Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201304819/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:3399, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 5 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] over 2008 toegekende toeslag herzien op nihil gesteld en bepaald dat hij een bedrag van € 6851,00 moet terugbetalen, respectievelijk het over 2009 toegekende voorschot herzien op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304819/1/A4.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 april 2013 in zaak nr. 12/6289 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 5 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] over 2008 toegekende toeslag herzien op nihil gesteld en bepaald dat hij een bedrag van € 6851,00 moet terugbetalen, respectievelijk het over 2009 toegekende voorschot herzien op nihil gesteld.

Bij besluit van 12 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt opvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Awir kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot op een tegemoetkoming herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling) bevat de administratie van een gastouderbureau afschriften van alle met de vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de over 2008 toegekende toeslag slechts kon worden herzien in de in artikel 20 en 21 van de Awir vermelde gevallen. Volgens hem doet een dergelijk geval zich hier niet voor.

2.1. In het verweerschrift heeft de Belastingdienst/Toeslagen erkend dat een dergelijk geval zich niet voordoet en hij de aan [appellant] over 2008 toegekende toeslag ten onrechte herzien op nihil heeft gesteld. Gelet hierop, slaagt het betoog.

3. Wat de herziening van het over 2009 toegekende voorschot betreft, heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan het besluit van 12 november 2012 ten grondslag gelegd dat [appellant] geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft overgelegd die alle in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling vermelde gegevens bevat. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij alle kosten voor kinderopvang, zoals die blijken uit de jaaropgaaf, heeft betaald.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij met betrekking tot 2009 geen overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko heeft overgelegd. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat de door hem overgelegde "Overeenkomst voor bemiddeling tussen BEBEGIM en Ouder" (hierna: overeenkomst 1) en de "Overeenkomst Gastouderbureau - vraagouder(s) en gastouder" (hierna: overeenkomst 2) tezamen een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, vormen die alle in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling vermelde gegevens bevat.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat overeenkomst 1 en overeenkomst 2 verschillende overeenkomsten zijn. Voor het oordeel dat beide tezamen als één overeenkomst moeten worden aangemerkt, biedt de tekst ervan geen grond.

Niet in geschil is dat overeenkomst 1 niet alle gegevens bevat als bedoeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, zodat deze geen overeenkomst is als bedoeld in artikel 52 van de Wko. Overeenkomst 2 bevat alle in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling vermelde gegevens, maar niet de datum van ondertekening. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling geconcludeerd dat, nu de datum van ondertekening ontbreekt, niet vast staat dat de kinderopvang op basis van deze overeenkomst heeft plaatsgevonden. Overeenkomst 2 kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet als bewijs voor kinderopvang dienen.

De Afdeling is van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin de overgelegde overeenkomst tussen het gastouderbureau, de vraagouder en de gastouder aan alle bij de Wko gestelde eisen voldoet en ook de ingangsdatum van de overeenkomst vaststaat, zodat duidelijk is welke afspraken zijn gemaakt tussen de betrokken partijen over kinderopvang en de kosten daarvan, de enkele omstandigheid dat in die overeenkomst de datum van ondertekening van deze overeenkomst ontbreekt er niet aan afdoet dat deze overeenkomst als bewijs voor kinderopvang kan dienen. Hierbij is van belang dat overeenkomst 1 wel een datum van ondertekening bevat en dat de overige gedingstukken geen aanleiding geven aan te nemen dat de datum van ondertekening van overeenkomst 2 niet is gelegen in september 2008. Het betoog van [appellant] is in zoverre dan ook terecht voorgedragen.

5. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.1 en 4.1, is het hoger gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 november 2012 van de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover dat betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag over 2008, alsnog gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. Nu de Belastingdienst/Toeslagen bij het besluit van 5 september 2012 ten onrechte de aan [appellant] over 2008 toegekende toeslag herzien op nihil heeft gesteld en bepaald dat hij een bedrag van € 6851,00 moet terugbetalen, ziet de Afdeling voorts aanleiding om dat besluit zelf voorziend te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 12 november 2012, voor zover het is vernietigd.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling voorts het beroep tegen het besluit van 12 november 2012 van de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover dat betrekking heeft op de herziening van het voorschot over 2009, behandelen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, voor zover deze nog bespreking behoeven.

6. [appellant] betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet heeft aangetoond dat hij alle kosten voor kinderopvang over 2009, zoals die blijken uit de jaaropgaaf, heeft betaald.

6.1. Uit de jaaropgaaf 2009 volgt dat [appellant] in totaal € 7798,77 aan kosten voor kinderopvang heeft gehad. € 6719,25 daarvan bestaat uit kosten voor de gastouder. Uit de door [appellant] overgelegde bankafschriften volgt dat een bedrag van in totaal € 6.117,48 door het gastouderbureau is overgemaakt naar de rekening van de gastouder. Het resterende bedrag aan kosten voor de gastouder, € 601,77, stelt [appellant] contant aan de gastouder te hebben betaald. Hij heeft evenwel niet met stukken aangetoond dat hij dat resterende bedrag daadwerkelijk heeft betaald. De door [appellant] overgelegde brief, die mede is ondertekend door de gastouder, waarin hij stelt dat hij dat heeft gedaan, is daarvoor, zonder dat dit is gestaafd met ander bewijs, onvoldoende. De door [appellant] overgelegde brief van de gemeente Arnhem aan de gastouder, waaruit volgens hem blijkt dat de gastouder op haar uitkering is gekort vanwege haar inkomsten voor kinderopvang, kan niet als dergelijk bewijs dienen. Uit die brief blijkt niet dat [appellant] het resterende bedrag van € 601,77 aan de gastouder heeft betaald.

Gezien het voorgaande, heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij alle kosten voor kinderopvang, zoals die blijken uit de jaaropgaaf, heeft betaald. Het gevolg daarvan is dat [appellant] geen aanspraak op toeslag heeft, zodat de Belastingdienst/Toeslagen het over 2009 toegekende voorschot terecht herzien op nihil heeft gesteld. Het betoog van [appellant] dat het gastouderbureau onzorgvuldig heeft gehandeld, leidt niet tot een ander oordeel. Als aanvrager van de toeslag heeft hij ter zake een eigen verantwoordelijkheid.

Het betoog faalt.

7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.1, is het beroep tegen het besluit van 12 november 2012 van de Belastingdienst/Toeslagen voor het overige ongegrond.

8. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 april 2013 in zaak nr. 12/6289;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond, voor zover het betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2008;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor het overige ongegrond

V. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 12 november 2012, kenmerk BEZ13 BT07, voor zover het betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2008;

VI. herroept het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 5 september 2012, beschikkingsnummer 2060.33.515.T.08.6.0601;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 12 november 2012, kenmerk BEZ13 BT07, voor zover het is vernietigd;

VIII. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

457.