Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
201301477/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:23, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft de minister het verzoek van [appellant] om zijn nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid te converteren in een Part-66-Aircraft Maintenance License (hierna: Part-66-AML), ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301477/1/A3.

Datum uitspraak: 9 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], thans wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 januari 2013 in zaak nr. 12/23 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; voorheen de minister van Verkeer en Waterstaat.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft de minister het verzoek van [appellant] om zijn nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid te converteren in een Part-66-Aircraft Maintenance License (hierna: Part-66-AML), ingewilligd.

Bij besluit van 12 maart 2010 heeft de minister opnieuw een Part-66-AML aan [appellant] afgegeven.

Bij besluit van 26 juli 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 december 2011 heeft de staatssecretaris, in navolging van de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2011 in zaak nr. 10/894, opnieuw beslissend op het door [appellant] tegen het besluit van 12 maart 2010 gemaakte bezwaar, dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 1 december 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het besluit van 24 oktober 2008 is ingetrokken en het besluit voor het overige in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.R. Jansen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.M. Kops en vergezeld door S.H.M. Straathof en B. Stam, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (hierna: de Verordening), legt de Verordening een reeks gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures vast ter waarborging van de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, inclusief alle eventuele te monteren componenten, die zijn geregistreerd:

a) in een lidstaat, of

b) in een derde land en worden gebruikt door een exploitant voor wie het Agentschap of een lidstaat de uitoefening van bedrijfstoezicht garandeert.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, wordt onder certificeringspersoneel verstaan personeel dat verantwoordelijk is voor de vrijgave van een luchtvaartuig of een component na onderhoud.

Ingevolge die aanhef en onder h, wordt onder onderhoud verstaan: het reviseren, repareren, inspecteren, vervangen, wijzigen of herstellen van een defect van een luchtvaartuig of luchtvaartuigonderdeel, of een combinatie van genoemde werkzaamheden met uitzondering van een direct aan de vlucht voorafgaande inspectie.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, is certificeringspersoneel gekwalificeerd in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage III.

Ingevolge het tweede lid wordt elk bewijs van bevoegdheid voor het onderhoud van luchtvaartuigen en, in voorkomend geval, de met dat bewijs samenhangende technische beperkingen, afgegeven of erkend door een lidstaat in overeenstemming met de JAA-voorschriften en -procedures, dat op de dag van de inwerkingtreding van de Verordening geldig was, beschouwd als zijnde afgegeven in overeenstemming met de Verordening.

1.1. Ingevolge Bijlage III bij de Verordening (hierna: Bijlage III), Deel 66, sectie A, artikel 66.A.1, onder a, stelt deze sectie de vereisten vast voor de uitgifte van een bewijs van onderhoudsbevoegdheid en de geldigheids- en gebruiksvoorwaarden, voor vleugelvliegtuigen en helikopters van volgende categorieën:

- Categorie A;

- Categorie B1;

- Categorie B2;

- Categorie C.

Ingevolge dat artikel, onder b, zijn Categorieën A en B1 onderverdeeld in subcategorieën met betrekking tot combinaties van vleugelvliegtuigen, helikopters, turbine- en zuigermotoren. De subcategorieën zijn:

- A1 en B1.1 Vleugelvliegtuigen Turbine;

- A2 en B1.2 Vleugelvliegtuigen Zuiger;

- A3 en B1.3 Helikopters Turbine;

- A4 en B1.4 Helikopters Zuiger.

Ingevolge artikel 66.A.20, onder a, zijn, mits wordt voldaan aan paragraaf (b), de volgende bevoegdheden van toepassing:

1. Een bewijs van onderhoudsbevoegdheid van categorie A machtigt de houder tot het afgeven van certificaten van geschiktheid voor gebruik na klein, regulier onderhoud en herstelling van eenvoudige defecten voor zover dit valt binnen de grenzen van de op de bevoegdheid aangegeven werkzaamheden. De certificeringsbevoegdheden zijn beperkt tot door de houder zelf in een Deel-145-organisatie uitgevoerde werkzaamheden.

2. Een bewijs van onderhoudsbevoegdheid van categorie B1 machtigt de houder tot het afgeven van certificaten van geschiktheid voor gebruik na regulier onderhoud, met inbegrip van structureel onderhoud en onderhoud aan voortstuwingsinrichtingen en mechanische en elektrische systemen. Vervanging van regulier vervangbare onderdelen vliegtuigelektronica waarvan de bedrijfsstaat middels eenvoudige tests kan worden vastgesteld, valt hier ook onder. Categorie B1 omvat automatisch de passende subcategorie A.

3. Een bewijs van onderhoudsbevoegdheid van categorie B machtigt de houder tot het afgeven van certificaten van geschiktheid voor gebruik na regulier onderhoud aan vliegtuigelektronica en elektrische systemen.

