Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201307936/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Dalfsen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307936/1/R1.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

2. [appellant sub 2], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

3. [appellant sub 3], wonend te Dalfsen,

en

de raad van de gemeente Dalfsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Dalfsen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende] en anderen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door G.H.J. Jagers, [appellant sub 2], [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. G.A.M. Jongbloed, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door L.B. van Dam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

2. Het beroep van [appellant sub 1] voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 3, lid 3.2.1, onder e, en lid 3.2.2, aanhef en onder c, van de planregels over de hoogte van de bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

3. [appellant sub 1] voert aan dat het plan onvoldoende waarborgen biedt tegen de effecten van waterberging op de agrarische bedrijfsuitoefening op zijn perceel. Het is onduidelijk of het plan een duldplicht oplegt voor het bergen van water. Hij verwijst in dit verband mede naar de dubbelbestemming "Waterstaat-waterbergingsgebied". Zijn agrarische bedrijfsvoering komt in gevaar door het mede bestemmen voor waterhuishouding. Er bestaat risico op slachtoffers door watervervuiling en ongelukken. Voorzieningen om schade te beperken ontbreken in de regels. Evacuatie van vee en machines gaat een groot probleem worden, aldus [appellant sub 1]. Het begrip "dijkringen" ontbreekt ten onrechte in de begripsbepalingen. Voorts verwijst [appellant sub 1] naar de functiekaart Water in de plantoelichting. Er is volgens hem een discrepantie tussen deze kaart en de verbeelding.

3.1. De raad stelt dat de door [appellant sub 1] aangehaalde regeling in de planregels voor de dubbelbestemming "Waterstaat-waterbergingsgebied" slechts betrekking heeft op de daarvoor aangewezen gronden op de bij het plan behorende verbeelding. Het gaat om het aangegeven gebied ten westen van Dalfsen. De dubbelbestemming ligt niet op gronden waar [appellant sub 1] eigenaar van is of waarbij hij op een andere wijze belanghebbende is. Voor zover [appellant sub 1] ingaat op eventuele gevolgen van wateroverlast in overstromingssituaties is sprake van een calamiteit die niet in het plan regeling vindt. De raad stelt dat het plan het mogelijk maakt om gronden met de bestemming "Agrarisch" ook te gebruiken voor de waterhuishouding. Daarvoor is instemming vereist van de eigenaar.

3.2. Aan het perceel [locatie 1] te Nieuwleusen is in het plan de bestemming "Agrarisch" toegekend.

3.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

n. de waterhuishouding;

[…]

3.4. De Afdeling overweegt dat aan het perceel van [appellant sub 1] niet mede de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterwinningsgebied" is toegekend. Binnen de bestemming "Agrarisch" is niet mede de functie waterberging mogelijk gemaakt. De vrees van [appellant sub 1] dat zijn gronden zullen worden gebruikt voor het bergen van water mist feitelijke grondslag. Voorts heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat gebruik van zijn perceel voor waterhuishouding nadelige gevolgen heeft voor zijn bedrijfsvoering. Daarbij is van belang dat voor dergelijk gebruik instemming van de eigenaar is vereist. Voor zover [appellant sub 1] de gevolgen vreest van overstromingen voor have en goed, behoefde de raad daarvoor in het bestemmingsplan niet in regels te voorzien. Ook heeft de raad het begrip "dijkringen" niet hoeven definiëren in de planregels, nu dit begrip in de planregeling niet wordt gehanteerd. [appellant sub 1] heeft met zijn verwijzing naar voormelde functiekaart niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid de verbeelding heeft kunnen vaststellen zoals hij heeft gedaan. Hetgeen [appellant sub 1] overigens heeft aangevoerd, geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het plan in zoverre heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

4. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 1] voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] richt zich tegen het plandeel voor zijn perceel [locatie 2] te Nieuwleusen. Hij wenst handhaving van de agrarische bestemming voor dit perceel, teneinde zijn plannen tot wijziging van de bedrijfsvoering te kunnen verwezenlijken. Volgens hem kunnen die wijzigingen plaatsvinden in de loop van 2014 en 2015, na de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst met zijn buurman De Jong en zodra de benodigde vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is verleend. Sinds 2006 zijn steeds minimaal 15 merries en twee hengsten aanwezig geweest. De beoogde bedrijfsontwikkeling behelst het houden van 164 melkkoeien, 120 stuks vrouwelijk jongvee, 15 paarden en 15 opfokpaarden, waarvoor onder andere twee stallen moeten worden gebouwd. De planregeling voor zijn perceel staat, aldus [appellant sub 2], aan de verwezenlijking daarvan in de weg.

