Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201307927/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Graan voor Visch Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
H.J. de Vries annotatie in TBR 2014/134

Uitspraak

201307927/1/R1.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en anderen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid W&W International Holding B.V., gevestigd te Veenendaal, en anderen,

3. de vereniging Vereniging Parkmanagement Bedrijvenpark de President, gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Graan voor Visch Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen, W&W en anderen en de vereniging beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en anderen, W&W en anderen en de vereniging hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2014, waar [appellante sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat, advocaat te Houten, W&W en anderen, vertegenwoordigd door mr. B.H.M. Karens, advocaat te Eden, de vereniging, vertegenwoordigd door R.A.F. ten Bok, A.J.P. van der Horst en W. van der Hoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, ing. G.J. Beijer, ir. T.W.C. Wetering, mr. H. Grootveld-Teune, J.N. Jonker, E. Blijleven en M. van Beek, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel planologisch kader voor het bedrijventerrein Graan voor Visch Zuid.

3. Ter zitting hebben [appellante sub 1] en anderen en de vereniging de beroepsgronden omtrent externe veiligheid ingetrokken. De vereniging heeft voorts de beroepsgrond dat ten onrechte geen bouwvlak is opgenomen voor de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid "wro-zone - wijzigingsgebied 2" is toegekend ter zitting ingetrokken.

Formele bezwaren

4. De vereniging voert aan dat in de publicatie van het plan in de Staatscourant ten onrechte staat vermeld dat de raad een amendement heeft aangenomen. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het motorbrandstofverkooppunt met lpg

5. De beroepen van [appellante sub 1] en anderen en de vereniging zijn gericht tegen de wijzigingsbevoegdheid "wro-zone - wijzigingsgebied 2" die aan de gronden op de hoek van de Bennebroekerweg en de Spoorlaan is toegekend. Zij betogen dat de wijzigingsbevoegdheid, die onder meer een brandstofverkooppunt mogelijk maakt, voorziet in te ruime mogelijkheden. In dit verband voeren zij aan dat het plan is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De vereniging wijst er op dat een verzoek om op het bedrijventerrein de President een motorbrandstofverkooppunt te realiseren is afgewezen.

5.1. De raad heeft uiteengezet dat de wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen ten behoeve van een bedrijfsverplaatsing. De locatie ter plaatse van het bedrijventerrein de President waarvoor een verzoek tot het vestigen van een motorbrandstofverkooppunt is gedaan, betrof volgens de raad een andere situatie. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

5.2. Aan de gronden op de hoek van de Bennebroekerweg en de Spoorlaan is de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" toegekend.

Ingevolge artikel 23 van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders uitsluitend ten behoeve van een prioritaire verplaatsing van een verkooppunt voor motorbrandstoffen dat elders in Haarlemmermeer is gevestigd, ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsbevoegdheid 2" de bestemmingen geheel of gedeeltelijk wijzigen in de bestemmingen "Bedrijf- Garage en Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg" en/of de functieaanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen met lpg, wasstraten bij deze bestemming/functies inbegrepen", alsmede "Groen", "Verkeer", "Water" en "Veiligheidszone -lpg", met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de plaats van het vulpunt, de tank en de afleverzuil ten behoeve van de lpg wordt zodanig gekozen dat de hiermee samenhangende veiligheidszones voor plaatsgebonden risico, met uitzondering van de zuidwestgrens van het wijzigingsgebied voor de grootste veiligheidszone, binnen de grenzen van de zuidwestgrens van het wijzigingsgebied voor de grootste veiligheidszone, binnen de grenzen van het wijzigingsgebied vallen, dan wel hiermee samen vallen;

b. binnen de veiligheidszone plaatsgebonden risico en binnen de groepsrisico-contour, voor zover deze laatste binnen het wijzigingsgebied valt, worden geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten geprojecteerd;

c. de oppervlakte van de bestemming "Bedrijf- Garage en Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg" en/of de functieaanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen met lpg" is maximaal 12.000 m² en het bebouwd oppervlak, met inbegrip van luifels, maximaal 7200 m²;

d. de bouwhoogte van gebouwen is maximaal 14 m, met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen, waaronder de luifel, maximaal 20 m hoog mogen zijn;

e. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde is maximaal 8 m, met uitzondering van terrein- en erfafscheidingen die maximaal 2 m hoog mogen zijn en reclamemasten die een bouwhoogte van maximaal 23 m mogen hebben;

f. het verkooppunt voor motorbrandstoffen en het garagebedrijf worden tezamen op twee locaties ontsloten op de Spoorlaan;

g. indien uit verkeerskundig onderzoek blijkt dat dit mogelijk is wordt ruimte gereserveerd voor een extra afslag vanaf de Bennebroekerweg naar het motorbrandstoffenverkooppunt.

