Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2496

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201307328/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307328/1/R4.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Delft,

2. de vereniging Historische Vereniging Delfia Batavorum (hierna: de vereniging), gevestigd te Delft,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Delft,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud te noemen: [appellant sub 4]), wondend te Amsterdam onderscheidenlijk Delft,

en

de raad van de gemeente Delft,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], de vereniging, [appellanten sub 3], en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De vereniging heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 april 2014, waar [appellant sub 1], de vereniging, vertegenwoordigd door [secretaris], [appellanten sub 3], bijgestaan door ir. R. Kunz, [appellant sub 4], in de persoon van [appellant sub 4A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. K.J. de Boer, ir. G.J. van der Harst en ir. L.T. Engelbrecht, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is namens het Flora Theater verschenen A. van Doeveren.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Intrekking

1. Ter zitting hebben [appellanten sub 3] hun beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 3B], ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2. De raad stelt dat de vereniging niet-ontvankelijk is in haar beroep, nu het beroepschrift enkel is ondertekend door de secretaris van de vereniging.

2.1. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de statuten van de vereniging vertegenwoordigt het bestuur de vereniging. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden.

2.2. Het beroepschrift is ondertekend door [secretaris]. Bij nader stuk is een verklaring overgelegd waarbij [secretaris] en [bestuurslid] verklaren dat zij [secretaris] hebben gemachtigd om namens de vereniging een beroepschrift in te dienen. Uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel van 18 september 2013 blijkt dat [secretaris] en [bestuurslid] bestuursleden zijn van de vereniging. Nu de machtiging is verleend door twee gezamenlijk handelende en derhalve vertegenwoordigingsbevoegde bestuursleden bestaat gelet op het bepaalde in artikel 9 van de statuten geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van de vereniging niet-ontvankelijk is.

Inhoudelijk

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. Het plan heeft als doel om een actueel juridisch-planologisch kader te bieden voor de binnenstad van Delft. Het plan is conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 3A]

5. [appellant sub 3A] woont aan de [locatie 1] te Delft. Haar woning is gelegen naast sociëteit het Meisjeshuis aan de Oude Delft 112. Zij kan zich niet verenigen met de bestemming ter plaatse van het Meisjeshuis, alsmede hoofdstuk 7.5.3 van de plantoelichting.

5.1. [appellant sub 3A] voert aan dat de in de plantoelichting opgenomen tekst die betrekking heeft op het Meisjeshuis verschilt met de tekst die aan de gemeenteraad en de commissievergadering is voorgelegd gedurende de ontwerpfase van het plan. [appellant sub 3A] stelt dat de procedure onzorgvuldig is te achten nu niet duidelijk is waarom tekst is toegevoegd.

5.2. De raad stelt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan wijzigingen in het plan kunnen worden aangebracht. De raad heeft aanleiding gezien de planregeling voor het pand van het Meisjeshuis te wijzigen naar aanleiding van naar voren gebrachte zienswijzen. In de plantoelichting is dit toegelicht.

5.3. De Afdeling overweegt dat aan de plantoelichting geen bindende betekenis toekomt, zodat het betoog van [appellant sub 3A] niet kan leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 3A] betoogt dat de met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - cultuurhistorische sociëteit" voor het Meisjeshuis mogelijk gemaakte cultuurhistorische en daaraan gerelateerde horeca-activiteiten ernstige geluidoverlast meebrengen. In dit verband voert zij aan dat het plan ertoe leidt dat de horeca-activiteiten toenemen, doordat de sociëteit niet langer een volledig besloten karakter hoeft te hebben, maar activiteiten van derden mogen plaatsvinden. De toename van horeca-activiteiten is volgens haar in strijd met het beleid van de gemeente om in het woongebied en "Creatief grachtengebied", waartoe het perceel van het Meisjeshuis behoort, horeca-activiteiten in beginsel uit te sluiten, terug te dringen, en zeker niet uit te breiden. [appellant sub 3A] betoogt tevens dat de toename van horeca-activiteiten niet in overeenstemming is met de vergunde situatie. In een in 2004 voor het Meisjeshuis afgegeven bouwvergunning is volgens haar bepaald dat alleen een kantoor en een sociëteit met een besloten karakter en functiegebonden horeca zijn toegestaan. Dit laat volgens haar geen ruimte voor activiteiten van derden en zeker niet voor feesten en partijen met geluidversterking. Voorts betoogt [appellant sub 3A] dat het plan het ten onrechte mogelijk maakt om twaalf maal per jaar incidentele horeca-activiteiten van categorie 2 en 3 te laten plaatsvinden.

