Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201310267/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellante] om ontheffing van de inburgeringsplicht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310267/1/V6.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Almere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2013 in zaak nr. 13/1039 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellante] om ontheffing van de inburgeringsplicht afgewezen.

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2013, gerectificeerd op 28 oktober 2013, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 10 juni 2014.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inburgering, zoals dit luidde ten tijde van belang, ontheft het college de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien die inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering legt de inburgeringsplichtige bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering, een advies over van een door het college aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Ingevolge het vierde lid kan de ontheffing worden verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat het inburgeringsexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald.

2. Het college heeft aan de afwijzing van het verzoek om ontheffing van de inburgeringsplicht ten grondslag gelegd dat de door het college aangewezen arts van Argonaut Advies in het advies van 27 september 2011 (hierna: het advies) heeft geconcludeerd dat [appellante] medisch gezien in staat wordt geacht om het inburgeringsexamen binnen de termijn van vijf jaar te behalen. Uit het advies blijkt dat daarin medische informatie is betrokken van de huisarts van [appellante] en van een behandelend medisch specialist. Voorts is in het advies vermeld dat een dossieronderzoek en een huisbezoek heeft plaatsgevonden.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het advies aan het besluit van 10 januari 2013 ten grondslag heeft mogen leggen. Zij voert daartoe aan dat het college de inhoud van het advies moet toetsen. Zij wijst erop dat de door haar overgelegde verklaring van de huisarts van 30 mei 2012 een ander beeld geeft over de beoordeling of zij medisch gezien in staat wordt geacht binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Zij betoogt dat het college daarom gehouden was om zijn besluit nader te motiveren.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 december 2009, in zaak nr. 200901087/1/V1) moet het bestuursorgaan, indien het een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien het deskundigenadvies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende inburgeringsplichtige de uitkomst van het advies bestrijden door een deskundige in te schakelen en een contra-expertise in te brengen.

Gelet op de in het advies genoemde betrokken informatie, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het advies voldoet aan vorenbedoelde vereisten. [appellante] heeft weliswaar een verklaring van haar huisarts van 30 mei 2012 overgelegd, maar deze verklaring kan niet worden aangemerkt als een contra-expertise, omdat de huisarts daarin de uitkomst van het advies niet bestrijdt, doch slechts stelt geen antwoord te kunnen geven op de vraag of [appellante] binnen vijf jaar het inburgeringsexamen kan behalen. Deze verklaring kan reeds daarom niet afdoen aan de uitkomst van het advies. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op grond van het advies terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering niet zodanig zijn dat [appellante] niet binnen vijf jaar na het verzoek om ontheffing aan de inburgeringsplicht kan voldoen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

164-692.