5.3. Over de door [appellante sub 1] en anderen en de vereniging gemaakte vergelijking met een verzoek om op het bedrijventerrein De President een tankstation te realiseren, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de gronden op het bedrijventerrein de President uit ruimtelijk oogpunt minder geschikt zijn voor een tankstation. De locatie op het bedrijventerrein de President is, anders dan de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend, in het inventarisatie- en locatieonderzoek motorbrandstofverkooppunten van oktober 2008 niet aangemerkt als een potentieel geschikte locatie voor een motorbrandstofverkooppunt met LPG. In hetgeen [appellante sub 1] en anderen en de vereniging hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 1] en anderen en de vereniging genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

De beroepsgronden van [appellante sub 1] en anderen voor het overige

6. [appellante sub 1] en anderen betogen voorts dat er geen noodzaak bestaat voor de wijzigingsbevoegdheid. In dit verband voeren zij aan dat Benelite, de exploitant van de beoogde herplaatsingslocatie, de brandstofactiviteiten heeft verkocht aan Amigo.

6.1. De raad heeft uiteengezet dat binnen de gemeente Haarlemmermeer beleid is ontwikkeld om motorbrandstofverkooppunten die overlast veroorzaken of door externe veiligheid ruimtelijke ontwikkelingen bemoeilijken, te verplaatsen naar meer geschikte locaties. De onderhavige locatie is volgens de raad een geschikte locatie om één van de bestaande verkooppunten te vestigen.

6.2. In de nota Locaties motorbrandstofverkooppunten is bezien welke motorbrandstofverkooppunten binnen de gemeente vanwege onder meer externe veiligheid ruimtelijke ontwikkelingen tegenhouden of milieuoverlast veroorzaken. Voorts is onderzocht welke locaties binnen de gemeente uit ruimtelijk oogpunt geschikt zijn voor de vestiging van een motorbrandstofverkooppunt. In de nota zijn tien exploitanten van motorbrandstofverkooppunten geprioriteerd om het bedrijf vrijwillig te herplaatsen, waarbij de bestaande locatie wordt gesaneerd.

In de plantoelichting staat vermeld dat de raad beoogt het motorbrandstofverkooppunt van Benelite aan de Burgemeester Pabstlaan naar de locatie in het plangebied te verplaatsen. Dit is één van de locaties die volgens de nota verplaatsingsprioriteit heeft. Volgens de nota staat het motorbrandstofverkooppunt dicht op bestaande bebouwing en veroorzaakt het daarom geluid- en verkeersoverlast. Daarnaast belemmert het verkooppunt ruimtelijke ontwikkelingen. De omstandigheid dat het motorbrandstofverkooppunt thans door een andere exploitant wordt geëxploiteerd doet aan het vorenstaande niet af. Bovendien zijn in de nota andere motorbrandstofverkooppunten genoemd die mogelijk naar het plangebied kunnen worden verplaatst. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wijzigingsbevoegdheid noodzakelijk is. Het betoog faalt.

7. Daarnaast voeren [appellante sub 1] en anderen aan dat, anders dan door de raad is beoogd, geen sprake zal zijn van ondergeschikte detailhandel, omdat de winkel zal worden geëxploiteerd door een ander bedrijf dan het bedrijf dat het brandstofverkooppunt zal exploiteren.

7.1. De raad heeft uiteengezet dat uitsluitend aan het motorbrandstofverkooppunt ondergeschikte detailhandel zal zijn toegelaten, nu binnen de bestemming "Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg" uitsluitend ondergeschikte detailhandel mag worden uitgevoerd.

7.2. Uit artikel 23 van de planregels volgt dat de thans geldende bestemmingen onder meer kunnen worden gewijzigd in "Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg". Vaststaat dat de wijzigingsbevoegdheid niet voorziet in de mogelijkheid de bestemmingen te wijzigen in een zelfstandige detailhandelsbestemming. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat ten aanzien van het toegelaten gebruik dient te worden aangesloten bij de in het plan ten behoeve van de bestemming "Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg" opgenomen gebruiksregels.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf- Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg" aangewezen gronden bestemd voor een verkooppunt met motorbrandstoffen met lpg met daarbij behorende:

a. verhardingen, in - en uitritten;

b. fiets- en voetpaden;

c. groen;

d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

e. nutsvoorzieningen;

f. parkeervoorziening.

