeheven.

5. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2012 in zaak nr. 201102602/1/V2, heeft overwogen dat geen terugkeerbesluit ten grondslag ligt aan het inreisverbod van 7 januari 2013, nu de getroffen interim measure ten tijde van de opheffing van de ongewenstverklaring nog van kracht was, zodat de vreemdeling vanaf dat moment rechtmatig verblijf had in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. De staatssecretaris betoogt dat dit rechtmatig verblijf het als terugkeerbesluit geldende besluit van 4 april 2007 heeft opgeschort.

6. Nu de staatssecretaris niet gelijktijdig met de opheffing van de ongewenstverklaring tegen de vreemdeling een inreisverbod met de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 bedoelde rechtsgevolgen heeft uitgevaardigd, heeft de interim measure tot gevolg dat de vreemdeling na de opheffing van de ongewenstverklaring rechtmatig verblijf heeft gekregen in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2004 in zaak nr. 200400863/1). In zoverre verschilt deze zaak van de zaak waar de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014 in zaak nr. 201307320/1/V2 op ziet.

7. De rechtbank heeft niet onderkend dat rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 als een andere vorm van toestemming tot verblijf in de zin van voormeld artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn moet worden aangemerkt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012 in zaak nr. 201206551/1/V3). De staatssecretaris betoogt derhalve terecht dat het als terugkeerbesluit geldende besluit van 4 april 2007 door dit rechtmatig verblijf niet is komen te vervallen, maar voor de duur van dit rechtmatig verblijf is opgeschort.

Deze zaak verschilt in zoverre van de zaak waarop voormelde uitspraak van de Afdeling van 12 april 2012 ziet. Anders dan in deze zaak, had de vreemdeling in die zaak wegens het indienen van een asielaanvraag rechtmatig verblijf gekregen in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Die vorm van rechtmatig verblijf heeft, mede gelet op punt 9 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn, een bijzonder karakter (vergelijk rechtsoverweging 2.5.2.1 van de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102760/1/V3). In tegenstelling tot onder meer het rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, heeft dat rechtmatig verblijf daarom tot gevolg dat het terugkeerbesluit komt te vervallen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris geen terugkeerbesluit aan het besluit van 7 januari 2013 ten grondslag heeft gelegd.

De grief slaagt.

8. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 7 januari 2013 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

9. Voor zover de vreemdeling betoogt dat de Terugkeerrichtlijn niet op hem van toepassing is en de staatssecretaris daarom ten onrechte tegen hem een inreisverbod heeft uitgevaardigd, kan hij daarin niet worden gevolgd. Uit hetgeen hiervoor in 7 is overwogen, volgt immers dat de Terugkeerrichtlijn ondanks het rechtmatig verblijf van de vreemdeling op hem van toepassing is.

De beroepsgrond faalt.

10. Wat betreft het beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) wordt overwogen dat de staatssecretaris zich in het besluit van 4 april 2007, voor zover de vreemdeling daarbij ongewenst is verklaard, en het besluit tot handhaving daarvan van 14 april 2008 op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens zijn communistische verleden een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in dat artikel. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in deze procedure geen gewijzigde omstandigheden over zijn asielrelaas heeft aangevoerd. Voor zover de vreemdeling, onder verwijzing naar het Annual Report 2011 van de UN Assistance Mission in Afghanistan van februari 2012, betoogt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan zodanig is verslechterd dat zich daar thans de situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming biedt, wordt overwogen dat het EHRM in het arrest van 9 april 2013, H. en B. tegen het Verenigd Koninkrijk, nrs. 70073/10 en 44539/11, paragraaf 93, (www.echr.coe.int) heeft overwogen dat die situatie zich thans niet voordoet in Afghanistan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 in zaak nr. 201111523/1/V2). Nu voormeld rapport blijkens paragraaf 49 in dat arrest is betrokken, faalt het betoog van de vreemdeling.

De beroepsgrond faalt.

11. Wat het beroep op artikel 8 van het EVRM betreft heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 7 januari 2013 terecht op het standpunt gesteld dat de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, in de uitspraak van 6 oktober 2008 in zaak nr. 08/16615, heeft overwogen dat, gelet op de aard en de ernst van de misdrijven waarmee de vreemdeling wegens zijn werkzaamheden voor het repressieve bewind van de Democratische Volkspartij van Afghanistan in verband wordt gebracht, hij niet ten onrechte meer gewicht heeft toegekend aan het algemeen belang dan aan het individuele belang van de vreemdeling in Nederland familie- en gezinsleven uit te oefenen met zijn echtgenote en meerderjarige kinderen. Deze uitspraak heeft de Afdeling bij uitspraak van 17 maart 2009 in zaak nr. 200808018/1/V2 bevestigd. Voor zover de vreemdeling als gewijzigde omstandigheden heeft aangevoerd dat twee van zijn zonen, onder meer wegens gokproblemen, thuis zouden hebben gewoond of nog steeds wonen, hij veel contact zou hebben met één van zijn dochters die in Nederland woonachtig is en een andere dochter speciaal vanuit Genève naar Nederland zou zijn gekomen om hem bij te staan bij het gehoor, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat hij hiermee niet aannemelijk gemaakt dat tussen hem en zijn meerderjarige kinderen "more than the normal emotional ties" bestaan.

De beroepsgrond faalt.

12. Gelet op hetgeen hiervoor in 10 en 11 is overwogen, faalt het in het kader van het beroep op artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn door de vreemdeling naar voren gebrachte betoog dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn familie- en gezinsleven en het beginsel van non-refoulement niet heeft geëerbiedigd.

De beroepsgrond faalt.

13. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris, nu deze hem eerder wegens de tegenwerping van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag) ongewenst heeft verklaard, ten onrechte wegens deze omstandigheid tegen hem een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Dit betoog faalt, reeds omdat de staatssecretaris de ongewenstverklaring wegens de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn bij besluit van 24 april 2012 heeft opgeheven en in plaats daarvan in het besluit van 17 januari 2013 een inreisverbod tegen de vreemdeling heeft uitgevaardigd.

De beroepsgrond faalt.

14. Anders dan de vreemdeling in beroep betoogt, heeft de staatssecretaris zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat hij, nu hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Nu de vreemdeling verder geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte tegen de vreemdeling een inreisverbod voor de duur van tien jaren uitgevaardigd.

De beroepsgrond faalt.

15. Reeds omdat geen bezwaarprocedure is gevolgd, kan de vreemdeling niet worden gevolgd in zijn betoog dat de staatssecretaris ten onrechte niet de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bedoelde kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, heeft vergoed.

De beroepsgrond faalt.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2013 in zaak nr. 13/1622;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Robben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014

154-760.