Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201308979/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2012 is de vreemdeling de toegang tot het Schengengebied geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308979/1/V4.

Datum uitspraak: 1 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 september 2013 in zaak nr. 13/4346 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2012 is de vreemdeling de toegang tot het Schengengebied geweigerd.

Bij besluit van 13 februari 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 12 september 1963 is een overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de Gemeenschap) en de Republiek Turkije, namens die Gemeenschap gesloten (hierna: de Associatieovereenkomst). De overeenkomst is goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217).

Ingevolge artikel 9 van deze overeenkomst erkennen de overeenkomstsluitende partijen dat binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap (thans, na wijziging, artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) vermelde beginsel.

Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol (hierna: het Aanvullend Protocol) ondertekend en namens de Gemeenschap gesloten. Het is goedgekeurd en bevestigd bij Verordening (EEG) nr. 2760 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293). Voor het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden is het protocol op 1 januari 1973 in werking getreden.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van dit protocol voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

2. Op 28 april 2010 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "arbeid als zelfstandige". Die aanvraag, die betrekking had op een groothandel in frisdranken genaamd "[bedrijf]", is bij besluit van 24 mei 2011 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 oktober 2011 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 juni 2012 is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op 18 september 2012 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "arbeid als zelfstandige voor [groothandel]". Bij brief van 4 oktober 2012 is een voornemen tot het opleggen van een inreisverbod uitgebracht.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat voor de vreemdeling, net als voor de vreemdeling in de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2012 in zaak nr. 201102803/1/V3, geldt dat hij op het moment van binnenkomst slechts voornemens was de reeds bestaande door hem uitgeoefende bedrijfsactiviteiten voort te zetten. Op dat moment was echter reeds inhoudelijk geoordeeld dat die bedrijfsactiviteiten geen grond bieden om de vreemdeling een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' te verlenen. Zolang niet is gebleken dat die afwijzing is vernietigd of ingetrokken, dient van de gelding van deze afwijzing te worden uitgegaan. Het indienen van een nieuwe aanvraag, waarop reeds een voornemen tot afwijzing was genomen, maakt dat niet anders. Onder deze omstandigheden was de vreemdeling op het moment van de toegangsweigering naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als zelfstandige in de zin van de Associatieovereenkomst, zodat de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol en de non-discriminatiebepaling van artikel 9 van de Associatieovereenkomst niet op hem van toepassing waren. Dat, zoals door de gemachtigde van de vreemdeling ter zitting is betoogd, de Afdeling in voornoemde uitspraak tot het oordeel is gekomen dat de visumplicht als een nieuwe en derhalve verboden beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol moet worden aangemerkt is voor deze zaak derhalve niet relevant, aldus de rechtbank.

4. In zijn enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat de aanvraag om een verblijfsvergunning van 28 april 2010 betrekking heeft op een ander bedrijf dan waarop de aanvraag van 18 september 2012 ziet, zodat zij de afwijzing van de aanvraag van 28 april 2010 ten onrechte bij de beoordeling heeft betrokken.

De vreemdeling klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft gehecht aan de omstandigheid dat hij op 18 oktober 2012 aan de grens te kennen heeft gegeven dat hij als Turkse zelfstandige voornemens was bestaande bedrijfsactiviteiten in Nederland voort te zetten en dat hij in afwachting was van een aanvraag om een verblijfsvergunning, waarop nog niet was beslist. Dit betrof de aanvraag van 18 september 2012. Nu aan een Turkse zelfstandige gelet op artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol en artikel 9 van de Associatieovereenkomst geen visumplicht kan worden opgelegd, is hem de toegang ten onrechte geweigerd, aldus de vreemdeling.

4.1. Het door de vreemdeling gestelde over de aanvraag van 18 september 2012 stemt overeen met hetgeen is weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 18 oktober 2012. De verwijzing naar de aanvraag waarop nog niet was beslist, betrof de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "arbeid als zelfstandige voor [groothandel]". Zoals in het besluit van 13 februari 2013 is vermeld heeft de vreemdeling bij die aanvraag een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel gevoegd. Daaruit blijkt dat de vreemdeling vennoot is van [groothandel], dat dit bedrijf sinds 6 oktober 2010 in Nederland is gevestigd en dat sinds 7 augustus 2012 ondernemingsactiviteiten worden verricht. Uit voormeld proces-verbaal noch uit het besluit van 13 februari 2013 blijkt dat de vreemdeling bij de grenscontrole op 18 oktober 2012 is verzocht die gegevens over te leggen en dat hij daaraan niet heeft kunnen voldoen.

Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat op de aanvraag van 18 september 2012 ten tijde van de grenscontrole nog niet definitief was beslist, heeft de staatssecretaris zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling ten tijde van het verzoek om toegang niet kon worden aangemerkt als een Turkse zelfstandige in de zin van de Associatieovereenkomst. De vreemdeling klaagt aldus terecht dat de rechtbank ten onrechte de afwijzing van de aanvraag van 28 april 2010 heeft betrokken bij de beoordeling of hij onder het toepassingsbereik van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol viel. In zoverre verschillen de omstandigheden van de zaak die in de uitspraak van 14 maart 2012 aan de orde was.

4.2. Zoals in 2.6.1 en 2.6.2 van voormelde uitspraak van 14 maart 2012 is overwogen, werd in Nederland op 1 januari 1973 - de datum waarop het Aanvullend Protocol in Nederland in werking is getreden - op Turkse onderdanen voor verblijf van korter dan drie maanden geen visumplicht toegepast. Dat betekent dat de in 2.6.1 vermelde wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen in 1982, waarmee vanaf dat moment voor verblijf van korter dan drie maanden een visumplicht voor Turkse onderdanen is geïntroduceerd, als een nieuwe en derhalve verboden beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol moet worden aangemerkt, aldus de Afdeling. Die beperking kan niet worden opgelegd aan Turkse zelfstandigen die voornemens zijn gebruik te maken van de vrijheid van vestiging in het kader van de Associatieovereenkomst.

Zoals in 2.6.3 van de uitspraak van 14 maart 2012 is overwogen moet de visumplicht voor Turkse zelfstandigen ook strijdig worden geacht met het in artikel 9 van de Associatieovereenkomst neergelegde discriminatieverbod.

4.3. Nu op 1 januari 1973 in Nederland voor Turkse zelfstandigen geen visumvereiste gold, heeft de vreemdeling terecht betoogd dat het tegenwerpen van dat vereiste in het kader van de toegangsweigering in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol en artikel 9 van de Associatieovereenkomst.

4.4. De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 februari 2013, onder gegrondverklaring van het beroep, vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 18 oktober 2012 herroepen.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 september 2013 in zaak nr. 13/4346;

III. verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 februari 2013, kenmerk 2705143506;

V. herroept het besluit van de ambtenaar belast met de grensbewaking van 18 oktober 2012, zonder kenmerk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 februari 2013;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bakker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014

393.