Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201311121/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311121/1/V1.

Datum uitspraak: 30 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2013 in zaak nr. 13/18216 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen de staatssecretaris als grief 1 aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de nota van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 13 juni 2013 (hierna: de BMA-nota), gelet op de brieven van de behandelaar van de vreemdeling van 28 augustus 2012 en 16 april 2013, niet inzichtelijk is nu het BMA daarin niet heeft toegelicht waarom ondanks de door de behandelaar gestelde concrete suïcidedreiging geen medische noodsituatie zal ontstaan bij het uitblijven van de behandeling en nu feiten uit het verleden niet altijd en onder alle omstandigheden beslissend hoeven te zijn voor het bestaan van suïcidedreiging ten tijde van belang, zodat geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2013 in stand te laten.

De staatssecretaris voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voormelde brieven bij de totstandkoming van de BMA-nota zijn betrokken en dat de omstandigheid dat tussen de behandelaar en het BMA verschil van inzicht bestaat op zichzelf niet betekent dat de BMA-nota niet inzichtelijk is.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 16 augustus 2013 in zaak nr. 201210703/1/V4) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Voorts strekt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1), indien en voor zover de minister BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de BMA-adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

2.2. In de brief van 28 augustus 2012 is vermeld dat uitblijven van de behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie, tot ernstige geestelijke en/of lichamelijke schade binnen drie maanden met mogelijk invaliditeit en/of overlijden door tentamen suïcidi. De termijn zal zeer kort zijn, het is eerder een kwestie van uren tot een paar dagen, aldus de behandelaar. De behandelaar vermeldt sterk bevreesd te zijn voor acute psychische decompensatie met extreme angstgevoelens en mogelijk psychotische doorbraak met eventuele tentamen suïcidi.

In de brief van 16 april 2013 is vermeld dat de toename van de psychische druk dermate is dat de vreemdeling eraan dreigt onderdoor te gaan. Er is acuut gevaar voor suïcide binnen 48 uur na gedwongen vertrek, aldus de behandelaar.

Bij het opstellen van de BMA-nota is gebruik gemaakt van de brieven van 28 augustus 2012 en 16 april 2013. In de BMA-nota is vermeld dat uit de verkregen medische informatie niet blijkt dat in het verleden sprake is geweest van psychotische klachten, gedwongen opname, crisisinterventie of suïcidaliteit, zodat, in dit geval, zonder behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. Hierbij merkt het BMA op dat sprake lijkt te zijn van het niet gebruiken van medicatie, zodat van behandeling nog nauwelijks gesproken kan worden.

2.3. De behandelaars en het BMA zijn bij het beoordelen van de medische situatie van de vreemdeling van dezelfde medische gegevens uitgegaan. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 16 augustus 2013 in zaak nr. 201210703/1/V4) volgt dat een verschil van inzicht tussen de behandelaar en het BMA over de uit die gegevens te trekken conclusie op zichzelf niet betekent dat het door het BMA verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het BMA ten onrechte bij zijn beoordeling heeft betrokken dat uit de verkregen medische informatie niet blijkt dat in het verleden sprake is geweest van psychotische klachten, gedwongen opname, crisisinterventie of suïcidaliteit. Nu het BMA in antwoord op de vraag of een medische noodsituatie op korte termijn dreigt, gemotiveerd heeft geconcludeerd dat dit niet het geval is, bestaat geen grond voor het oordeel dat de conclusie in de BMA-nota dat uitblijven van de behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie niet inzichtelijk is, zodat de staatssecretaris deze, bij gebreke van een contra-expertise, aan zijn standpunt ten grondslag mocht leggen. De door de vreemdeling ingeroepen beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 19 december 2013 in zaak nr. C2013/082 (www.overheid.nl) kan hieraan niet afdoen, aangezien - anders dan in die beslissing - in de voorliggende zaak de weergave van de medische klachten in de BMA-nota en het BMA-advies overeenkomstig de brieven van de behandelaars is en de conclusie dat geen medische noodsituatie zal ontstaan is toegelicht aan de hand van het dossierverleden van de vreemdeling.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande niet onderkend dat in zoverre geen beletsel bestaat om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 11 juli 2013 in stand te laten.

3. De overige niet door de rechtbank besproken beroepsgronden leiden gelet op het volgende niet tot vernietiging van het besluit van 11 juli 2013, zodat hierin evenmin een beletsel bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2013 in stand te laten.

3.1. De vreemdeling voert in beroep aan dat, nu in de BMA-nota is vermeld dat zij, gelet op de suïcidaliteit in relatie tot terugkeer, tijdens de reis dient te worden begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige, niet inzichtelijk is dat geen medische noodsituatie op korte termijn zal optreden.

3.1.1. Dat in de BMA-nota is vermeld dat de vreemdeling tijdens de reis door een psychiatrisch verpleegkundige moet worden begeleid, biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat niet inzichtelijk is dat daarin bij uitblijven van de behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie wordt verwacht. De door het BMA gestelde reisvereisten hebben immers alleen tot doel de directe weerslag die de reis uit medisch oogpunt op de vreemdeling heeft of kan hebben, op te vangen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2010 in zaak nr. 201000132/1/V1).

De beroepsgrond faalt.

3.2. Het betoog van de vreemdeling in beroep over de effectiviteit van de behandeling in Georgië, faalt reeds omdat zij, gelet op het in 2.3 en 3.1.1 overwogene, niet aannemelijk heeft gemaakt dat behandeling nodig is ter voorkoming van een medische noodsituatie.

4. De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2013 in stand worden gelaten en voorts voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van voormeld besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand blijven.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2013 in zaak nr. 13/18216, voor zover de rechtbank daarbij:

- niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 11 juli 2013 in stand blijven;

- de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2013 geheel in stand blijven;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2014

154-787.