Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201310419/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Koningsveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310419/1/R1.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 't Vennewater Recreatie en Verhuur B.V. (hierna: 't Vennewater), gevestigd te Heiloo,

appellante,

en

de raad van de gemeente Heiloo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Koningsveld" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft 't Vennewater beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Vereniging van Eigenaren Koningsveld (hierna: de VvE) heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2014, waar 't Vennewater, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. H.S. de Vries, werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V., en de raad, vertegenwoordigd door L. Bas, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de VvE, vertegenwoordigd door M.B. Vellinga, bijgestaan door mr. K.E. van Dijk, werkzaam bij Antea Group, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft ’t Vennewater haar beroepsgronden die zien op de plandelen met de bestemming "Wonen" ingetrokken.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een reguliere woonbestemming voor de recreatiewoningen op het terrein Koningsveld te Heiloo. Met het plan is beoogd de bestaande situatie vast te leggen.

4. ‘t Vennewater is eigenaar van het perceel, kadastraal bekend Heiloo sector E nr. 2312, gelegen op het terrein Koningsveld, en kan zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer - Verblijf" die in het plan aan dit perceel is toegekend. Als formeel bezwaar voert zij aan dat zij ten onrechte niet geïnformeerd of betrokken is bij de vaststelling van het plan. Zij merkt in dit verband op dat de VvE, die het plan heeft laten opstellen, zelf belanghebbende is zodat niet kan worden verwacht dat de VvE het algemene belang behartigt bij de vaststelling van het plan.

4.1. De raad stelt dat het plan is voorbereid in opdracht van en bekostigd door de VvE in nauw overleg met de gemeente. De raad heeft na een zorgvuldige afweging van alle belangen het plan vastgesteld en is derhalve verantwoordelijk voor de inhoud.

4.2. In het raadsvoorstel staat dat de raad positief staat tegenover een wijziging van de bestemming van een recreatieve naar een reguliere woonbestemming voor de recreatiewoningen. Het had de voorkeur van de raad om de nieuwe bestemming in samenhang met de mogelijke ontwikkelingen op de omliggende recreatieterreinen te bezien, maar omdat de VvE hier niet op wilde wachten heeft zij in overleg met de wethouder voor eigen rekening een bestemmingsplan laten opstellen. De raad heeft het plan, nadat de daarvoor bedoelde procedure was doorlopen, ongewijzigd vastgesteld. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat het bestemmingsplan niet overeenkomstig de daarvoor bedoelde procedure is vastgesteld. ‘t Vennewater heeft een inspraakreactie en een zienswijze naar voren gebracht en heeft daarmee gebruik gemaakt van de inspraakmogelijkheden die haar ter beschikking stonden. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat zij onvoldoende is geïnformeerd of betrokken bij de vaststelling van het plan. Dat de procedure niet op initiatief van de raad is opgestart maar door een derde leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de bevoegdheid tot de vaststelling van het plan bij de raad berust. Niet is gebleken dat de raad geen eigen afweging heeft gemaakt.

5. ’t Vennewater betoogt dat de bestemming "Verkeer - Verblijf" leidt tot een sterke beperking van haar bouw- en gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende plan. Zij voert hiertoe aan dat de bestemming "Zomerhuizenterrein", die in dat plan aan haar gronden was toegekend, onder andere de mogelijkheden bood om op het perceel een woning te realiseren en deze gronden als tuin te gebruiken. Volgens ’t Vennewater past een extra woning op dit perceel en valt niet in te zien waarom de raad verdere verdichting ongewenst acht, met name wanneer het gehele terrein en het besloten karakter daarvan in ogenschouw wordt genomen. ’t Vennewater wijst er in dit verband op dat het voorheen geldende plan voorzag in 62 woningen, maar dat dit aantal feitelijk gezien met één is uitgebreid naar 63.

Verder duidt de bestemming "Verkeer - Verblijf" volgens ‘t Vennewater op collectieve gronden. Nu dat niet het geval is, is deze bestemming strijdig met de plantoelichting, waarin staat dat de collectieve gronden eigendom zijn van de VvE, zo betoogt ’t Vennewater.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen beperking van het voorheen geldende plan inhoudt. Uit het voorheen geldende plan kan volgens de raad niet worden afgeleid dat op het perceel van ´t Vennewater een zomerhuis met bijbehorende bebouwing kon worden gerealiseerd. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat hij verdere verdichting van het plangebied niet wenselijk acht. Het perceel van ‘t Vennewater is het enige perceel waar ruimte is voor speel- of groenvoorzieningen en eventueel parkeerplaatsen. Gezien deze mogelijke invulling acht de raad de gekozen bestemming het meest passend, ook omdat het perceel al voor algemeen gebruik toegankelijk was. Dit gebruik kan door ’t Vennewater of door de VvE, die volgens de raad nog steeds bereid is om de grond te verwerven, worden hersteld.