6.1. De raad stelt dat in het plan een regeling voor het Meisjeshuis is opgenomen die aansluit bij het vergunde gebruik. Volgens de raad maakt het plan geen verzwaring van horeca-activiteiten mogelijk in vergelijking met de vergunde activiteiten. Het feit dat het plan activiteiten met een ‘semi-besloten’ karakter toestaat in plaats van een besloten karakter en activiteiten ten behoeve van derden niet uitsluit, betekent volgens de raad niet dat de situatie die het plan toestaat wezenlijk verschilt van de vergunde situatie. De raad wijst er daarbij op dat de horeca-activiteiten niet zijn verruimd, maar begrensd tot lichte horeca, nu de horeca-activiteiten zijn beperkt tot maximaal categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten. Daarnaast is alleen een sociëteit mogelijk die zich bezighoudt met horeca-activiteiten en is zelfstandige horeca niet mogelijk. Voorts zijn de activiteiten van deze bijzondere horecavorm limitatief vastgelegd. De raad stelt ten slotte dat de opgenomen functieaanduiding niet in strijd is met zijn beleid, nu het Meisjeshuis een bestaande sociëteit is.

6.2. Aan het perceel van het Meisjeshuis is de bestemming "Gemengd -Creatief grachtengebied" toegekend met, voor zover het de gronden van het gebouw betreft, de functieaanduiding "specifieke vorm van horeca - cultuurhistorische sociëteit".

Ingevolge artikel 11, lid.11.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn de voor "Gemengd - Creatief grachtengebied" aangewezen gronden ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van horeca - cultuurhistorische sociëteit" tevens bestemd voor horeca.

Ingevolge lid 11.4.3, aanhef en onder e, mogen de gronden en bebouwing ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - cultuurhistorische sociëteit" tevens worden gebruikt voor horeca van categorie cultuurhistorische sociëteit van de "Staat van Horeca-activiteiten".

In bijlage 2 bij de planregels is de Staat van Horeca-activiteiten opgenomen. Volgens deze bijlage valt onder de categorie sociëteit "cultuurhistorische sociëteit" een horeca-inrichting die specifiek bedoeld is voor leden van een vereniging of organisatie. Ten behoeve van leden en derden mogen, in een semi-besloten karakter de volgende activiteiten plaatsvinden:

- Culturele, filosofische, maatschappelijke en historische activiteiten;

- Openbare en educatieve dienstverlening.

Er mogen maximaal horeca categorie 1b activiteiten worden uitgeoefend, in een semi-besloten karakter.

Volgens de Staat van Horeca-activiteiten vallen onder categorie 1, welke "lichte horeca" betreft, horecabedrijven die, gelet op hun activiteiten, overwegend overdag en ’s avonds zijn geopend en niet in de nacht. Dit hoofdzakelijk voor de verstrekking van etenswaren, maaltijden en dranken al dan niet in combinatie met het tegen vergoeding verstrekken van logies. Hierdoor veroorzaken zij slechts beperkte hinder voor omwonenden. Binnen deze categorie worden de subcategorieën 1a en 1b onderscheiden. Categorie 1a betreft "Aan de detailhandelsfunctie verwante horeca", zoals een broodjeszaak, cafetaria, lunchroom, ijssalon, enzovoort. Categorie 1b betreft "Overige lichte horeca", zoals een bistro, kookstudio, restaurant, enzovoort.

6.3. Voor het Meisjeshuis is bij besluit van 1 juni 2004 een bouwvergunning verleend. Aan deze bouwvergunning is onder meer als voorschrift verbonden dat in het pand van het Meisjeshuis een kantoor zal worden gevestigd en een sociëteit, met een besloten en functiegebonden horecagebruik. Bij besluit van 7 februari 2011 is voor het Meisjeshuis een vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet voor het uitoefenen van een horecabedrijf. Aan deze vergunning is als voorschrift verbonden dat het aan het Meisjeshuis niet is toegestaan in de inrichting bijeenkomsten te houden van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen. Voorts is aan het Meisjeshuis niet toegestaan deze bijeenkomsten openlijk aan te prijzen.

