Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2508

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201308704/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:4885, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 9, 13 en 29 december 2011 heeft de minister aan de Persgroep Distributie boetes opgelegd van in totaal € 40.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Bij besluit van 13 december 2011 en bij twee onderscheiden besluiten van 29 december 2011 heeft de minister [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] onderscheidenlijk [appellante sub 2C] elk een boete opgelegd van € 8.000,00, € 24.000,00 onderscheidenlijk € 24.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:46
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/288 met annotatie van dr. T. de Lange

Uitspraak

201308704/1/V6.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

2. [ appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] (hierna: [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] onderscheidenlijk [appellante sub 2C] en tezamen: de uitgeverijen), alle gevestigd te [plaats], en de Persgroep Distributie B.V. (hierna: de Persgroep Distributie), gevestigd te Amsterdam-Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, (hierna tezamen: de vennootschappen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2013 in zaken nrs. 12/5110, 12/5112, 12/5113, 12/5672, 12/5677 en 12/5934 in het geding tussen:

de vennootschappen

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluiten van 9, 13 en 29 december 2011 heeft de minister aan de Persgroep Distributie boetes opgelegd van in totaal € 40.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 13 december 2011 en bij twee onderscheiden besluiten van 29 december 2011 heeft de minister [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] onderscheidenlijk [appellante sub 2C] elk een boete opgelegd van € 8.000,00, € 24.000,00 onderscheidenlijk € 24.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

Bij drie onderscheiden besluiten van 3 september 2012 heeft de minister de door de Persgroep Distributie tegen de besluiten van 9, 13 en 29 december 2011 gemaakte bezwaren gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boetes betreft en die boetes vastgesteld op een bedrag van in totaal € 20.000,00.

Bij twee onderscheiden besluiten van 10 oktober 2012 en bij besluit van 22 oktober 2012 heeft de minister de door [appellante sub 2B], [appellante sub 2C] onderscheidenlijk [appellante sub 2A] tegen het besluit van 13 december 2011 en de twee onderscheiden besluiten van 29 december 2011 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank de door de Persgroep Distributie tegen de drie onderscheiden besluiten van 3 september 2012 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, de besluiten van 9, 13 en 29 december 2011 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

Bij deze uitspraak heeft de rechtbank voorts het door [appellante sub 2A] tegen het besluit van 22 oktober 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 13 december 2011 herroepen voor zover het de hoogte van de boete betreft, het bedrag van de boete vastgesteld op € 4.000,00 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Bij deze uitspraak heeft de rechtbank verder de door [appellante sub 2B] onderscheidenlijk [appellante sub 2C] tegen de twee onderscheiden besluiten van 10 oktober 2012 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, de twee onderscheiden besluiten van 29 december 2011 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De vennootschappen hebben een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2014, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. W.G.G. de Bakker, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en de vennootschappen, vertegenwoordigd door drs. J.J. Stil en mr. M.J. van Breda, werkzaam bij de Persgroep Distributie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving; Stb. 2012, 462, is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

2. De dertien onderscheiden, door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (thans: de Inspectie SZW) op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte boeterapporten van 24 maart, 15 juli, 11 en 18 oktober, 10 en 23 november en 2 december 2011 (hierna tezamen: de boeterapporten), houden in dat in de periode van 18 november 2010 tot en met 3 februari 2011 vier vreemdelingen (hierna: de vreemdelingen) voor de Persgroep Distributie arbeid hebben verricht, bestaande uit het bezorgen van dagbladen, zonder dat het UWV WERKbedrijf daarvoor tewerkstellingsvergunningen had afgegeven. [vreemdeling A], van Guinese nationaliteit, heeft het door [appellante sub 2A] uitgegeven dagblad bezorgd en de vreemdelingen [vreemdeling B], [vreemdeling C] en [vreemdeling D], van Soedanese nationaliteit, hebben de door [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] uitgegeven dagbladen bezorgd. De boeterapporten houden voorts in dat de uitgeverijen aan de Persgroep Distributie opdracht hebben gegeven de door hen uitgegeven dagbladen te verspreiden.

