Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201308481/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:9422, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2010 heeft het college aan Woonstichting De Key bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementencomplex op het perceel Treslonghof 1 tot en met 19 te Hillegom (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308481/1/A1.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hillegom,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 juli 2013 in zaak nr. 13/777 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2010 heeft het college aan Woonstichting De Key bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementencomplex op het perceel Treslonghof 1 tot en met 19 te Hillegom (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 december 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het de overschrijding van de maximale bouwhoogte en de welstandadvisering betreft, gegrond verklaard, de bouwvergunning onder aanvulling van de motivering gehandhaafd onder gelijktijdige ontheffing, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, van de in het ter plaatse geldende bestemmingsplan gestelde eisen aan de maximaal toegestane bouwhoogte, en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. Martens en J.G.H. Draijer, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Koomen en G. Sikkema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex met daarin 29 appartementen, bestaande uit vier bouwlagen, op het perceel. De bovenste bouwlaag bestaat uit een verticaal opgaande constructie met ramen en terrasdeuren, die achter de gevels van de onderliggende verdiepingen ligt, en uit schuine vlakken in aansluiting op die gevels, waarvan de nok plat is uitgevoerd.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Treslong omgeving Parklaan correctieve herziening de Marel" rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder druiplijn verstaan, de onderste horizontale lijn van een dakvlak dat geen goot heeft.

Ingevolge artikel 7.1.1, aanhef en onder a, zijn de op de plankaart voor "Wonen" met aanduiding g aangewezen gronden bestemd voor maximaal 47 gestapelde woningen.

Ingevolge artikel 7.2.1, aanhef en onder b, mag de goothoogte maximaal de op de plankaart aangegeven goothoogte bedragen. Op de plankaart is voor het perceel een maximale goothoogte van 9 m aangegeven. Ingevolge artikel 7.2.1, aanhef en onder d, mag de breedte van dakkapellen op het dakvlak van de voorgevel maximaal 50 procent van de breedte van het dakvlak bedragen.

Ingevolge artikel 2.1 wordt de goothoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

Ingevolge artikel 3.1 zijn de op de plankaart voor Groen aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;

b. paden, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen, parkeervoorzieningen en met inachtneming van de keur van het waterschap.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 7.2.1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften. In dit kader voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte de bovenste laag van het appartementencomplex niet als dakkapel heeft aangemerkt. [appellant] stelt dat, indien de bovenste laag niet als dakkapel wordt aangemerkt, de goothoogte van het appartementencomplex hoger is dan het bestemmingsplan toestaat.

3.1. In de planvoorschriften is geen definitie gegeven van het begrip dakkapel. Onder dakkapel kan redelijkerwijs worden verstaan een uit een hellend dak klein uitspringend venster dat het dakvlak onderbreekt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bovenste bouwlaag van het appartementencomplex, gezien de afmetingen ervan, geen uit een hellend dak klein uitspringend venster is dat het dakvlak onderbreekt, zodat artikel 7.2.1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften toepassing mist.

Het betoog faalt in zoverre.

3.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de maximaal op het perceel toegestane goothoogte. Hiertoe heeft de rechtbank, gezien de bij het besluit behorende bouwtekeningen, terecht overwogen dat de bovenste bouwlaag van het bouwplan niet voorzien is van een goot en deze bouwlaag aansluit op de schuin aflopende dakvlakken. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de afwatering via deze dakvlakken plaatsvindt en de druiplijn zich bevindt aan de onderzijde van de dakvlakken, waaronder een goot wordt aangebracht. Deze goot bevindt zich blijkens de bouwtekening op een hoogte van 8,88 m en ligt derhalve lager dan de volgens de plankaart maximaal toegestane goothoogte.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte het welstandsadvies van 30 maart 2011 aan het besluit van 18 december 2012 ten grondslag heeft gelegd. In dit kader voert hij aan dat de welstandscommissie ten onrechte positief over het bouwplan heeft geadviseerd, nu het bouwplan niet in overeenstemming is met het in de welstandsnota vermelde criterium, dat het dorpse karakter van de omgeving niet mag worden aangetast. Hij voert verder aan dat strijd bestaat met de toetsingscriteria van de welstandsnota bestaat, nu de gevels niet in hoofdzaak uit baksteen bestaan, niet in een vergelijkbaar steenachtig materiaal zijn uitgevoerd en niet in een lichte tint zijn gepleisterd.