6.4. Voor zover [appellant sub 3A] heeft betoogd dat de raad met het toestaan van horeca op het perceel van het Meisjeshuis heeft gehandeld in strijd met zijn beleid, overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 7.5.1 van de plantoelichting is vermeld dat horeca in het "Creatief grachtengebied", waarin het perceel van het Meisjeshuis is gelegen, in beginsel wordt uitgesloten, maar dat uitzonderingen die al in het plangebied aanwezig zijn, zijn opgenomen met een specifieke aanduiding. Het Meisjeshuis is een reeds bestaande sociëteit waarvoor een dergelijke specifieke aanduiding is opgenomen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met zijn beleid. Het betoog faalt.

6.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3A] dat als gevolg van de mogelijk gemaakte activiteiten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet is gewaarborgd ter plaatse van haar woning, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de planregels volgt dat in de mogelijk gemaakte sociëteit uitsluitend horeca-activiteiten mogen plaatsvinden die ondergeschikt zijn aan de culturele, filosofische, maatschappelijke en historische activiteiten, en beperkt blijven tot maximaal horeca van categorie 1b. Dit brengt mee, zoals ook de raad ter zitting heeft toegelicht, dat feesten en partijen en geluidversterkte muziek niet zijn toegestaan. Wanneer dergelijke activiteiten niettemin plaatsvinden, kunnen belanghebbenden een verzoek om handhaving indienen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de beperking tot lichte horeca wordt gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Voor zover het plan een sociëteit met een verruimd, semi-besloten, karakter mogelijk maakt, op grond waarvan niet alleen activiteiten ten behoeve van leden, maar ook ten behoeve van derden zijn toegestaan, doet dit daar niet aan af, nu ook in zoverre alleen activiteiten tot en met categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten zijn toegestaan.

Voor zover [appellant sub 3A] betoogt dat het plan het ten onrechte mogelijk maakt om twaalf maal per jaar incidentele horeca-activiteiten van categorie 2 en 3 te laten plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat dienaangaande geen regeling in het plan is opgenomen. In paragraaf 7.5.3 van de plantoelichting heeft de raad gesteld dat bij incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:7 van de Algemene Plaatselijke Verordening Delft (hierna: de APV), die maximaal twaalf maal per jaar mogen plaatsvinden na kennisgeving aan het bevoegd gezag, ruimere grenswaarden zijn toegelaten. Aan de plantoelichting komt geen bindende betekenis toe, zodat het betoog van [appellant sub 3A] in zoverre niet kan leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Voor zover [appellant sub 3A] zich niet kan verenigen met het bepaalde in artikel 4:7 van de APV, kan dit in het onderhavige geding niet aan de orde komen.

Het betoog faalt.

7. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid aan het perceel van het Meisjeshuis de bestemming "Gemengd - Creatief grachtengebied" met, voor zover het de gronden van het gebouw betreft, de functieaanduiding "specifieke vorm van horeca - cultuurhistorische sociëteit", kunnen toekennen.

Het beroep van [appellant sub 1]

8. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2] te Delft. Zijn woning bevindt zich in de directe nabijheid van het Flora Theater aan de Verwersdijk 1. [appellant sub 1] stelt dat in het plan regels dienen te worden opgenomen die de geluidoverlast van het Flora Theater, bestaande uit muziekbastonen binnen het theater en stemgeluid van bezoekers die buiten staan om te roken, beperken.

8.1. De raad stelt dat het Flora Theater een reeds lang bestaande horecaonderneming is. De klachten van [appellant sub 1] over het Flora Theater zijn bij de raad bekend. Dat betekent volgens de raad niet dat hij gehouden is geluidnormen voor Flora Theater in het plan op te nemen. Volgens de raad dient het Flora Theater zich te houden aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

8.2. Aan de gronden van het Flora Theater is de bestemming "Wonen" met functieaanduiding "horeca van categorie 3" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 3" tevens bestemd voor horeca.

Ingevolge lid 18.4.3, aanhef en onder e, mogen de gronden en bebouwing ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 3" tevens worden gebruikt voor horeca van ten hoogste categorie 3 van de "Staat van Horeca-activiteiten".