4. Een bewijs van onderhoudsbevoegdheid van categorie C machtigt de houder tot het afgeven van certificaten van geschiktheid voor gebruik na basisonderhoud van luchtvaartuigen. De bevoegdheid geldt voor het gehele luchtvaartuig in een Deel-145 organisatie.

Ingevolge artikel 66.A.45, onder b, mag, tenzij anders gespecificeerd onder g, de houder van een bewijs van onderhoudsbevoegdheid van categorie B1, B2 of C de certificeringsbevoegdheden enkel uitvoeren op een specifiek type luchtvaartuig, wanneer op het bewijs van onderhoudsbevoegdheid de passende typebevoegdheid staat vermeld.

Ingevolge dat artikel, onder g, mag ongeacht paragraaf b, voor luchtvaartuigen anders dan grote luchtvaartuigen, de houder van een bewijs van onderhoudsbevoegdheid van categorie B1 of B2 ook de certificeringsbevoegdheden uitoefenen wanneer het bewijs van onderhoudsbevoegdheid de aantekening draagt van de toepasselijke groepsbevoegdverklaringen, of bevoegdverklaringen van groepen fabrikanten tenzij het Agentschap bepaald heeft dat de complexiteit van het luchtvaartuig in kwestie een typebevoegdverklaring vereist.

1. Bevoegdverklaringen van groepen fabrikanten kunnen worden toegestaan nadat is voldaan aan de vereisten van de typebevoegdverklaring van twee luchtvaartuigtypes die representatief zijn voor de groep van dezelfde fabrikant.

2. Complete groepsbevoegdverklaringen kunnen worden toegestaan nadat is voldaan aan de vereisten van de typebevoegdverklaring van drie luchtvaartuigtypes die representatief zijn voor de groep van verschillende fabrikanten. Een complete groepsbevoegdverklaring mag echter niet worden toegestaan voor B1-luchtvaartuigen met meervoudige turbinemotoren, waar enkel de bevoegdverklaring van groepen fabrikanten van toepassing is.

(…).

Ingevolge artikel 66.A.70, onder a, zal de houder van een kwalificatie van certificeringspersoneel die geldig is in een lidstaat, vóór het van kracht worden van Deel 66, een bewijs van onderhoudsbevoegdheid ontvangen zonder verder examen, mits is voldaan aan de voorwaarden in artikel 66.B.300.

Ingevolge het bepaalde, onder b, mag een persoon die een kwalificatieproces doorloopt dat geldig is in een lidstaat, vóór het van kracht worden van Deel 66 gekwalificeerd blijven worden. De houder van een kwalificatie die wordt verkregen na een dergelijk kwalificatieproces, zal een bewijs van onderhoudsbevoegdheid ontvangen zonder verder examen, mits is voldaan aan de voorwaarden in artikel 66.B.300.

Ingevolge het bepaalde, onder c, zal het bewijs van onderhoudsbevoegdheid, waar nodig, technische beperkingen bevatten met betrekking tot de reikwijdte van de reeds bestaande kwalificatie.

Ingevolge artikel 66.B.300, onder a, mag de bevoegde instantie enkel de omzetting uitvoeren, zoals gespecificeerd in artikel 66.A.70 in overeenstemming met een omzettingsrapport dat overeenkomstig artikel 66.B.305 of 66.B.310 werd opgesteld, naargelang het geval.

Ingevolge het bepaalde, onder b, dient het omzettingsrapport door de bevoegde instantie te worden ontwikkeld of door haar te worden goedgekeurd.

Ingevolge artikel 66.B.305 dient het rapport de reikwijdte van elk type kwalificatie te beschrijven en aan te geven naar welk bewijs van onderhoudsbevoegdheid ze zal worden omgezet, welke beperking zal worden toegevoegd en de Deel-66-module/onderwerpen waarvoor een examen nodig is om de omzetting naar het bewijs van onderhoudsbevoegdheid zonder beperking te verzekeren, of om een bijkomende (sub)categorie op te nemen. Het rapport dient een kopie te bevatten van het bestaande voorschrift dat de bewijscategorieën en reikwijdtes bepaalt.

1.2. Ingevolge artikel 2.1, vijfde lid, van de Wet luchtvaart trekt de minister de door hem verleende ontheffing in, wanneer

a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;

b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, kan de minister op aanvraag bewijzen van bevoegdheid afgeven voor het zonder toezicht verrichten van onderhoud aan luchtvaartuigen. De artikelen 2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, vierde en vijfde lid, 2.2, 2.3 en 2.5 tot en met 2.10 zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid is het verboden zonder toezicht onderhoud aan burgerluchtvaartuigen te verrichten indien het daarvoor geldende bewijs van bevoegdheid ontbreekt.