5.1. De raad stelt dat hij bij zijn besluitvorming is uitgegaan van de toekomstplannen die [appellant sub 2] in zijn zienswijze heeft gepresenteerd. Er was op dat moment sprake van een beperkte bedrijvigheid die niet meer de uitstraling heeft van een volwaardig toekomstgericht agrarisch bedrijf en waarbij de bestaande bebouwing voldoende is om de in de zienswijze geschetste plannen uit te voeren, in verband waarmee een aanduiding voor het houden van vee is opgenomen. In het beroepschrift geeft [appellant sub 2] een andere weergave van zijn toekomstplannen. De gewijzigde plannen van [appellant sub 2] met zijn perceel zijn in een zeer laat stadium ingediend, zodat daarop bij de vaststelling van het plan geen acht meer kon worden geslagen, nog daargelaten de haalbaarheid van die plannen, aldus de raad.

5.2. Het plan voorziet voor het perceel [locatie 2] te Nieuwleusen in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij".

5.3. Ingevolge artikel 27, lid 27.1, onder e, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor de activiteit veehouderij tot de bestaande oppervlakte, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij",

5.4. In zijn zienswijze staat dat [appellant sub 2] sinds 2006 een samenwerkingsovereenkomst heeft met de paardenfokker D. de Jong en dat op de locatie is geïnvesteerd in een buitenbak en voer- en mestopslag. Ook zijn in de ligboxenstal grote groepshokken gemaakt. Naast de huiskavel is een veldkavel gehuurd aan de Wethouder Bijkersweg. Er zijn 17 merries en twee hengsten aanwezig. Voorts staat in de zienswijze dat bij afloop van de samenwerkingsovereenkomst zal worden bezien of deze zal worden voortgezet. [appellant sub 2] vermeldt ook dat zijn zoon na het voltooien van zijn opleiding samen met hem een vleesveetak wil ontwikkelen op de locatie en/of jongvee gaan opfokken in samenwerking met een melkveehouderij aan het Oosteinde te Nieuwleusen.

In de reactie op de zienswijze is aangegeven dat tijdens een controlebezoek op het perceel geen agrarische activiteiten zijn geconstateerd. De uitstraling is ook niet meer die van een volwaardig agrarisch bedrijf. Omdat wel duidelijk is dat op meer dan hobbymatige omvang nog paarden op het perceel gestald worden, wordt het ontwerp aangepast in die zin dat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij" aan het perceel wordt gegeven. Hiermee blijft het houden van vee binnen de bestaande omvang van de bebouwing mogelijk. Wel moet indiener hiervoor voldoen aan de wettelijke eisen, onder andere wat betreft milieu.

5.5. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een agrarische bestemming voor het perceel van [appellant sub 2] niet gerechtvaardigd is en dat wat agrarische activiteiten betreft kan worden volstaan met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij". De raad mocht zich bij de vaststelling van het plan baseren op de situatie ter plaatse waarvan bij de beantwoording van de zienswijze is uitgegaan. Met de aanduiding is, zo heeft de raad ter zitting bevestigd, het houden van paarden ter plaatse mogelijk gemaakt. Voor zover [appellant sub 2] in zijn zienswijze wijst op mogelijke toekomstige ontwikkelingen, betreft het geen zodanig concrete plannen dat de raad daarop acht had behoren te slaan. Dat in verband met ontwikkelingsplannen voor het perceel op 21 juni 2013, drie dagen voor de vaststelling van het plan, een milieumelding is gedaan bij de gemeente Dalfsen, betekent niet dat de raad met die plannen rekening had behoren te houden.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

7. [appellant sub 3] betoogt dat de raad, hoewel de raad in een afzonderlijke procedure wil overwegen om de woning aan de [locatie 3] te Dalfsen als plattelandswoning aan te merken, in het kader van de actualisering ten onrechte heeft afgezien van het opnemen van een bestemming ter zake.

