Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2543

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201310339/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:7176, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het fonds) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310339/1/A2.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vlissingen,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 september 2013 in zaak nr. 13/3021 in het geding tussen:

[appellant]

en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het fonds) afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2013 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 18 september 2012 herroepen en de aanvraag opnieuw afgewezen.

Bij mondelinge uitspraak van 18 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De CSG heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. H.K.M. Timmermans, werkzaam bij de CSG, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: Wsg) kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

Ingevolge artikel 5 kan een uitkering achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer is toe te rekenen.

Ter nadere invulling van haar in de Wsg neergelegde bevoegdheid hanteert de CSG beleid, dat is neergelegd in de zogeheten Beleidsbundel.

Volgens paragraaf 1.5 van de Beleidsbundel, voor zover hier van belang, kan een uitkering achterwege blijven of op een lager bedrag worden vastgesteld, als de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer is toe te rekenen. Bij de bepaling of er sprake is van een eigen aandeel van het slachtoffer zal de vraag beantwoord moeten worden of het slachtoffer het geweldsmisdrijf had kunnen en moeten voorkomen. Bekeken wordt of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon en moest verwachten. In het geval dat het slachtoffer zich in het criminele circuit bevindt (drugshandel en wapenhandel) zal de aanvraag worden afgewezen.

2. Op 13 augustus 2012 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven op de grond dat hij slachtoffer is geworden van een ontvoering waarbij hij is mishandeld.

3. Bij het besluit van 18 september 2012 heeft de CSG de aanvraag van [appellant] afgewezen, omdat deze te laat was ingediend.

Bij het besluit van 5 april 2013 is de CSG hierop teruggekomen. Zij heeft de aanvraag evenwel alsnog op inhoudelijke gronden afgewezen. Aan de afwijzing heeft de CSG ten grondslag gelegd dat [appellant] zich bewust in een crimineel milieu heeft begeven waarin het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Daarbij komt volgens de CSG dat de aanleiding voor het tegen [appellant] gepleegde geweldsmisdrijf is dat hij heeft besloten zijn opdrachtgever te bestelen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de CSG de aanvraag terecht heeft afgewezen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de CSG zich op de door hem bij de politie afgelegde verklaring mocht baseren, nu hij deze verklaring onder druk heeft afgelegd. [appellant] was bang dat de van de ontvoering en mishandeling verdachte personen en zijn oude vriend [naam vriend] inzage zouden krijgen in het procesdossier en vreesde voor represailles. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij dit niet eerst op zitting, maar ook al in zijn beroepschrift aangevoerd. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek een deel van de door hem verzochte uitkering toe te kennen. Voor zover hij al kon weten dat hij zich in een crimineel milieu begaf, was voor hem niet te voorzien dat hij zou worden ontvoerd en mishandeld, aldus [appellant].

4.1. Niet in geschil is dat [appellant] slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg. Ter beoordeling staat of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de CSG een uitkering aan [appellant] op grond van artikel 5 van de Wsg en paragraaf 1.5 van de Beleidsbundel achterwege kon laten, omdat de hem toegebrachte schade mede het gevolg is van de omstandigheid dat hij zich heeft begeven in het criminele circuit, waarin het gebruik van geweld niet wordt geschuwd.

4.2. [appellant] heeft in het proces-verbaal van aangifte van 24 mei 2002, samengevat weergegeven, het volgende verklaard. Via stichting Exodus kreeg [appellant] de woning aan de [locatie] te Den Haag (hierna: de woning) toegewezen. Het leek hem makkelijk om geld te verdienen door een kamer in de woning onder te verhuren. Via een meisje waarvan hij de naam niet kent, kon [appellant] de kamer onderverhuren aan haar zus, [naam zus]. Op enig moment trof [appellant] bij thuiskomst twee mannen aan in de woning. Eén van de twee is een broer van [naam zus], die wel [naam broer] wordt genoemd. De andere man stelde zich niet voor. [naam broer] droeg een schouderholster met daarin een pistool met een geluiddemper. [naam broer] gaf te kennen dat men het niet kon horen als hij met dit pistool schoot. Enige tijd later, op 15 mei 2002, vroeg [naam broer] aan [appellant] en zijn vriend [naam vriend] of zij goud voor hem wilden verkopen. Hij wilde hiervoor € 6.000,00 hebben. Ingeval [appellant] en [naam vriend] een hoger bedrag zouden ontvangen, mochten zij het meerdere houden. [appellant] en [naam vriend] waren geïnteresseerd, maar wilden het goud eerst zien. [appellant] sprak hierop samen met [naam vriend] en [naam broer] met een onbekende Russische man af op Den Haag Centraal. Nadat [appellant] de inhoud van de tas had gezien, gaven hij en [naam vriend] te kennen het goud te willen verkopen. [appellant] en [naam vriend] verkochten het goud vervolgens in Amsterdam voor € 2.000,00. [appellant] en [naam vriend] hebben dit bedrag verdeeld. [appellant] bedacht [naam broer] te vertellen dat [naam vriend] en hij in Amsterdam waren geript. [naam broer] en de Russische man wilden dit evenwel niet geloven en waren boos. Op 22 mei 2002 trof [appellant] bij thuiskomst [naam broer] aan in de woning. Toen hij onder de douche stond hoorde hij dat de deurbel ging. Later zag hij dat [naam broer] drie Russische mannen had binnengelaten. [naam broer] sprak met [appellant] onder meer over de problemen met het geld. [appellant] werd vastgebonden, bedreigd, mishandeld en, met een afgeplakte zonnebril op zijn hoofd, in een kofferbak naar een andere locatie gebracht. Vervolgens werd hij een dag vastgehouden in een kelderbox en werd hij opnieuw bedreigd en mishandeld. Uiteindelijk is [appellant] met een afgeplakte zonnebril op naar een auto gebracht en onderweg uit de auto gegooid.

4.3. De rechtbank heeft [appellant] terecht aan zijn verklaring in het proces-verbaal van 24 mei 2002 gehouden. Dat proces-verbaal heeft hij na doorlezing en volharding ondertekend. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het proces-verbaal onjuist is, omdat hij zijn verklaring destijds onder druk zou hebben afgelegd. Daarom moet van de juistheid ervan worden uitgegaan. Op basis van de in die verklaring geschetste omstandigheden had [appellant] kunnen weten dat hij zich in het criminele circuit begaf. Nu [appellant] en [naam vriend] volgens de in het proces-verbaal van 24 mei 2002 opgenomen verklaring op initiatief van [appellant] [naam broer] hebben bestolen, heeft [appellant] zichzelf in een situatie gebracht waarin hij geweld kon verwachten. Dat hij uiteindelijk is ontvoerd en mishandeld is dan ook een direct gevolg van een omstandigheid die aan hem moet worden toegerekend. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de CSG de aanvraag om een uitkering in redelijkheid in zijn geheel kon afwijzen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

17-735.