1.3. Ingevolge artikel 1 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart (hierna: het Besluit), wordt onder AML verstaan: bewijs van bevoegdheid voor onderhoudstechnicus (Aircraft Maintenance License).

Ingevolge die bepaling wordt onder Part-66 verstaan: deel betreffende trainings- en exameneisen voor onderhoudspersoneel (bijlage III bij de Verordening (EG) nr. 2042/2003).

Ingevolge die bepaling wordt onder Part-66-AML verstaan: bewijs van bevoegdheid krachtens Part-66.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, kan de minister een Part-66-AML afgeven, dat voorzien van een of meer bijzondere bevoegdverklaringen:

1˚ de bevoegdheid geeft tot het onderhouden van luchtvaartuigen en het toezicht daarop, alsmede het vrijgeven voor gebruik van die luchtvaartuigen na dat onderhoud, binnen de grenzen gesteld in Part-M;

(…).

Ingevolge het tweede lid kan een bewijs van bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, worden afgegeven voor de categorieën luchtvaartuigen:

- vliegtuigen (A)

- helikopters (H).

Ingevolge het vierde lid worden de bewijzen van bevoegdheid, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en g, afgegeven wanneer ten minste één bijzondere bevoegdverklaring daarop wordt aangegeven.

Ingevolge het vijfde lid zijn de bevoegdheden die voortvloeien uit een bewijs van bevoegdheid steeds beperkt tot die typen of klassen luchtvaartuigen of tot die werkzaamheden waarvoor een bijzondere bevoegdverklaring is afgegeven.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, stelt de minister bijzondere bevoegdverklaringen naar type, klasse of werkzaamheden vast en de duur waarvoor zij worden afgegeven.

Ingevolge het tweede lid kan de minister beperkingen vaststellen waaronder bijzondere bevoegdverklaringen worden afgegeven.

1.4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling bijzondere bevoegdverklaringen AML en Part-66-AML (hierna: de Regeling), kan de minister op aanvraag de volgende bijzondere bevoegdverklaringen afgeven voor onderhoud aan vliegtuigen met een maximum startmassa tot 5700 kg en helikopters met een maximum startmassa tot 2730 kg:

- AB voor werkzaamheden aan vliegtuigen en helikopters en de voortstuwingsinstallatie hiervan, van een klasse volgens het tweede lid, met uitzondering van de werkzaamheden waarvoor een bijzondere bevoegdverklaring CF, CEF, of DG vereist is, maar inclusief de werkzaamheden die op de AML zijn vermeld;

- CF voor werkzaamheden aan instrumenten zonder elektronische hulpapparatuur en elektrische installaties;

- CEF voor werkzaamheden aan instrumenten zonder elektronische hulpapparatuur, klimaatregeling en elektrische installaties;

- DG voor werkzaamheden aan automatische vluchtgeleidingssystemen en communicatie-, navigatie- en identificatie-installaties.

Ingevolge het tweede lid zijn de klassen bij de bijzondere bevoegdverklaring AB:

- 1Z vliegtuigen zonder drukcabine met één zuigermotor;

- 1T vliegtuigen zonder drukcabine met één turbinemotor;

- 2Z vliegtuigen met drukcabine of meerdere zuigermotoren, van een type dat op de AML is vermeld;

- 2T vliegtuigen met drukcabine of meerdere turbinemotoren, van een type dat op de AML is vermeld;

- 3Z helikopters met zuigermotoren, van een type dat op de AML is vermeld;

- 3T helikopters met turbinemotoren, van een type dat op de AML is vermeld.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, zet de minister op verzoek van de aanvrager de reeds afgegeven nog geldige bijzondere bevoegdverklaringen om naar een Part-66-AML voor vliegtuigen en helikopters met een maximum startmassa van 5700 kg of minder.

Ingevolge het tweede lid worden op de in het eerste lid bedoelde Part-66-AML de bijzondere bevoegdverklaringen en bijbehorende beperkingen zodanig vermeld dat deze overeenkomen met de eerder afgegeven bevoegdheden als genoemd in artikel 2 en 5 en de machtiging om namens een volgens Part-145 of JAR-145 erkende onderhoudsorganisatie werkzaamheden te mogen vrijgeven.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, mag de houder vanaf het tijdstip van intrekking die bevoegdheden, waarop de intrekking van de AML of Part-66-AML betrekking heeft, niet uitoefenen.

Ingevolge het tweede lid neemt de minister het bewijs van bevoegdheid in en geeft, in geval van gedeeltelijke intrekking, een nieuw bewijs van bevoegdheid af.