In artikel 4, lid 4.4.1 van de planregels wordt tot gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel anders dan ten behoeve van ondersteuning van de hoofdfunctie.

Hieruit volgt dat binnen de bestemming "Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg" uitsluitend ondergeschikte detailhandel is toegelaten.

Gelet op het vorenstaande mag het wijzigingsplan niet voorzien in zelfstandige detailhandel. De omstandigheid dat de winkel bij het verkooppunt door een andere exploitant zal worden geëxploiteerd dan het motorbrandstofverkooppunt maakt dit niet anders. Indien ter plaatse in strijd met het wijzigingsplan zelfstandige detailhandel zal worden gerealiseerd, is dat een kwestie van handhaving, hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

8. [appellante sub 1] en anderen betogen voorts dat de verplaatsing van het motorbrandstofverkooppunt van Benelite aan de Burgemeester Pabstlaan naar de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend niet mogelijk is zonder ongeoorloofde staatssteun.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van staatssteun. Voorts brengt de raad naar voren dat [appellante sub 1] en anderen niet hebben aangetoond dat de wijzigingsbevoegdheid niet uitvoerbaar is.

8.2. Voor zover [appellante sub 1] en anderen betogen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun, kan dit in deze procedure slechts indirect aan de orde komen in het kader van de vraag of staatssteun mogelijk een beletsel is voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan.

Een dergelijk betoog kan slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar. Hieraan is niet reeds voldaan indien [appellante sub 1] en anderen aannemelijk maken dat de verplaatsing van een motorbrandstofverkooppunt zal worden verricht met staatssteun die kan worden teruggevorderd. Daarnaast dienen zij aannemelijk te maken dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan op voorhand vaststaat dat de wijzigingsbevoegdheid niet binnen de planperiode wordt uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. Zoals uit het vorenstaande volgt, zijn in de nota Locaties motorbrandstofverkooppunten meerdere verkooppunten voor brandstoffen aangewezen die voor verplaatsing in aanmerking komen. Het is derhalve mogelijk één van de andere verkooppunten naar de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend te verplaatsen.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellante sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de wijzigingsbevoegdheid niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. Het betoog faalt.

9. Volgens [appellante sub 1] en anderen zal het plan leiden tot een overaanbod aan brandstofverkooppunten, hetgeen een ontwrichting van de markt tot gevolg zal hebben. In dit verband wijzen [appellante sub 1] en anderen erop dat in de afgelopen jaren reeds sprake is geweest van een forse omzetdaling bij de bestaande motorbrandstofverkooppunten.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verplaatsing van een motorbrandstofverkooppunt naar een andere locatie geen ruimtelijke gevolgen zal hebben.

9.2. De Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) strekt er niet toe bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang. De eventuele omzetdaling van de concurrenten in de omgeving is, anders dan [appellante sub 1] en anderen kennelijk veronderstellen, op zichzelf geen belang dat bij de vaststelling van het plan mag worden betrokken. Dit is slechts anders indien zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon van eerste levensbehoeften zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd of indien het plan leidt tot onaanvaardbare leegstand.

9.3. Uit artikel 23 van de planregels volgt dat het college van burgemeester en wethouders uitsluitend ten behoeve van een verplaatsing gebruik mag maken van de wijzigingsbevoegdheid. De vestiging van een nieuw verkooppunt voor motorbrandstoffen is hier daarom niet aan de orde. Reeds daarom kan geen sprake zijn van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Het betoog faalt.

10. Het beroep van [appellante sub 1] en anderen is ongegrond.

De beroepsgronden van de vereniging voor het overige

11. De vereniging voert verder aan dat het bij wijzigingsbevoegdheid voorziene motorbrandstofverkooppunt de beeldkwaliteit van het bedrijventerrein de President zal aantasten. In dit verband betoogt zij dat de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend ten onrechte niet in het bestemmingsplan "De President" zijn opgenomen. Dit heeft volgens de vereniging het gevolg dat ten aanzien van het motorbrandstofverkooppunt andere beeldkwaliteitseisen worden gesteld dan op het bedrijventerrein.

11.1. Volgens de raad bestond er geen aanleiding de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid "wro-zone - wijzigingsgebied 2" is toegekend in het bestemmingsplan "De President" op te nemen.