In de Staat van Horeca-activiteiten is als categorie 3 vermeld "zware horeca". Daaronder vallen bedrijven die voor een goed functioneren ook ’s nachts geopend zijn. Dit hoofdzakelijk voor de verstrekking van dranken al dan niet in combinatie met etenswaren en maaltijden en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich kunnen brengen. Het betreft horecabedrijven als een bar-dancing, discotheek, nachtclub, zalenverhuur enzovoort.

In de Toelichting op de Staat van Horeca-activiteiten wordt voorts vermeld dat deze bedrijven een verkeersaantrekkende werking hebben, met daarmee gepaard gaande hinder op straat en parkeeroverlast.

8.3. In paragraaf 7.5.3 van de plantoelichting is vermeld dat een aantal horecavoorzieningen niet past binnen de algemene toelaatbaarheid en dat deze horecavoorzieningen bij hun activiteiten reeds rekening moeten houden met de aanwezige gevoelige functies. Deze horecavoorzieningen worden via een maatbestemming mogelijk gemaakt. Een maatbestemming houdt in dat bij beëindiging of verplaatsing op de betrokken locatie alleen nog gelijksoortige horeca kan worden gevestigd, of een horecavoorziening die past binnen de algemene toelaatbaarheid.

8.4. Het Flora Theater betreft een bestaande inrichting die in het plan op basis van een maatbestemming mogelijk wordt gemaakt.

De raad heeft ter zitting gesteld dat de Omgevingsdienst Haaglanden naar aanleiding van de klachten van [appellant sub 1] een geluidonderzoek heeft verricht ter plaatse van het Flora Theater. Uit dit onderzoek is volgens de raad naar voren gekomen dat de activiteiten van het Flora Theater met de daar geïnstalleerde limiter kunnen voldoen aan de normen van het Activiteitenbesluit en geen onaanvaardbare geluidhinder opleveren. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bevindingen onjuist zijn. Volgens de raad zijn nadien geen klachten over geluidoverlast van het Flora Theater bij het gemeentebestuur bekend geworden.

Wat betreft het stemgeluid van buiten aanwezige bezoekers van het Flora Theater overweegt de Afdeling dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat vanwege de geluidbelasting ter plaatse van een woning betekenis toekomt aan alle relevante geluidbronnen, waaronder het stemgeluid van buiten aanwezige bezoekers. De raad heeft gesteld dat een rokersruimte in het pand niet mogelijk is gelet op de beperkingen die de historische staat van het pand met zich brengt. Door of namens de eigenaar wordt erop toegezien dat bezoekers die buiten aanwezig zijn zich rustig gedragen. Als niettemin overlast optreedt is volgens de raad handhaving mogelijk op grond van de APV, waarbij de raad er mede op wijst dat de APV het nuttigen van drank aldaar verbiedt. De Afdeling acht het gelet hierop niet aannemelijk dat zodanige geluidoverlast van buiten aanwezige bezoekers zal optreden dat de raad er niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien daarvoor een regeling in het plan te treffen.

Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het plan ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 4]

9. Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen het bouwvlak voor het perceel Breestraat 2 te Delft. Op de verbeelding is volgens haar bij de achtergevel van dit perceel ten onrechte een stuk tuin opgenomen waar bebouwing, namelijk een onderdeel van een entreehal, aanwezig is. [appellant sub 4] stelt dat de verbeelding op dit punt moet worden aangepast.

9.1. De raad stelt dat voor de situering van het bouwvlak op de verbeelding is uitgegaan van het hoofdgebouw. De door [appellant sub 4] genoemde entreehal valt volgens de raad onder de definitie van ‘aan- en uitbouw’ en is dus volgens de raad als zodanig bestemd.

9.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.3, van de planregels wordt in dit plan onder aan- en uitbouw verstaan een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw op de begane grond dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

9.3. Aan het perceel Breestraat 2 is de bestemming "Gemengd-Creatief grachtengebied" toegekend.

Ingevolge artikel 11, lid 11.2.2, van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak de algemene bouwregels van artikel 26 van de planregels en onder meer de volgende bepalingen:

a. aan- en uitbouwen mogen worden gebouwd op het achtererf en op het zijerf, waarbij de afstand met de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw ten minste 1 m bedraagt;

b. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw bedragen vermeerderd met 0,4 m;

c. de diepte van aan- en uitbouwen mag maximaal 3,5 m bedragen.