2. [appellant] beschikte over een door de minister afgegeven nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid. Dit nationale bewijs gaf de houder de persoonlijke bevoegdheid om op eigen verantwoordelijkheid binnen de strekking van de afgegeven bevoegdverklaringen, onderhoud te verrichten aan luchtvaartuigen en deze op persoonlijke titel vrij te geven.

Omdat vanaf 28 september 2008 voor vliegtuigen met een maximaal startgewicht van 5700 kg of minder een, op Europese regelgeving gebaseerde, Part-66-AML verplicht is, heeft de minister het aan [appellant] verstrekte nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid bij besluit van 24 oktober 2008, krachtens artikel 66.A.70, onder a, van Bijlage III bij de Verordening, geconverteerd naar een Part-66-AML.

Vervolgens heeft de minister een tweede, vereenvoudigde conversie uitgevoerd, omdat de bevoegdheden op grond van een nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid bij de conversie verricht in 2008 volgens hem niet overeenkwamen met die op grond van een Part-66-AML. Deze tweede conversie resulteerde voor [appellant] in het besluit van 12 maart 2010.

3. Bij het besluit van 12 maart 2010 heeft de minister aan [appellant] opnieuw een Part-66-AML afgegeven, omdat [appellant] voldoet aan de eisen voor conversie van het nationale bewijs van bevoegdheid voor vliegtuigonderhoudstechnicus naar een Part-66-AML.

Bij het besluit van 26 juli 2010 heeft de minister het door [appellant] tegen voormeld besluit van 12 maart 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De minister heeft daartoe overwogen dat, anders dan [appellant] betoogt, met de tweede conversie geen bevoegdheden verloren zijn gegaan. De minister heeft voor de tweede conversie als peildatum 28 september 2008 aangehouden, omdat vanaf die datum een Part-66-AML verplicht is. De bevoegdheden die op de peildatum op het nationale bewijs van bevoegdheid waren vermeld, zijn geconverteerd naar een Part-66-AML naar het principe dat geen bevoegdheden verloren gaan, aldus de minister. De bevoegdheid ‘DG’, die op het nationale bewijs was vermeld, is volgens een conversietabel geconverteerd naar bevoegdheid ‘B2’. Verder zijn alle vliegtuigtypen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 66.A.45, onder g van Bijlage III bij de Verordening, ingedeeld in zogenoemde ‘Group ratings’. Volgens de minister horen bij de bevoegdheid B2, de ‘Group ratings’ 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13. De minister heeft voorts overwogen dat in de bij besluit van 12 maart 2010 afgegeven Part-66-AML, Group rating 9 als geheel niet meer wordt genoemd, maar in plaats daarvan het vliegtuig Diamond DA 42 (Thielert) is vermeld. Volgens de minister was dit vliegtuig op de peildatum als enige vermeld in Group rating 9 en om die reden als enig vliegtuig in die groep opgenomen in de bij het besluit van 12 maart 2010 afgegeven Part-66-AML.

De minister heeft verder over de vermelding ‘limited’ onder het kopje 7b van de aan [appellant] afgegeven Part-66-AML overwogen, dat verschillen in privileges bestaan tussen enerzijds de nationale bevoegdheid met de bevoegdverklaring ‘DG’ en anderzijds de Part-66-AML met bevoegdverklaring ‘B2’. De privileges van de laatste categorie zijn volgens de minister ruimer dan de privileges van categorie ‘DG’. Om die reden zijn limitaties aangebracht. De limitaties zijn volgens kopje 8 van de Part-66-AML "Excluding Fadec, engine indication, Propellor Control, On board maintenace systems", aldus de minister.

4. Bij uitspraak van 30 augustus 2011 in zaak nr. 10/894 heeft de rechtbank voornoemd besluit van 26 juli 2010 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister niet duidelijk heeft kunnen maken of het besluit van 12 maart 2010 een herziening betreft van het besluit van 24 oktober 2008 of een opvolgend conversiebesluit. Volgens de rechtbank is dat van belang voor het toetsingskader. Bovendien is niet gebleken dat het besluit van 24 oktober 2008 is ingetrokken, zodat, volgens de rechtbank, onduidelijkheid bestaat over de status van de bij besluit van 12 maart 2010 afgegeven Part-66-AML en van de bij besluit van 24 oktober 2008 verstrekte Part-66-AML die geldig is tot 24 december 2013. De minister heeft ook niet gemotiveerd wat de juridische grondslag van het besluit van 12 maart 2010 is, aldus de rechtbank.