Werkgeverschap

3. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] geen werkgevers zijn in de zin van de Wav, nu zij volledige dochterondernemingen zijn van de Persgroep Nederland B.V. (hierna: de Persgroep Nederland) en uit de overgelegde jaarverslagen en geconsolideerde jaarrekeningen van 2011 en 2012 volgt dat de Persgroep Nederland de overheersende zeggenschap en centrale leiding over hen heeft. De minister voert daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2013 in zaak nr. 201300076/1/V6 (www.raadvanstate.nl; hierna: de uitspraak van 7 augustus 2013), aan dat [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C], afzonderlijk van de Persgroep Distributie, moeten worden aangemerkt als werkgever van [vreemdeling B], [vreemdeling C] en [vreemdeling D] in de zin van de Wav, zodat hij terecht aan elk van deze dochterondernemingen van de Persgroep Nederland een boete heeft opgelegd.

De vennootschappen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hetgeen zij over het vermeende werkgeverschap van [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] heeft overwogen, ook voor [appellante sub 2A] geldt.

3.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) blijkt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94 23 574, nr. 5, blz. 2).

3.2. Nu in hoger beroep onbestreden is dat de vreemdelingen in de in 2 vermelde periode de door de uitgeverijen uitgegeven dagbladen hebben bezorgd, heeft de minister hen terecht aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav verschillende (rechts)personen dezelfde vreemdeling dezelfde arbeid kunnen laten verrichten en als werkgever kunnen worden aangemerkt, alsmede dat de minister ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav, aan ieder van de werkgevers een boete kan opleggen indien een geldige tewerkstellingsvergunning ontbreekt.

Dat de Persgroep Nederland alle aandelen bezit van [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C], leidt niet tot een ander oordeel, nu deze uitgeverijen afzonderlijk zijn ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en elk onder een eigen naam een dagblad uitgeven. Dat geldt evenzeer voor [appellante sub 2A]. Dat de Persgroep Nederland voor boekhoudkundige doelen een geconsolideerde jaarrekening opstelt waarin haar eigen financiële gegevens en die van [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] zijn opgenomen, laat de scheiding tussen de verschillende vennootschappen en hun vermogen onverlet. Dat de overgelegde jaarverslagen vermelden dat de Persgroep Nederland hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C], doet daaraan niet af. Ook deze omstandigheden bieden dus geen grond voor een ander oordeel.

Gelet op het vorenstaande heeft de minister de uitgeverijen terecht afzonderlijk beboet. Het betoog van de minister slaagt en het betoog van de vennootschappen faalt.

Gelijkheidsbeginsel

4. De vennootschappen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de boetes in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. Zij voeren daartoe aan dat de minister opdrachtgevers die in vergelijkbare bedrijfstakken opereren, zoals de postbezorging, niet aanmerkt als werkgevers in de zin van de Wav, terwijl die opdrachtgevers dezelfde mate van invloed hebben op de wijze waarop de bezorging plaatsvindt als de uitgeverijen op de distributie van de door hen uitgegeven dagbladen. De rechtbank heeft volgens de vennootschappen dan ook niet onderkend dat er geen relevant verschil is tussen de distributie van post via onder meer PostNL en de distributie van dagbladen via de Persgroep Distributie. De vennootschappen voeren verder aan dat de minister weliswaar een boete heeft opgelegd aan een opdrachtgever van een bedrijf dat folders verspreidt, maar dat het verschil met die zaak is dat de desbetreffende opdrachtgever zich vergaand bemoeide met de wijze waarop de tewerkstelling plaatsvond.