4.1. De welstandscommissie heeft in haar advies van 30 maart 2011 positief over het bouwplan geadviseerd en is daarbij uitgegaan van het welstandsgebied "Gemengde bebouwing". Blijkens dit advies is de commissie van oordeel dat het woongebouw net te groot is voor een dorps karakter, maar in de bebouwingszone wel dergelijke verhoudingsgewijs grote appartementencomplexen zijn gepland. Het college heeft geen reden gezien af te wijken van het advies en dat advies aan zijn besluit ten grondslag gelegd.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

4.3. Niet is gebleken dat het welstandsadvies van de welstandscommissie naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich bij de besluitvorming op het welstandsadvies van 30 maart 2011 heeft mogen baseren. De rechtbank heeft terecht van belang geacht dat in het welstandsadvies van 30 maart 2011 weliswaar naar voren komt dat het woongebouw net te groot is voor een dorps karakter, maar dat in de desbetreffende bebouwingszone een keuze is gemaakt om dergelijke verhoudingsgewijs grote appartementengebouwen te plannen en het appartementengebouw past binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2006 in zaak nr. 200504912/1, overwogen dat de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Het welstandsoordeel mag niet leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van die bouwmogelijkheden. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat een welstandsadvies dat ertoe strekt dat ter plaatse een kleiner gebouw wordt gerealiseerd, zou leiden tot een dergelijke belemmering.

Voor zover [appellant], mede onder verwijzing naar het door hem overgelegde tegenadvies van 14 april 2014, heeft gesteld dat op het perceel ook een gebouw had kunnen worden gerealiseerd dat weliswaar voldoet aan de volgens de plankaart maximaal toegestane bouwhoogte, maar het dorpse karakter niet aantast, wordt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2013 in zaak nr. 201211044/1/A1) overwogen dat het college dient te beslissen op de aanvraag, zoals deze is ingediend. Indien een bouwplan op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat dergelijke alternatieve mogelijkheden aanwezig zijn, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt.

In het door [appellant] overgelegde tegenadvies van 14 april 2014, waaruit volgt dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, omdat de gevels grotendeels uit glas en staal en de dakbedekking uit zink bestaan, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte is uitgegaan van het advies van de welstandscommissie van 30 maart 2011. Met een nadere motivering ten aanzien van de dakbedekking, heeft de welstandscommissie in het advies van 30 maart 2011 het bouwplan wat materiaal en kleurgebruik betreft niet in strijd met de redelijke eisen van welstand geacht. De welstandscommissie heeft voorts in een aanvullend advies van 9 mei 2014 vermeld dat in de gebiedsbeschrijving in de welstandsnota de nuancering is opgenomen dat hellende daken in principe gedekt zijn met keramische pannen, waardoor het gebruik van andere materialen, wanneer deze traditioneel en terughoudend zijn, niet uitgesloten wordt. De welstandscommissie heeft voorts in het aanvullend advies vermeld dat zink een traditioneel dakbedekkingsmateriaal is dat daarnaast door zijn natuurlijke kleur en patina, zijnde een matte grijstint, terughoudend overkomt in de omgeving. Gelet hierop betekent de omstandigheid dat het hellend dak niet uit keramische pannen bestaat, niet dat strijd bestaat met de geldende gebiedscriteria, aldus de welstandscommissie. In de stelling van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte is uitgegaan van het advies van de welstandscommissie van 30 maart 2011 omdat de gevels niet in hoofdzaak uit baksteen bestaan, niet zijn uitgevoerd in een vergelijkbaar steenachtig materiaal en evenmin in een lichte tint zijn gepleisterd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de welstandscommissie de criteria in dit geval onjuist heeft uitgelegd of toegepast. Hierbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat uit de bij het besluit van 1 december 2010 behorende bouwtekening blijkt dat de gevel bestaat uit bakstenen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte ten behoeve van het bouwplan ontheffing heeft verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Hillegom (hierna: de Bouwverordening). Hiertoe voert hij aan dat ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften geen parkeerplaatsen gerealiseerd mogen worden op gronden met de bestemming "Groen".

5.1. Anders dan [appellant] stelt, is in laatstvermelde bepaling niet bepaald dat op gronden met de bestemming "Groen" geen parkeerplaatsen gerealiseerd mogen worden. Volgens artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Groen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor parkeervoorzieningen zolang de keur van het waterschap in acht wordt genomen. Hierdoor is het onder voorwaarden toegestaan dat op deze gronden ten behoeve van het appartementencomplex parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid ontheffing kunnen verlenen van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

407-789.