5. De staatssecretaris heeft vervolgens bij het besluit op bezwaar van 1 december 2011 de bezwaren van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard. In dat besluit heeft de staatssecretaris voor zijn motivering verwezen naar het besluit van 12 maart 2010 en het vernietigde besluit van 26 juli 2010. Hij heeft vervolgens overwogen dat het besluit van 12 maart 2010 in de plaats treedt van het besluit van 24 oktober 2008 en dat het laatstgenoemde besluit ten onrechte niet is ingetrokken. De staatssecretaris heeft het besluit van 24 oktober 2008 vervolgens alsnog ingetrokken.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2011 heeft de staatssecretaris verder overwogen dat de conversie van nationale bewijzen van bevoegdheid naar een Part-66-AML heeft plaatsgevonden op grond van artikel 66.A.70, onder a, van Bijlage III bij de Verordening, waarbij uitgangspunt is dat een nationaal bewijs van bevoegdheid wordt omgezet in een gelijkwaardige Part-66-AML. De juridische grondslag van de conversie is volgens de staatssecretaris te vinden in artikel 66.B.300 van Bijlage III bij de Verordening. Volgens die bepaling mag een bevoegde instantie de conversie enkel uitvoeren in overeenstemming met een omzettingsrapport dat overeenkomstig artikel 66.B.305 of artikel 66.B.310 van Bijlage III bij de Verordening is opgesteld. De deelnemende Unielanden hebben hun - onderling verschillende - nationale regelgevingen voor nationale bewijzen van bevoegdheid vertaald naar de nieuwe Part-66-situatie, aldus de staatssecretaris. Dat heeft volgens de staatssecretaris geleid tot een voor ieder land uniek conversierapport. Die conversierapporten zijn niet met elkaar te vergelijken, zodat het betoog van [appellant] dat in andere landen soepeler wordt omgegaan met conversie van een nationaal bewijs van bevoegdheid naar een Part-66-AML niet slaagt, aldus de staatssecretaris.

6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 1 december 2011 vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 24 oktober 2008 is ingetrokken en het besluit van 1 december 2011 voor het overige in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat uit artikel 11 van de Regeling volgt dat de minister bevoegd is een bewijs van bevoegdheid geheel of gedeeltelijk in te trekken onder gelijktijdige verlening van een nieuw bewijs van bevoegdheid. De minister heeft volgens de rechtbank in redelijkheid niet hoeven wachten met intrekking tot de volgende afgifte van een Part-66-AML in verband met verlening of wijziging. De minister heeft zich in dit verband op het standpunt mogen stellen dat ambtshalve intrekking noodzakelijk is, omdat aan [appellant] bij de eerdere conversie meer bevoegdheden zijn verleend dan waarover hij op de peildatum beschikte en dat het noodzakelijk was om dit bij het besluit van 12 maart 2010 te herstellen. Dat besluit behelst volgens de rechtbank een gedeeltelijke intrekking als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Regeling. De bij besluit van 24 oktober 2008 afgegeven Part-66-AML moet aldus bij besluit van 12 maart 2010 worden geacht te zijn ingetrokken. De staatssecretaris was dientengevolge niet meer bevoegd de bij besluit van 24 oktober 2008 afgegeven Part-66-AML bij het besluit van 1 december 2011 nogmaals in te trekken, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de vliegtuigtypen Cessna P337 (Continental), Piper PA 46-310P (Continental) en Piper A 46-350P (Lycomming) opnieuw zijn geclassificeerd in groep 5, onderscheidenlijk groep 6. Omdat in de nieuwe Part-66-AML alle vliegtuigen in groep 5 en in groep 6 zijn opgenomen, zijn de bevoegdheden voor deze typen vliegtuigen niet vervallen, zodat het betoog van [appellant] dienaangaande feitelijke grondslag mist.

Wat betreft de vliegtuigtypen (Bombardier) Learjet 23 (GE CJ610), Hawker Beechcraft Beech B100 (Honeywell TPE 3310), Aero AE-270 (PWC PT6), Dornier Seastar CD2 (PWC PT6), Piagio P166 (Lycomming), Piper Pa-42 (Honeywell TPE 331) en Viking Air (De Havilland) DHC-6 (PWC PT6) heeft de staatssecretaris zich volgens de rechtbank gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het aan [appellant] verstrekte nationale bewijs van bevoegdheid niet op deze typen vliegtuigen zag en dat deze typen om die reden ten onrechte waren vermeld op de bij besluit van 24 oktober 2008 afgegeven Part-66-AML. [appellant] heeft volgens de rechtbank zijn betoog dat het aan hem verstrekte nationale bewijs van bevoegdheid wel op deze typen zag, niet gestaafd.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de staatssecretaris niet gehouden was om naast het vliegtuigtype Diamond DA42 (Thielert), het type Diamond DA 42 Series (Austro Engine) op de bij besluit van 12 maart 2010 afgegeven Part-66-AML op te nemen, nu dat laatste vliegtuigtype eerst na de peildatum in groep 9 is opgenomen. De rechtbank is verder voorbij gegaan aan het betoog van [appellant] dat ten onrechte ‘limited’ is vermeld bij kopje XIIb op de Part-66-AML, omdat deze toevoeging op zichzelf geen gevolgen heeft voor de aan [appellant] verleende bevoegdheden. De staatssecretaris heeft zich volgens de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de beperking ‘limitations’ onder kopje XIII gerechtvaardigd is, omdat een conversie naar categorie B2 meer bevoegdheden geeft dan het nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid met categorie DG.