4.1. Naar aanleiding van dit betoog, dat de vennootschappen eerst in beroep naar voren hebben gebracht, heeft de minister zich in zijn verweerschrift van 7 juni 2013, dat ziet op de beroepen van de uitgeverijen, op het standpunt gesteld dat het verschil met opdrachtgevers die van PostNL gebruikmaken is dat de uitgeverijen meer invloed kunnen uitoefenen op de wijze waarop de bezorging plaatsvindt. De vennootschappen hebben dat weliswaar bestreden, maar dat leidt niet tot het oordeel dat de boetes in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat, zoals de minister ter zitting heeft toegelicht, de Persgroep Distributie slechts voor een beperkt aantal opdrachtgevers de distributie van dagbladen verzorgt, terwijl bijvoorbeeld PostNL voor een groot aantal verschillende opdrachtgevers post bezorgt. De aard van de relatie tussen de opdrachtgevers en de distributeur - en daarmee de mate van invloed die de opdrachtgevers kunnen uitoefenen op de wijze waarop de bezorging plaatsvindt - is in deze bedrijfstakken dus niet hetzelfde. Verder wordt in aanmerking genomen dat, nu de minister heeft gewezen op een zaak waarin hij een boete heeft opgelegd aan een opdrachtgever van een bedrijf dat folders verspreidt, niet is gebleken dat hij beleid voert waarbij hij in dergelijke gevallen de opdrachtgevers niet beboet en hij in dit geval daarvan is afgeweken. Voor zover de vennootschappen betogen dat de zaak waarop de minister heeft gewezen niet vergelijkbaar is met die van hen omdat de uitgeverijen geen of minder invloed kunnen uitoefenen op de wijze waarop de bezorging plaatsvindt, worden zij, gelet op hetgeen hierna in 5.5 wordt overwogen, daarin niet gevolgd.

Het betoog faalt.

Verwijtbaarheid en evenredigheid

5. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aan de Persgroep Distributie en [appellante sub 2A] opgelegde boetes wegens illegale tewerkstelling van [vreemdeling A] met 50% moeten worden gematigd, nu zich in dit geval dezelfde omstandigheden voordoen als in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 in zaak nr. 201204739/1/V6 (www.raadvanstate.nl; hierna: de uitspraak van 22 mei 2013). De minister voert daartoe, onder verwijzing naar de boeterapporten die op deze overtredingen zien, aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor [vreemdeling A] de verschuldigde belastingen en premies zijn afgedragen en zich geen situatie van onderbetaling en uitbuiting heeft voorgedaan. De minister betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Persgroep Distributie al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om overtreding van de Wav te voorkomen. De minister voert daartoe aan dat de Persgroep Distributie haar depothouders niet contractueel heeft verplicht tot naleving van de Wav en dat zij daar ook niet op andere wijze op heeft aangedrongen. De minister voert in dit verband aan dat de Persgroep Distributie in staat moet worden geacht zodanige invloed op de depothouders te kunnen uitoefenen, dat die zich onthouden van illegale tewerkstelling van vreemdelingen, waarbij valt te denken aan intensievere controles door de regiomanagers van de Persgroep Distributie. De minister wijst er verder op dat het onverminderd toestaan van vervanging van depothouders en bezorgers niet bevorderlijk is voor naleving van de Wav.

De vennootschappen betogen dat hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de aan de Persgroep Distributie en [appellante sub 2A] opgelegde boetes wegens illegale tewerkstelling van [vreemdeling A], ook voor de overige in deze zaak opgelegde boetes geldt, nu de vreemdelingen ten tijde van de geconstateerde overtredingen rechtmatig in Nederland verbleven en beschikten over een zogeheten W-document. Voor zover niet vaststaat dat de vreemdelingen niet zijn onderbetaald en uitgebuit, komt dat volgens de vennootschappen voor risico van de minister. De vennootschappen betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de uitgeverijen zich met succes kunnen beroepen op de door de Persgroep Distributie getroffen maatregelen ter voorkoming van overtreding van de Wav en dat ook zij dus niet verwijtbaar hebben gehandeld. De vennootschappen voeren daartoe aan dat binnen de Persgroep Nederland slechts de Persgroep Distributie verantwoordelijk is voor het voorkomen van overtreding van de Wav en dat de voorheen geldende contracten tussen de uitgeverijen en de Persgroep Distributie thans niet meer aan de orde zijn. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat ook in zoverre aanleiding bestaat de boetes te matigen, aldus de vennootschappen.

5.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, zoals thans neergelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn als zodanig niet onredelijk. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

5.2. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt wordt van boeteoplegging afgezien. Hiertoe moet de werkgever aannemelijk maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.

Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

5.3. In de uitspraak van 22 mei 2013 is het samenstel van feiten en omstandigheden dat zich in die zaak voordeed ten grondslag gelegd aan de matiging van de boete met 50%. Daarbij is in aanmerking genomen dat de minister niet had betwist dat de desbetreffende vreemdelingen ten tijde van belang rechtmatig verblijf hadden en dat hij ter zitting van de Afdeling had bevestigd dat het UWV WERKbedrijf bij de verlening van tewerkstellingsvergunningen voor vreemdelingen die over een W-document beschikken, hetgeen in die zaak het geval was, geen arbeidsmarkttoets verricht. Voorts is in aanmerking genomen dat de minister niet had betwist dat de beboete werkgever voor de desbetreffende vreemdelingen de verschuldigde belastingen en premies had afgedragen en zich geen situatie van onderbetaling en uitbuiting had voorgedaan.