11.2. De gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend, zijn gelegen op een afstand van ongeveer 300 m vanaf de grens van het bedrijventerrein. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de door de vereniging bedoelde beeldkwaliteitseisen niet in het ter plaatse geldende bestemmingsplan zijn opgenomen. Bij de uitgifte van de gronden op het bedrijventerrein de President wordt privaatrechtelijk geregeld dat in overeenstemming met het beeldkwaliteitsplan moet worden gebouwd. Voor de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend, is geen beeldkwaliteitsplan opgesteld. De reguliere bepalingen uit de welstandsnota zijn van toepassing, waarmee ook een bepaalde mate van beeldkwaliteit kan worden nagestreefd, zo heeft de raad toegelicht. Voorts heeft de raad ter zitting naar voren gebracht dat bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met de inpassing van het motorbrandstofverkooppunt in de omgeving. Uit artikel 23, aanhef en onder d, van de planregels volgt dat de gebouwen maximaal 14 m hoog mogen zijn, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen. Uit artikel 23, aanhef en onder e, volgt dat bouwwerken geen gebouw zijnde een hoogte van maximaal 8 m mogen hebben, met uitzondering van de reclamemast. Gelet op deze maximale bouwhoogten en gezien de afstand tot het bedrijventerrein ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat een motorbrandstofverkooppunt op deze gronden de beeldkwaliteit ter plaatse van het bedrijventerrein onevenredig zal aantasten.

De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de raad de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend niet in een ander plan heeft kunnen opnemen dan het bestemmingsplan "De President". Naar het oordeel van de Afdeling is geen sprake van een dusdanige ruimtelijke samenhang tussen de gronden van het bedrijventerrein de President en de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend dat de gronden zonder meer in één bestemmingsplan met het bedrijventerrein de President hadden dienen te worden opgenomen. Het betoog faalt.

12. De vereniging voert verder aan dat het plan is vastgesteld in strijd met de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 (hierna: Structuurvisie). Volgens haar dienen de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend op grond van de Structuurvisie te worden ontwikkeld ten behoeve van een metropolitaan park.

12.1. De raad heeft uiteengezet dat de gronden in de Structuurvisie niet zijn aangeduid ten behoeve van een metropolitaan park.

12.2. Ter zitting is komen vast te staan dat de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend niet zijn opgenomen op de kaart bij de Structuurvisie. Anders dan de vereniging veronderstelt, zijn deze gronden In de Structuurvisie derhalve niet aangeduid ten behoeve van een metropolitaan park. De Structuurvisie staat niet in de weg aan het realiseren van het motorbrandstofverkooppunt ter plaatse. Het betoog mist feitelijke grondslag.

13. De vereniging betoogt voorts dat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd. In dit verband voert de vereniging aan dat onduidelijk is wat met het begrip prioritaire verplaatsing in artikel 23 van de planregels wordt bedoeld.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de wijzigingsbevoegdheid voldoende duidelijk is en dat uit de wijzigingsbevoegdheid volgt dat uitsluitend van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt indien het om een verplaatsing van een bestaand verkooppunt van motorbrandstoffen gaat.

13.2. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

13.3. In de planregels is niet gedefinieerd wat wordt bedoeld met een prioritaire verplaatsing. Uit de planregels wordt derhalve niet duidelijk wanneer sprake is van een prioritaire verplaatsing van een verkooppunt voor motorbrandstoffen dat elders in Haarlemmermeer is gevestigd als bedoeld in artikel 23 van de planregels. Derhalve is naar het oordeel van de Afdeling onduidelijk in welke gevallen van de wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Gelet hierop is het bestreden besluit, voor zover dat ziet op artikel 23 van de planregels, genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van de vereniging is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

13.4. Ter zitting is komen vast te staan dat de raad met het begrip prioritaire verplaatsing heeft beoogd aansluiting te zoeken bij de Nota locaties motorbrandstofverkooppunten van 28 oktober 2008. Hierin is een aantal motorbrandstofverkooppunten opgenomen dat volgens het college van burgemeester en wethouders verplaatsingsprioriteit heeft. De raad heeft beoogd in het plan op te nemen dat van de wijzigingsbevoegdheid slechts gebruik kan worden gemaakt indien één van de in deze nota genoemde motorbrandstofverkooppunten wordt verplaatst naar de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend. Gelet hierop en nu niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden die geen partij zijn in deze procedure daardoor worden benadeeld, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

Het beroep van W&W en anderen

14. Ingevolge artikel 8:1, van de Awb, in samenhang met gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan, degene wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken.