5.2. Aan de gronden van het perceel van ’t Vennewater is in het plan de bestemming "Verkeer - Verblijf" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming bedoeld voor verblijfs- en verkeersdoeleinden, fiets- en wandelpaden, bermen, bermsloten, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en speelvoorzieningen. De inrichting van de in de bestemming begrepen gronden dient gericht te zijn op een goede doorstroming van het verkeer alsmede op een verblijfsfunctie en de ontsluiting van de aangrenzende gronden. Binnen de bestemming wordt uitgegaan van handhaving van de bestaande wegprofielen en de bestaande inrichting, uitgezonderd ondergeschikte aanpassingen.

Ingevolge lid 3.2.1 mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en verkeersdoeleinden […].

5.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied", vastgesteld door de raad op 3 november 1997 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op 16 juni 1998, was aan deze gronden de bestemming "Zomerhuizenterrein" toegekend.

Ingevolge artikel III.19, lid a, onder I, van de voorschriften van dat plan waren de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor zomerhuizen, respectievelijk stacaravans, met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en overige voorzieningen, met dien verstande, dat de gronden over een zone van 5 m gemeten uit de bestemmingsgrenzen uitsluitend bestemd zijn voor afschermende beplantingen.

Ingevolge lid b, onder I, sub a, mochten op de in lid a bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat het aantal zomerhuizen op het terrein Koningsveld niet meer mocht bedragen dan 62.

5.4. Het betoog van ’t Vennewater dat haar met het plan een bouwmogelijkheid voor een zomerhuis met bijbehorende bebouwing is ontnomen, kan de Afdeling niet volgen. Uit het voorheen geldende plan volgt dat op het terrein Koningsveld niet meer dan 62 zomerhuizen waren toegestaan. ’t Vennewater heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het terrein onder het voorheen geldende plan minder dan 62 zomerhuizen waren gerealiseerd, waardoor zij een bouwmogelijkheid bezat. Naar het oordeel van de Afdeling is derhalve in zoverre geen sprake van een beperking van de bestaande rechten. Voor zover ’t Vennewater betoogt dat het perceel genoeg ruimte bevat om een extra woning te realiseren, overweegt de Afdeling dat de raad te kennen heeft gegeven dat hij verdere verdichting van het terrein onwenselijk acht. Uit de stukken blijkt dat het terrein Koningsveld gekenmerkt wordt door een krappe inrichting met een gesloten karakter en smalle wegen en dat vrijwel alle gemeenschappelijke gronden in gebruik zijn als weg of parkeerplaats. Het enige vrije gedeelte betreft het perceel van ’t Vennewater. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het standpunt van de raad om verdere verdichting niet toe te willen staan niet onredelijk. Dat het voorheen geldende plan voorzag in 62 zomerhuizen maar dat niettemin 63 woningen zijn gerealiseerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog faalt.

5.5. Voorts overweegt de Afdeling dat uit het voorheen geldende plan volgt dat op de gronden met de bestemming "Zomerhuizenterrein" onder meer bij zomerhuizen behorende parkeer-, groen- en speelvoorzieningen waren toegelaten. Hieruit volgt dat deze gronden als tuin gebruikt konden worden. Het voorliggende plan staat het gebruik als parkeer-, groen- en speelvoorziening slechts zelfstandig toe. ’t Vennewater stelt derhalve terecht dat het niet langer mogelijk is om de gronden als tuin bij de bestaande woningen te trekken. De Afdeling overweegt echter dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit geval is de beperking van de bestaande rechten zodanig dat deze naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk te achten is, mede gelet op het standpunt van de raad om verdere verdichting van het terrein onwenselijk te achten en daarbij in aanmerking genomen dat de bestemming "Wonen" ook zonder toekenning van een bouwvlak mogelijkheden biedt om vergunningvrij te bouwen. Ook betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat de gronden ten tijde van de vaststelling van het plan niet in gebruik waren als tuin en dat ook niet is gebleken van concrete plannen om deze gronden als zodanig in gebruik te nemen. Het betoog faalt.

5.6. Het betoog van ’t Vennewater dat de bestemming "Verkeer - Verblijf" duidt op collectieve gronden, wat hiervan ook zij, en om die reden in strijd is met de plantoelichting, kan de Afdeling evenmin volgen. De eigendomspositie van gronden is in planologisch opzicht in beginsel niet van belang. ‘t Vennewater heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in onderhavige situatie anders is. Voor zover in de plantoelichting een onjuistheid is vermeld, wat hiervan ook zij, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting niet tot de bindende delen van het bestemmingsplan behoort. Het betoog faalt.

6. Verder stelt ’t Vennewater dat onzeker is of de bestemming "Verkeer - Verblijf" binnen de planperiode gerealiseerd zal worden, nu verkoop van de gronden aan de VvE of haar leden twijfelachtig is en de raad zelf niet zal overgaan tot aankoop, onteigening of anderszins dwingend optreden.

6.1. Niet in geschil is dat het perceel thans is ingericht als groenstrook met enkele parkeerplaatsen er langs. Deze functies zijn toegestaan binnen de bestemming "Verkeer - Verblijf", zodat de bestaande inrichting en het huidige gebruik door ’t Vennewater reeds overeenkomstig de bestemming is. Het betoog dat het plan op dit punt niet uitvoerbaar is, kan reeds hierom niet slagen.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

533-667.