Uit de boeterapporten van 24 maart 2011 met kenmerk 521002301/03, 521100219/01 onderscheidenlijk 521002301/02 blijkt dat [vreemdeling A] werkzaam was als vervanger van een vaste bezorger en hij dus niet in dienst was bij de Persgroep Distributie. De vennootschappen hebben dit niet betwist. De minister is er onder die omstandigheden terecht van uitgegaan dat voor [vreemdeling A] de verschuldigde belastingen en premies niet zijn afgedragen. Reeds hierom doet zich hier niet het samenstel van feiten en omstandigheden voor dat in de uitspraak van 22 mei 2013 voorlag. Het betoog van de vennootschappen dat het voor risico van de minister komt dat niet vaststaat dat de vreemdelingen niet zijn onderbetaald en uitgebuit, faalt. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had het op de weg van de vennootschappen gelegen het tegendeel aannemelijk te maken. Dat hebben zij niet gedaan. Wat betreft het betoog van de vennootschappen dat hetgeen de rechtbank in dit verband heeft overwogen ook voor de aan [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] opgelegde boetes geldt, wordt verwezen naar hetgeen hierna onder 7.1 wordt overwogen.

Het betoog van de minister slaagt in zoverre en het betoog van de vennootschappen faalt in zoverre.

5.4. De minister heeft aan de matiging van de aan de Persgroep Distributie opgelegde boetes met 50% ten grondslag gelegd dat zij verminderd verwijtbaar heeft gehandeld, nu zij zich ten tijde van belang had ingespannen om overtreding van de Wav te voorkomen. Dat neemt volgens de minister evenwel niet weg dat verdergaande inspanningen nodig zijn om in alle gevallen naleving van de Wav zeker te stellen, waarbij valt te denken aan een strenger aannamebeleid voor nieuwe depothouders, betere instructie van nieuwe depothouders en aanvullende maatregelen op het gebied van vervanging van bezorgers.

Uit de boeterapporten blijkt dat de geconstateerde overtredingen zijn voortgekomen uit vervanging van vaste bezorgers van de Persgroep Distributie. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van de betrokken depothouders dat zij ten tijde van de geconstateerde overtredingen niet of onvoldoende op de hoogte waren van hun verplichtingen op het gebied van naleving van de Wav, hetgeen steun vindt in de verklaringen van [wettelijk vertegenwoordiger] van de vennootschappen. Gelet hierop betoogt de minister terecht dat de Persgroep Distributie niet al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om overtreding van de Wav te voorkomen. In dit verband heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het de Persgroep Distributie niet valt te verwijten dat haar depothouders zich niet houden aan de getroffen maatregelen, nu de minister terecht betoogt dat de Persgroep Distributie in staat moet worden geacht zodanige invloed op de depothouders te kunnen uitoefenen, dat zij zich onthouden van illegale tewerkstelling van vreemdelingen.

Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog van de minister dat geen plaats is voor matiging van meer dan 50% van de aan de Persgroep Distributie opgelegde boetes.

5.5. Voorts moet worden bezien of [appellante sub 2A] niet of verminderd verwijtbaar heeft gehandeld. Voor zover de vennootschappen betogen dat [appellante sub 2A] geen invloed kan uitoefenen op de wijze waarop de tewerkstelling plaatsvindt, omdat binnen de Persgroep Nederland slechts de Persgroep Distributie verantwoordelijk is voor het voorkomen van overtreding van de Wav, strookt dat niet met hun stelling dat de uitgeverijen hierover met de Persgroep Distributie afspraken hebben gemaakt. Los daarvan vindt dit betoog geen steun in de verklaringen van [wettelijke vertegenwoordiger], waaruit onder meer blijkt dat periodiek overleg plaatsvond met de Persgroep Distributie, waarbij de Wav een vast agendapunt was.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr. 200701639/1; www.raadvanstate.nl), is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Uit de bij het boeterapport gevoegde verklaringen blijkt dat de maatregelen die de minister bij de matiging van de aan de Persgroep Distributie opgelegde boetes in aanmerking heeft genomen, mede zijn voortgekomen uit door de uitgeverijen verrichte inspanningen. Hierbij wordt onder meer de hiervoor weergegeven verklaring van [wettelijke vertegenwoordiger] over het periodieke overleg tussen de uitgeverijen en de Persgroep Distributie in aanmerking genomen. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat ook [appellante sub 2A] verminderd verwijtbaar heeft gehandeld en dat op grond hiervan matiging van de haar opgelegde boete met 50% passend en geboden is.

