Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201306603/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:4434, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het CBR geweigerd [appellant] een verklaring van geschiktheid te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306603/1/A1.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2013 in zaak nr. 13/316 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, thans de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het CBR geweigerd [appellant] een verklaring van geschiktheid te verlenen.

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 1 oktober 2012 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 14 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2014, waar het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 oktober 2012 ten grondslag gelegd dat uit bij het CBR bekende gegevens blijkt dat [appellant] in Duitsland is gelast om, onder meer vanwege een aanhouding in het verkeer onder invloed van alcohol, mee te werken aan een medisch psychologisch onderzoek en dat hij daaraan geen medewerking heeft verleend. Deze gegevens leiden, naar het CBR stelt, tot een vermoeden van ongeschiktheid dat nader moet worden onderzocht met een psychiatrisch onderzoek als bedoeld in artikel 101, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement). Nu [appellant] telefonisch heeft medegedeeld dat hij hier niet aan mee wil werken, kan niet worden vastgesteld of [appellant] voldoet aan de geschiktheidseisen, zodat de verklaring met toepassing van artikel 103 van het Reglement, gelezen in samenhang met paragraaf 8.8 van de bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 behorende bijlage, is geweigerd, aldus het CBR.

2. De rechtbank heeft overwogen dat uit de Nota van toelichting op artikel 101, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement (Stb. 2000, 229) volgt, dat dit artikel tevens ziet op de situatie dat het CBR op basis van gegevens, afkomstig van het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, kennis draagt van het feit dat de aanvrager niet aan de geschiktheidseisen voldoet. Daarbij dient, aldus de rechtbank, te worden gedacht aan gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, van de juistheid waarvan het CBR in beginsel op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de uitspraken van het Amtsgericht Papenburg van 4 november 1999 en het Landgericht Osnabrück van 27 maart 2000 en het besluit van de Landskreis Emsland van 16 februari 2001 gegevens zijn als bedoeld in de Nota van toelichting, zodat het CBR deze gegevens aan de weigering ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit deze gegevens heeft het CBR, aldus de rechtbank, ten aanzien van [appellant] een vermoeden van geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen kunnen afleiden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte en in strijd met de artikelen 6 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft geweigerd hem toe te staan ter zitting op 28 mei 2013 beeld- en/of geluidopnames te maken, hem kosteloos te doen bijstaan door een tolk en hem inzage in relevante dossiers te verlenen en bovendien onwettige middelen heeft gebruikt. Voorts heeft de rechtbank in strijd met voornoemde artikelen de feiten en omstandigheden verdraaid waardoor een onjuist beeld van hem is ontstaan. Verder heeft de rechtbank miskend dat het CBR de uitspraak van het Landgericht Osnabrück wegens tijdsverloop en onverbindendheid niet bij haar besluit heeft mogen betrekken, hetgeen naar hij stelt strijd met de artikelen 2, 6 en 14 van het EVRM, artikel 103 van de Duitse Grondwet, §331 van de Strafprozeßordnung, artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM, zoals gewijzigd bij het Elfde Protocol, artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna: Schengenuitvoeringsovereenkomst) en artikel 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof oplevert. Ten onrechte en in strijd met de artikelen 6 en 14 van het EVRM heeft de rechtbank bovendien miskend dat het CBR geen toepassing heeft gegeven aan de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling), aldus [appellant]. Voorts heeft de rechtbank naar hij stelt ten onrechte en in strijd met die artikelen de Nota van toelichting bij haar oordeel betrokken, nu deze dateert van na de veroordeling.

3.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Het recht zich kosteloos te laten bijstaan door een tolk is in het derde lid van dat artikel toegekend aan een ieder tegen wie vervolging is ingesteld. Door het betreffende verzoek van [appellant] af te wijzen heeft de rechtbank, nu in deze procedure geen vervolging aan de orde is, niet in strijd gehandeld met voornoemd artikellid. Voorts is in de omstandigheid dat de rechtbank het verzoek van [appellant] om ter zitting van de rechtbank beeld- en/of geluidopnames te maken heeft afgewezen, geen aanleiding gelegen voor het oordeel dat de rechtbank zijn recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak als bedoeld in het eerste lid van dat artikel heeft geschonden. Bovendien is niet gebleken van stukken die wel in het dossier zijn opgenomen, maar niet aan [appellant] zijn overgelegd. De stelling van [appellant] dat de rechtbank in strijd met dat artikel onwettige middelen heeft gebruikt, kan reeds nu [appellant] deze stelling niet nader heeft onderbouwd, geen doel treffen. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in strijd is met artikel 2 van het EVRM. Niet valt in te zien dat de weigering een verklaring van geschiktheid te verlenen in strijd is met het in artikel 2 van dat verdrag beschermde recht op leven. Nu de aangevallen uitspraak buiten de sfeer van artikel 2 van het EVRM valt, is een schending van het in artikel 14 van het EVRM opgenomen recht op genot van de rechten en vrijheden van dat verdrag zonder enig onderscheid, niet aan de orde. Daar de aangevallen uitspraak niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM, en [appellant] geen overtuigende argumenten heeft aangevoerd dat hij niettemin zodanig ongelijk behandeld is ten aanzien van het recht op een eerlijk proces dat artikel 14 juncto artikel 6 van het EVRM geschonden is, faalt ook dit betoog. Evenmin heeft [appellant] genoegzaam onderbouwd waarom de uitspraak van het Landgericht Osnabrück onjuist of niet meer geldend zou zijn. In de enkele omstandigheid dat deze dateert van 27 maart 2000, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het CBR het vermoeden van geestelijke ongeschiktheid van [appellant] tot het besturen van motorrijtuigen, daar niet op heeft mogen baseren. Het betoog biedt in zoverre dan ook geen grond voor het oordeel dat is gehandeld in strijd met de door [appellant] in dit verband genoemde artikelen van het EVRM, de Schengenuitvoeringsovereenkomst en het Statuut van Rome. Voor zover hij in dit verband een beroep doet op Duits recht, wordt overwogen dat dit recht niet op dit geschil van toepassing is. De Regeling is evenmin op het onderhavige geschil van toepassing, zodat reeds daarom ook het niet toepassen daarvan geen strijd met de door [appellant] genoemde artikelen oplevert. De Nota van toelichting waarnaar de rechtbank verwijst, is voor het besluit van 1 oktober 2012 op 22 mei 2000 gepubliceerd, zodat deze door de rechtbank bij haar oordeel mocht worden betrokken. Hetgeen [appellant] in dat verband betoogt, faalt derhalve evenzozeer.

Gelet op het voorgaande is in het betoog van [appellant] geen aanleiding gelegen om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

414-713.