14.1. Ingenious B.V. heeft Rail Side B.V., de toenmalige eigenaar van de betrokken gronden, in de zienswijzefase vertegenwoordigd en namens haar een zienswijze naar voren gebracht. Ter zitting is gebleken dat Ingenious B.V. geen eigen belang heeft dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Het beroep, voor zover dat is ingesteld door Ingenious B.V., is niet-ontvankelijk.

15. Vaststaat dat Rail Side B.V. niet langer eigenaar is van de betrokken gronden en dat de gronden zijn overgedragen aan W&W. Ter zitting is gebleken dat er geen andere redenen zijn op grond waarvan Rail Side B.V. nog belang heeft. Het beroep, voor zover dat is ingesteld door Rail Side B.V., is niet-ontvankelijk.

16. W&W betoogt dat de raad ten onrechte de voorontwerpfase heeft overgeslagen. Hiermee is de raad volgens haar afgeweken van de inspraakverordening en de vaste gedragslijn om eerst een voorontwerp ter inzage te leggen.

16.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

17. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Groen" ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie AL nr. 1391 (hierna: het perceel). W&W betoogt dat het perceel in gebruik is als parkeergelegenheid. Dit bestaande gebruik dient volgens hen als zodanig te worden bestemd. In dit verband stelt zij dat het gebruik van de gronden als parkeerterrein onder het voorgaande plan reeds was toegelaten. Voorts kan het gebruik van het perceel voor parkeren volgens W&W op een verkeersveilige manier worden gerealiseerd. In dit verband verwijst W&W naar het in opdracht van haar door Aveco de Bondt opgestelde memo "Memo parkeervoorziening Van Heuven Goedhartlaan" van 12 mei 2014 (hierna: het memo). W&W voert tevens aan dat de raad de keuze voor een groenbestemming onvoldoende heeft gemotiveerd. In dit verband voert zij aan dat het gebruik van de percelen voor parkeren niet in de weg staat aan het in stand laten van de bestaande groene berm aan de Van Heuven Goedhartlaan.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden niet geschikt zijn voor het gebruik als parkeerterrein. Volgens de raad staat de verkeersveiligheid hieraan in de weg. In dit verband wijst de raad erop dat de uitrit van het parkeerterrein moet worden gerealiseerd in de bocht van een weg waar zeer veel busverkeer plaatsvindt. Volgens de raad is het terrein niet in gebruik als parkeerterrein.

17.2. Aan het perceel is de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 6 van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. een horecavoorziening met een maximale omvang van 150 m² in categorie 1, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende Staat van Horeca-activiteiten, ter plaatse van de aanduiding horeca;

c. een tunnel ter plaatse van de aanduiding tunnel.

met daaraan ondergeschikt;

d. wandel- en fietspaden;

e. in- en uitritten ter ontsluiting van aanliggende percelen;

f. speelvoorzieningen;

g. bergbezinkbassins.

Ingevolge artikel 24, lid 24.2.1, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet.

Ingevolge lid 24.2.4 is het eerste lid niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsrechtelijke bepalingen van dat plan.

17.3. In het voorgaande bestemmingsplan "Hoofddorp Beukenhorst" was aan het perceel de bestemming "Verkeersdoeleinden 4" toegekend.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de voorschriften van dat plan waren de voor "Verkeersdoeleinden 4" aangewezen gronden bestemd voor wegen en vrije busbanen, voet- en fietspaden, opstelplaatsen voor bussen, taxistandplaatsen, parkeervoorzieningen (indien gebouwd met een maximale oppervlakte van 3250 m² en een maximale hoogte van 4 m), een rijwielstalling, (met een maximale oppervlakte van 330 m² en een maximale hoogte van 3,5 m) voorzieningen ten behoeve van het wachten (waaronder horecavoorzieningen tot een maximale oppervlakte van 50 m²), een kiosk en groenvoorzieningen, en de daarvoor nodige of daarin passende bouwwerken (met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen).

Ingevolge het vijfde lid, moest het college van burgemeester en wethouders de in lid 1, 2, 3 en 4 genoemde bestemming nader uitwerken met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. bouwwerken moeten zodanig worden gebouwd, dat het verkeer niet wordt gehinderd en de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht;

b. de hoogte van enig gebouw mag niet meer bedragen dan 3 m en de oppervlakte niet meer dan 10 m², met uitzondering van het bepaalde in lid 4 ten aanzien van parkeervoorzieningen en rijwielstalling.

