Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2491

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201306909/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Dalfsen 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306909/2/R1.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Dalfsen,

en

de raad van de gemeente Dalfsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Dalfsen 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [partijen] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door E.H. Vugteveen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partijen] als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 15 januari 2014, nr. 201306909/1/R1, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van

27 mei 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 14 april 2014 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Kern Dalfsen 2012" opnieuw vastgesteld.

[appellante] is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van de Woonstichting Vechthorst afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201306909/3/R1.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in 4.6 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 27 mei 2013 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Zij heeft overwogen dat de raad niet heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van het oprichten van aangebouwde bijgebouwen binnen een afstand van 10 m tot het perceel [locatie A] voor de bedrijfsvoering van [appellante].

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellante] gegrond. Het besluit van 27 mei 2013 dient te worden vernietigd wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie B], voor zover het betreft de gronden die niet zijn aangeduid als "bouwvlak".

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van overweging 4.6 alsnog onderzoek te verrichten naar de gevolgen van bewoning van aangebouwde bijgebouwen voor de exploitatiemogelijkheden van het hotel-restaurant en aan de hand van de resultaten van dat onderzoek toereikend te motiveren waarom een afwijking van de richtafstand van 10 m niet zal leiden tot een onaanvaardbare beperking van de bedrijfsvoering van [appellante], dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 14 april 2014 het bestemmingsplan "Kern Dalfsen 2012" opnieuw vastgesteld. Daarbij heeft hij de planregeling voor het perceel [locatie B] gewijzigd ten opzichte van het besluit van 27 mei 2013. De raad heeft voorzien in de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken uitgesloten" voor een gedeelte van het perceel [locatie B]. Deze aanduiding is toegekend aan de gronden van het perceel die binnen een afstand van 10 m tot het perceel [locatie A] zijn gesitueerd. Tevens is artikel 38 van de planregels gewijzigd. In samenhang bezien hebben deze wijzigingen tot gevolg dat op de gronden waaraan genoemde aanduiding is toegekend, aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet in gebruik mogen worden genomen voor bewoning.

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

6. De raad is met het besluit van 14 april 2014 geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellante]. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, is daarom geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 14 april 2014 waarbij de raad het bestemmingsplan "Kern Dalfsen 2012" opnieuw heeft vastgesteld.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Dalfsen van 27 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Dalfsen 2012" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dalfsen van 27 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Dalfsen 2012", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie B], voor zover het betreft de gronden die niet zijn aangeduid als "bouwvlak";

III. veroordeelt de raad van de gemeente Dalfsen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 60,18 (zegge: zestig euro en achttien cent);

IV. gelast dat de raad van de gemeente Dalfsen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

410-739.