7. Het hoger beroep van [appellant] is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover zij daarbij het besluit op bezwaar van de staatssecretaris van 1 december 2011 in stand heeft gelaten.

De bevoegdheid tot intrekking van de bij besluit van 24 oktober 2008 afgegeven Part-66-AML

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was de bij besluit van 24 oktober 2008 afgegeven Part-66-AML in te trekken dan wel te wijzigen. Het enkele feit dat de eerste conversie bij besluit van 24 oktober 2008 volgens de omzettingstabel van 2008 naar de stelling van de minister veel limitaties en veel kritiek op de complexiteit van een Part-66-AML opleverde, rechtvaardigt volgens [appellant] niet dat een tweede omzettingstabel ertoe leidt dat hij bevoegdheden verliest. De rechtbank heeft in dat verband ten onrechte overwogen dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat ambtshalve intrekking noodzakelijk is, omdat aan hem bij de eerdere conversie meer bevoegdheden zijn verleend dan waarover hij op de peildatum beschikte en dat het noodzakelijk was om dit bij het besluit van 12 maart 2010 te herstellen. De intrekking is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus [appellant].

8.1. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld, is de minister bij het besluit van 12 maart 2010 overgegaan tot een tussentijdse ambtshalve intrekking van de bij besluit van 24 oktober 2008 aan [appellant] verstrekte Part-66-AML, onder afgifte van een nieuwe Part-66-AML.

De rechtbank heeft die bevoegdheid afgeleid uit artikel 11 van de Regeling. Uit die bepaling volgt dat de houder vanaf het tijdstip van intrekking, de bevoegdheden waarop de Part-66-AML betrekking heeft, niet mag uitoefenen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, valt naar het oordeel van de Afdeling uit die bepaling evenwel geen grond voor intrekking van een Part-66-AML, en aldus geen bevoegdheid van de minister daartoe, af te leiden. In die bepaling zijn slechts de gevolgen van een intrekking van een Part-66-AML geregeld.

De Afdeling stelt voorts vast dat gronden voor intrekking van een Part-66-AML zijn opgenomen in de artikelen 2.1, vijfde lid, en 2.6 van de Wet luchtvaart, die gelet op artikel 3.30 van de Wet luchtvaart van overeenkomstige toepassing zijn bij de uitoefening van de bevoegdheid tot afgifte van onderhoudsbewijzen. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris erkend dat zich in dit geval geen van de in de artikelen 2.1, vijfde lid, en 2.6 van de Wet luchtvaart opgenomen intrekkingsgronden voordoet.

8.2. Het voorgaande betekent echter niet dat de minister, onder de gegeven omstandigheden, niet de bevoegdheid toekwam over te gaan tot intrekking van de bij besluit van 24 oktober 2008 aan [appellant] verstrekte Part-66-AML, onder afgifte van een nieuwe Part-66-AML en dat de aangevallen uitspraak reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

De Afdeling overweegt daartoe dat de staatssecretaris uiteen heeft gezet dat bij de conversie in 2008 is gestreefd naar een zo goed mogelijke omzetting van de verstrekte nationale bewijzen van onderhoudsbevoegdheid naar gelijkluidende Europese bewijzen van onderhoudsbevoegdheid, overeenkomstig de daartoe geldende Unierechtelijke bepalingen. De destijds gehanteerde conversiemethodiek veroorzaakte volgens de staatssecretaris op de Part-66-AML een legio aan limitaties. Die limitaties zijn volgens de staatssecretaris ontstaan, doordat de onderhoudsbevoegdheden op grond van een nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid niet overeenkwamen met die op grond van een Part-66-AML. Volgens de staatssecretaris bestond veel kritiek op de complexiteit van de geconverteerde onderhoudsbevoegdheden. De minister heeft vervolgens in juli 2009 besloten om over te gaan tot een vereenvoudigde conversie. In het besluit van 1 december 2011 heeft de staatssecretaris gemotiveerd dat het besluit van 12 maart 2010 ambtshalve is genomen, omdat aan de eerste conversie een aantal gebreken kleefde, die bij de tweede conversie dienden te worden hersteld. Aldus heeft de minister de in 2008 gebruikte omzettingsmethodiek, neergelegd in het destijds vastgestelde omzettingsrapport verlaten en is hij ambtshalve overgegaan tot een verlening van een Part-66-AML aan [appellant] overeenkomstig de nieuwe omzettingsmethodiek, neergelegd in een nieuw omzettingsrapport.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen vervult de Part-66-AML de essentiële basisvoorwaarde die waarborgt dat bij de houder ervan de minimale basiskennis en -ervaring en type- en praktijkkennis aanwezig is. De op grond van de Part-66-AML verkregen privileges mogen, zoals de rechtbank heeft overwogen, pas worden uitgeoefend als de houder competent is en over voldoende kennis en ervaring beschikt die nodig is voor de uit te voeren werkzaamheden.