Het betoog van de vennootschappen slaagt in zoverre.

Conclusie

6. Het hoger beroep van de minister is gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vennootschappen is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, worden de beroepen van de Persgroep Distributie ongegrond verklaard, het beroep van [appellante sub 2A] gegrond verklaard en het besluit van 22 oktober 2012 vernietigd. Er bestaat aanleiding op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien, door de aan [appellante sub 2A] opgelegde boete met 50% te matigen. Voorts worden hierna de besluiten van 10 oktober 2012, die zien op de aan [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] opgelegde boetes, getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

7. [ appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] hebben betoogd dat zij niet verwijtbaar hebben gehandeld en dat de hen opgelegde boetes onevenredig hoog zijn.

7.1. Uit de boeterapporten van 10 november 2011 met kenmerk 421100171/03, 421100171/08 onderscheidenlijk 421100171/09 blijkt dat [vreemdeling B], [vreemdeling C] en [vreemdeling D], die de door [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] uitgegeven dagbladen hebben bezorgd, werkzaam waren als vervanger van vaste bezorgers van de Persgroep Distributie. Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, is de minister er onder die omstandigheden terecht van uitgegaan dat voor deze vreemdelingen de verschuldigde belastingen en premies niet afgedragen. Het was aan [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] om het tegendeel aannemelijk te maken. Nu zij dat niet hebben gedaan, doet het in de uitspraak van 22 mei 2013 in aanmerking genomen samenstel van feiten en omstandigheden zich ook in zoverre niet voor. Nu echter, zoals is overwogen onder 5.5, de uitgeverijen hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de door de Persgroep Distributie getroffen maatregelen ter voorkoming van overtreding van de Wav, betogen ook [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] terecht dat zij verminderd verwijtbaar hebben gehandeld. Matiging van de hun opgelegde boetes met 50% is dus passend en geboden.

De betogen slagen in zoverre.

8. De beroepen van [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] zijn gegrond. De besluiten van 10 oktober 2012 moeten worden vernietigd. Er bestaat aanleiding op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien, door de aan [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] opgelegde boetes met 50% te matigen.

9. De minister moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2A], [appellante sub 2B], [appellante sub 2C] en de Persgroep Distributie B.V. gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2013 in zaken nrs. 12/5110, 12/5112, 12/5113, 12/5672, 12/5677 en 12/5934;

IV. verklaart de door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid de Persgroep Distributie B.V. in zaken nrs. 12/5110, 12/5112 en 12/5113 ingestelde beroepen ongegrond;

V. verklaart de door [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] in zaken nrs. 12/5934, 12/5672 onderscheidenlijk 12/5677 ingestelde beroepen gegrond;

VI. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 oktober 2012, kenmerk WBJA/JA-Wav/1.2012.0268.001 en de onderscheiden besluiten van 10 oktober 2012, kenmerk WBJA//1.2012.0315.001 onderscheidenlijk WBJA/JA-Wav/1.2012.0316.001;

VII. herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2011, kenmerk 071101873/03 en de onderscheiden besluiten van 29 december 2011, kenmerk 071106733/03 onderscheidenlijk 071106732/03;

VIII. bepaalt dat het bedrag van de aan [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] opgelegde boetes wordt vastgesteld op € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), € 12.000,00 (zegge: twaalfduizend euro) onderscheidenlijk € 12.000,00 (zegge: twaalfduizend euro);

IX. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

X. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] in verband met de behandeling van in het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van in totaal € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] het door hen betaalde griffierecht van in totaal € 930,00 (zegge: negenhonderddertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Oei

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

670.