7.1. De raad heeft zich in het kader van de vaststelling van het plan op het standpunt gesteld dat, na een grondige afweging van de betrokken belangen, de mogelijkheden voor het toekennen van de status "plattelandswoning" in het buitengebied van de gemeente kunnen worden overwogen, ook met betrekking tot het perceel [locatie 3]. De raad heeft er vanaf gezien om in het plan een regeling voor plattelandswoningen op te nemen, omdat het college van burgemeester en wethouders had toegezegd nog in 2013 voor de gehele gemeente met een gemotiveerd voorstel ter zake te komen, waarover de raad afzonderlijk zal besluiten. De raad verwacht dat er na deze besluitvorming voor [appellant sub 3] een oplossing is. Ter zitting heeft de raad verwezen naar het ontwerp van het bestemmingsplan "4e herziening bestemmingsplan Buitengebied gemeente Dalfsen, Plattelandswoningen", waarin de woning [locatie 3] is opgenomen met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning", dat van 15 mei tot en met 26 juni 2014 ter inzage ligt. De verwachting is dat de raad de herziening op 22 september 2014 zal vaststellen.

7.2. Aan de percelen [locatie 3] en [locatie 4] is de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van glastuinbouwbedrijven;

[…]

Ingevolge lid 4.2 mogen op de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

7.3. De Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen) (Stb. 2012, 493) (hierna: de Wet plattelandswoningen) is in werking getreden op 1 januari 2013.

Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

7.4. Op het perceel [locatie 3] bevindt zich een woning die is opgericht als bedrijfswoning bij het aan de [locatie 4] gevestigde glastuinbouwbedrijf.

In 2000 is het bedrijf verkocht. [appellant sub 3] is in de woning blijven wonen.

7.5. Naar het oordeel van de Afdeling had de raad, nu de Wet plattelandswoningen op 1 januari 2013 in werking is getreden, in het kader van de vaststelling van het plan wat de planologische status van de woning op het perceel [locatie 3] betreft rekening dienen te houden met de Wet plattelandswoningen. De omstandigheid dat ten tijde van de vaststelling van het plan een afzonderlijk besluitvormingstraject was aangekondigd voor het toekennen van de status van plattelandswoning aan woningen in het buitengebied van de gemeente maakt dat niet anders. Gelet op de datum van inwerkingtreding van de Wet plattelandswoningen valt immers niet in te zien dat ter zake van die toekenning in het kader van de vaststelling van het plan wat betreft de woning op het perceel [locatie 3] geen beslissing kon worden genomen. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid genomen. Het betoog slaagt.

8. [appellant sub 3] voert aan dat niet blijkt waarop de maatvoering voor de gronden aan de [locatie 3] en [locatie 4] betrekking heeft. Op de verbeelding is de maatvoeringsaanduiding "2" opgenomen. Indien dit ziet op het aantal mogelijke bedrijfswoningen dan is in de planregels ten onrechte ten hoogste één bedrijfswoning per glastuinbouwbedrijf toegestaan, aldus [appellant sub 3].

8.1. De raad stelt dat [appellant sub 3] terecht betoogt dat niet duidelijk is waar de maatvoeringsaanduiding "2" voor de als "Agrarisch-Glastuinbouw" bestemde gronden aan de [locatie 3] en [locatie 4] betrekking op heeft. Per abuis is in de planregels niet opgenomen dat per agrarisch bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning mag worden gebouwd, met daaraan toegevoegd dan wel het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding "aantal", hetgeen wel de bedoeling was. Dit zal in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan "4e herziening bestemmingsplan Buitengebied gemeente Dalfsen, Plattelandswoningen" worden gerepareerd.

8.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, onder a, van de planregels mag per glastuinbouwbedrijf ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd.

8.3. De Afdeling overweegt dat het plan onduidelijk is over het toegestane aantal bedrijfswoningen binnen het plandeel voor de percelen [locatie 3] en [locatie 4]. Enerzijds is op de verbeelding voor dat plandeel een maatvoeringsaanduiding "2" opgenomen en anderzijds is in de planregels bepaald dat ten hoogste één bedrijfswoning mag worden gebouwd. De raad heeft in zoverre in strijd gehandeld met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt.

9. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 3] gegrond. Het besluit van 24 juni 2013, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor de percelen [locatie 3] en [locatie 4], dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en het beginsel van de rechtszekerheid te worden vernietigd.

Proceskosten

10. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 3]. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 3, lid 3.2.1, onder e, en lid 3.2.2, aanhef en onder c, van de planregels niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 3] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dalfsen van 24 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Dalfsen" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor de percelen [locatie 3] en [locatie 4];

IV. draagt de raad van de gemeente Dalfsen op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige en het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Dalfsen tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Dalfsen aan [appellant sub 3] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

91.