De minister heeft de intrekking van de bij besluit van 24 oktober 2008 verstrekte Part-66-AML mede gestoeld op artikel 66.A.70 van Bijlage III bij de Verordening. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 8 van de Regeling, dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de omzetting van een nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid naar een Europees bewijs van onderhoudsbevoegdheid als uitgangspunt heeft te gelden dat geen verschil bestaat tussen de reikwijdte van het nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid en het Europese bewijs van onderhoudsbevoegdheid. In dit verband heeft de minister, zoals de rechtbank heeft overwogen, het standpunt ingenomen dat aan [appellant], in strijd met artikel 66.A.70 van Bijlage III bij de Verordening, gelezen in samenhang met artikel 8 van de Regeling, bij de omzetting die heeft geresulteerd in het besluit van 24 oktober 2008, meer onderhoudsbevoegdheden waren verleend dan waarover hij op de peildatum op grond van zijn nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid beschikte.

Gelet op het in artikel 66.A.70 van Bijlage III bij de Verordening, gelezen in samenhang met artikel 8 van de regeling, neergelegde uitgangspunt en het zwaarwegende belang dat is gediend met strikte handhaving van dat uitgangspunt en gegeven het in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginsel van Unietrouw, welke met zich brengen dat bij de omzetting niet meer bevoegdheden worden verleend dan waarover betrokkene op de peildatum beschikte, verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich in beginsel niet tegen de intrekking van de bij besluit van 24 oktober 2008 aan [appellant] verstrekte Part-66-AML. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister niet heeft hoeven wachten met intrekking van de aan [appellant] verstrekte Part-66-AML tot de volgende afgifte van een Part-66-AML in verband met verlening of wijziging.

Het betoog faalt.

9. In het licht van de door [appellant] aangedragen beroepsgronden in hoger beroep, dient vervolgens te worden beoordeeld of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de door de minister bij besluit van 12 maart 2010 opnieuw aan [appellant] verstrekte Part-66-AML de rechtmatigheidstoets kan doorstaan.

De bij besluit van 12 maart 2010 afgegeven Part-66-AML

10. Voor zover het betoog van [appellant] ziet op het oordeel van de rechtbank over de vliegtuigtypen Cessna P337 (Continental), Piper PA 46-310P (Continental) en Piper A 46-350P (Lycomming), heeft de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling bevestigd dat de aan [appellant] verstrekte Part-66-AML een onderhoudsbevoegdheid voor deze vliegtuigtypen omvat. De Afdeling zal het betoog in zoverre dan ook buiten beschouwing laten.

11. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de bevoegdheden, die hij op basis van jarenlange kennisvergaring en ervaring had verworven, in eerste instantie op zijn nationale bewijs van bevoegdheid en later op de bij besluit van 24 oktober 2008 verstrekte Part-66-AML waren vermeld. Een deel van die bevoegdheden is door het besluit van 12 maart 2010 teniet gedaan, aldus [appellant]. Daarbij is volgens [appellant] van belang dat zijn nationale bewijs van bevoegdheid diende te worden omgezet naar een Part-66-AML overeenkomstig de omzettingstabel uit 2008. Bij het besluit van 24 oktober 2008 is zijn nationale bewijs van bevoegdheid correct omgezet. De in 2010 vastgestelde omzettingstabel is niet van toepassing, omdat de bevoegdheden van [appellant] bij besluit van 24 oktober 2008 al waren omgezet. Als gevolg van de tweede omzetting ontbreken een aantal vliegtuigtypen, met een maximaal startgewicht van 5700 kg of minder, op de bij besluit van 12 maart 2010 afgegeven Part-66-AML, aldus [appellant]. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat de limitaties ‘excluding fdec, engine indication, propellor control, on board maintenance systems’ niet waren vermeld op zijn nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid en evenmin waren vermeld op de bij besluit van 24 oktober 2008 afgegeven Part-66-AML. Gelet hierop zijn die limitaties ten onrechte op de bij besluit van 12 maart 2010 verstrekte Part-66-AML vermeld, aldus [appellant].