Ingevolge artikel 26, lid 26.1, onder a, zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak".

9.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de desbetreffende bebouwing is aan te merken als aanbouw, nu deze bebouwing in bouwkundig opzicht is te onderscheiden van het hoofdgebouw waarmee het functioneel is verbonden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de aanbouw niet als zodanig is bestemd. Voor zover [appellant sub 4] ter zitting heeft gesteld dat zij beschikt over een omgevingsvergunning voor een verbouwing van de aanbouw, welke verbouwing binnen dit plan niet meer kan worden verwezenlijkt, heeft [appellant sub 4] dit niet nader onderbouwd. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van de vereniging

10. Het beroep van de vereniging is gericht tegen de in artikel 28, lid 28.1, onder a, aanhef en sub 5, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid. De vereniging voert aan dat de "gladde wanden" van (een groot aantal van) de stegen in de binnenstad van Delft van dermate belangrijke historische waarde zijn dat aan- en uitbouwen en/of overbouwingen in deze stegen onmogelijk moeten worden gemaakt. Voorts behoort volgens de vereniging de afweging waar en in welke stegen beperkingen op aan- en uitbouwen dan wel overbouwing zouden moeten gelden te worden gemaakt op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld en niet incidenteel op ambtelijk/collegeniveau bij het toetsen en beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning. De vereniging wijst op de Nota Inspraak en Overleg van 26 april 2012 waarin dit volgens haar wordt onderkend. De vereniging stelt verder dat de maximaal toelaatbare afmetingen van aan- en uitbouwen te ruim zijn.

10.1. De raad erkent dat de gladde wanden in de stegen een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. De raad stelt dat dit echter niet betekent dat ondergeschikte bouwdelen nooit kunnen worden toegestaan en daarvoor geen afwijkingsbevoegdheid mag worden opgenomen. Gelet op het zeer diverse karakter van de stegen hoeft overschrijding van de bouw- en bestemmingsgrenzen volgens de raad niet overal tot aantasting van cultuurhistorische waarden te leiden. Voor een volledig verbod op overschrijding van deze grenzen bestaat volgens de raad dan ook geen reden. De raad stelt in dit verband dat in artikel 28, lid 28.1, onder b, van de planregels is gewaarborgd dat geen onevenredige aantasting van cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden plaatsvindt. Het valt volgens de raad niet in te zien waarom een dergelijke afweging niet gemaakt kan worden bij het indienen van een concreet bouwplan in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag. Juist bij een concreet bouwplan kan worden beoordeeld of het bouwplan leidt tot aantasting van cultuurhistorische waarden. De raad stelt tevens dat niet valt in te zien dat de in artikel 28, lid 28.1, van de planregels genoemde maat van 1,20 m te ruim is.

10.2. Ingevolge artikel 28, lid 28.1, onder a, aanhef en sub 5, van de planregels kan het bevoegd gezag - tenzij op grond van hoofdstuk 2 terzake reeds een omgevingsvergunning kan worden verleend - bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor overschrijding van aangegeven grenzen van bestemmingen en/of bouwvlakken, door luifels, erkers, balkons, bordessen, pergola’s en andere bouwdelen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,20 m.

Ingevolge lid 28.1, onder b, kan van deze afwijkingsbevoegdheid slechts gebruik worden gemaakt, indien onderbouwd wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;

b. de stedenbouwkundige kwaliteit;

c. de cultuurhistorische waarden;

d. en de verkeersafwikkeling ter plaatse.

10.3. Voor het toepassen van de bestreden afwijkingsbevoegdheid geldt als voorwaarde onder meer dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden en van de stedenbouwkundige kwaliteit. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarmee het behoud van de "gladde wanden" niet voldoende wordt gewaarborgd. Voorts heeft de vereniging niet onderbouwd dat de maximaal toelaatbare afmetingen van aan- en uitbouwen te ruim zijn te achten. De Afdeling ziet gelet hierop geen grond voor het oordeel dat de raad de bestreden afwijkingsbevoegdheid niet in het plan heeft mogen opnemen. Het betoog faalt.

11. De beroepen zijn ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

271-817.