Ingevolge het zesde lid mag het bouwen en aanleggen uitsluitend geschieden overeenkomstig een door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld uitwerkingsplan.

17.4. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

17.5. Ten aanzien van het betoog dat het gebruik van de gronden ten behoeve van parkeren ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, nu dit gebruik niet zal worden beëindigd, overweegt de Afdeling als volgt. Als uitgangspunt geldt dat degene die zich op het overgangsrecht beroept, de feiten en omstandigheden waarop dat beroep berust aannemelijk dient te maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft W&W niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het perceel voor parkeren ten tijde van de vaststelling van het plan nog plaatsvond. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het perceel gelet op de ligging van de busbaan en de geldende verkeersbesluiten niet bereikbaar is voor motorvoertuigen en dat voor het perceel een trottoirband was gelegen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het gebruik onder de bescherming van het algemene overgangsrecht valt. Het betoog faalt.

17.6. Uit de Nota zienswijzen volgt dat de raad een bestemming ten behoeve van parkeren gelet op de verkeersveiligheid niet langer wenselijk acht. Het nabij gelegen NS-station heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot een belangrijk vervoersknooppunt met een groeiend aantal reizigers. In de huidige verkeerssituatie is het perceel niet bereikbaar voor motorvoertuigen, omdat het perceel wordt omsloten door een busbaan. In de Nota zienswijzen staat vermeld dat over deze busbaan 28 bussen per uur per richting rijden. De raad heeft uiteengezet dat het uit het oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk is een ontsluiting te maken via deze busbaan. Een in- en uitrit in de bocht van de verbindingsweg naar het Mercuriusplein acht de raad eveneens onwenselijk vanwege de nabijheid van het kruispunt met de Van Heuven Goedhartlaan. Voorts staat in de Nota zienswijzen vermeld dat voetgangers de parkeerplaats niet op een veilige manier kunnen verlaten.

In de memo staat vermeld dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het perceel op een verkeersveilige manier zou kunnen worden afgewikkeld als het verkeer dat richting het perceel gaat op de busbaan wordt toegelaten. Daarbij gaat het volgens het memo om 0,2 toenaderingen per minuut. In reactie op het memo heeft de raad uiteengezet dat het gelet op de ligging van het perceel in de directe nabijheid van het treinstation waarschijnlijk is dat de parkeervoorzieningen op het perceel hoofdzakelijk zullen worden gebruikt door forensen. De verkeersbewegingen richting het perceel zullen zich gelet hierop concentreren in de ochtend en het begin van de avond. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk. Bovendien heeft de raad ter zitting uiteengezet dat ook in de situatie dat het aantal verkeersbewegingen gelijkmatig over de dag zou zijn verdeeld, het volgens hem gelet op de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid van het station de voorkeur verdient de busbaan uitsluitend toegankelijk te houden voor busverkeer.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid toe heeft kunnen komen geen bestemming die voorziet in parkeren aan het perceel toe te kennen. Het betoog faalt.

17.7. Ten aanzien van het betoog omtrent de bestemming "Groen" staat in de Nota zienswijzen vermeld dat de Van Heuven Goedhartlaan en de Spoorlaan worden gekarakteriseerd door een groene berm aan beide kanten van de rijbaan. Door aan het perceel een groenbestemming toe te kennen kan deze berm ononderbroken worden voortgezet. Gelet op de ligging van het perceel direct aan de busbaan is het perceel volgens de raad voorts uitsluitend geschikt voor een groenbestemming. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Groen" aan de gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

18. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

19. Ten aanzien van de vereniging is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellante sub 1] en anderen en W&W bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid W&W International Holding B.V. en anderen niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ingenious vastgoed B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rail Side B.V.;

II. verklaart het beroep van de vereniging Vereniging Parkmanagement Bedrijvenpark de President gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 6 juni 2013, voor zover dat betrekking heeft op de zinsnede "prioritaire verplaatsing" in artikel 23 van de planregels;

IV. bepaalt dat de zinsnede "prioritaire verplaatsing als bedoeld in de Nota Locaties motorbrandstofverkooppunten van 28 oktober 2008" na de zinsnede "uitsluitend ten behoeve van" in artikel 23 van de planregels wordt opgenomen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. draagt de raad van de gemeente Haarlemmermeer op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen en het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid W&W International Holding B.V. ongegrond;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmermeer aan de vereniging Vereniging Parkmanagement Bedrijvenpark de President het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Brand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

575.