Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201307261/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307261/1/V4.

Datum uitspraak: 23 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 23 juli 2013 in zaken nrs. 13/14483 en 13/14484 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2013, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.E. Visscher, advocaat te Prinsenbeek, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.J.M.F.P. Wouters, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 7 maart 2013 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat Malta op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

2. In de grieven klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de detentieomstandigheden in Malta zodanig zijn dat deze strijdig zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De vreemdeling voert, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 21 januari 2011, nr. 30696/09, M.S.S. tegen België en Griekenland (www.echr.coe.int), aan dat uit de door haar overgelegde documenten volgt dat zij, nu zij met valse papieren Malta is uitgereisd, bij overdracht aan Malta te vrezen heeft voor detentie en daardoor zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, zodat zij niet aan Malta kan worden overgedragen.

2.1. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat zij, omdat zij met valse papieren Malta is uitgereisd, bij overdracht aan Malta zal worden gedetineerd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij met name verwezen naar de uitspraak van het Verwaltungsgericht Magdeburg van 16 mei 2012 in zaak nr. 5 A 328/11 MD, de uitspraak van het Zwitserse Bundesverwaltungsgericht van 2 oktober 2012 in zaak nr. D-2797/2010 en het rapport van Pro Asyl van mei 2012, getiteld "Malta: Out of the System". Voorts heeft de vreemdeling ter onderbouwing van haar betoog dat de detentieomstandigheden in Malta in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM, onder verwijzing naar voormelde uitspraken en voormeld rapport, aangevoerd dat, gelet op de omstandigheid dat er in de open centra al ongedierte rondloopt, de omstandigheden in de detentiecentra in Malta niet veel beter zullen zijn. De vreemdeling vreest voorts dat de detentiecentra overvol zijn, maar stelt dit niet te kunnen onderbouwen.

In hoger beroep heeft de vreemdeling verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 2 juli 2013 in zaak nr. 13/7860.

Ter zitting bij de Afdeling heeft de vreemdeling voorts verwezen naar het arrest van het EHRM van 23 juli 2013, nr. 42337/12, Suso Musa tegen Malta (hierna: het arrest Suso Musa; www.echr.coe.int).

2.2. De staatssecretaris heeft zich ter zitting bij de voorzieningenrechter op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Malta zal worden gedetineerd. De staatssecretaris heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een brief van de minister van Binnenlandse Zaken van Malta van 23 maart 2012 waarin volgens de minister wordt bevestigd dat vreemdelingen die in het kader van de Dublinverordening worden overgedragen (hierna: Dublinclaimanten) in Malta niet worden gedetineerd. Voorts blijkt uit de uitspraken en het rapport die de vreemdeling heeft overgelegd volgens de staatssecretaris niet dat de detentieomstandigheden in Malta in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.

Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris nader toegelicht dat uit voormelde brief volgt dat Dublinclaimanten in Malta niet wegens de enkele omstandigheid dat zij Dublinclaimanten zijn opnieuw in vreemdelingendetentie worden geplaatst, maar dat de Maltese autoriteiten wel de mogelijkheid open hebben gelaten om Dublinclaimanten om geheel andere redenen na overdracht aan Malta in detentie te plaatsen. Volgens de staatssecretaris zouden Dublinclaimanten, zoals de vreemdeling, die met valse papieren Malta zijn uitgereisd bij terugkomst in Malta door een strafrechter kunnen worden veroordeeld tot een gevangenisstraf. Nu de vreemdeling echter reeds in Nederland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken wegens het bezit van een vals dan wel vervalst reisdocument zal zij in Malta, met het oog op artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, volgens de staatssecretaris niet nogmaals strafrechtelijk worden vervolgd.

2.3. Daargelaten of de vreemdeling bij overdracht aan Malta daadwerkelijk in detentie zal komen, leidt een mogelijke detentie niet tot het oordeel dat Nederland de behandeling van het asielverzoek onverplicht aan zich moet trekken. De voorzieningenrechter heeft immers terecht geoordeeld dat hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd over de detentieomstandigheden in Malta onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat deze omstandigheden in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM. De stelling dat de detentiecentra overvol zijn en dat de omstandigheden daarin hetzelfde zijn als de omstandigheden in de open centra, heeft de vreemdeling niet nader onderbouwd, zodat die stelling reeds hierom geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de omstandigheden in de detentiecentra in Malta in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM. De verwijzing van de vreemdeling naar het arrest Suso Musa leidt voorts niet tot het ermee beoogde doel, reeds omdat het EHRM daarin niet heeft geoordeeld dat de detentieomstandigheden in Malta in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.

De grieven falen.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Brock

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2014

418-603.