11.1. Voor zover het betoog van [appellant] ziet op de overwegingen van de rechtbank over de vliegtuigtypen (Bombardier) Learjet 23 (GE CJ610), Hawker Beechcraft Beech B100 (Honeywell TPE 3310), Aero AE-270 (PWC PT6), Dornier Seastar CD2 (PWC PT6), Piagio P166 (Lycomming), Piper Pa-42 (Honeywell TPE 331) en Viking Air (De Havilland) DHC-6 (PWC PT6), overweegt de Afdeling als volgt.

Vast staat dat voormelde vliegtuigtypen op de bij besluit van 24 oktober 2008 verstrekte Part-66-AML waren vermeld en dat deze vliegtuigtypen niet zijn vermeld op de bij besluit van 12 maart 2010 aan [appellant] verstrekte Part-66-AML.

Nu de minister de bij besluit van 24 oktober 2008 verstrekte Part-66-AML heeft ingetrokken, dient te worden beoordeeld of de minister bij de ambtshalve afgifte van de Part-66-AML bij besluit van 12 maart 2010 het in artikel 66.A.70 van Bijlage III bij de Verordening, gelezen in samenhang met artikel 8 van de Regeling, neergelegde uitgangspunt dat geen verschil bestaat tussen de reikwijdte van het nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid en het Europese bewijs van onderhoudsbevoegdheid, heeft gerespecteerd. Daartoe dient in de eerste plaats te worden beoordeeld welke onderhoudsbevoegdheden het nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid bevatte, waarna dient te worden beoordeeld in hoeverre die onderhoudsbevoegdheden overeenkomen met de bevoegdheden die de bij besluit van 12 maart 2010 verstrekte Part-66-AML omvat.

11.2. Op het destijds aan [appellant] afgegeven nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid is vermeld dat het bewijs geldt voor categorie ‘DG’. Volgens dat bewijs van onderhoudsbevoegdheid staat categorie ‘DG’ voor:

"Automatische vluchtgeleidingssystemen alsmede communicatie-, navigatie-, en identificatie-installaties / Automatic flightguidancesystems and communication-, navigation- and identification installations installed in Category 1, 2 and 3 aircraft."

Die categorieën zijn op het bewijs omschreven als:

Cat. 1Z/T: vleugelvliegtuigen met één Zuiger- / Turbinemotor, zonder drukkajuit.

Cat. 2Z/T: vleugelvliegtuigen met een maximaal toegelaten totaalmassa van ten hoogste 5700 kg, met meer dan één Zuiger-/ Turbinemotor en/of uitgerust met een drukkajuit.

Cat. 3Z/T: Hefschroefvliegtuigen met een maximaal toegelaten totaalmassa van ten hoogste 2700 kg met één of meer Zuiger- /Turbinemotoren."

Hoewel deze, op het destijds aan [appellant] verstrekte nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid vermelde, categorieën overeenkomen met de in artikel 2, tweede lid, van de Regeling vermelde categorieën, valt uit het nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid niet af te leiden voor welke vliegtuigtypen de onderhoudsbevoegdheden golden. De staatssecretaris heeft zulks evenmin gemotiveerd uiteengezet in het besluit van 1 december 2011, gelezen in samenhang met de in het besluit van 26 juli 2010 gegeven motivering, hoewel dat met de ambtshalve afgifte van een nieuwe Part-66-AML op zijn weg lag. De staatssecretaris heeft in dit verband enkel gesteld dat de bij besluit van 12 maart 2010 verstrekte Part-66-AML overeenkomstig de conversietabel van 2010 is verleend en dat met de afgifte van die Part-66-AML geen onderhoudsbevoegdheden verloren zijn gegaan.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, onvoldoende gemotiveerd dat bij de afgifte van de Part-66-AML bij besluit van 12 maart 2010 het uitgangspunt dat geen verschil bestaat tussen de reikwijdte van het nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid en het Europese bewijs van onderhoudsbevoegdheid in acht heeft genomen.

De verklaring van de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling dat het destijds aan [appellant] afgegeven nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid zag op het onderhoud van in Nederland geregistreerde vliegtuigtypen, dat zulks ook is vermeld in het tweede conversierapport, en dat [appellant] feitelijk slechts onderhoud heeft gepleegd aan in Nederland geregistreerde vliegtuigtypen, leidt niet tot een ander oordeel. Met deze verklaring heeft de staatssecretaris immers niet nader gemotiveerd op welke vliegtuigtypen het destijds aan [appellant] verstrekte nationale bewijs van bevoegdheid zag. Daar komt bij dat de verklaring van de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling, dat uit het tweede conversierapport volgt dat het destijds aan [appellant] afgegeven nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid enkel zag op het onderhoud van in Nederland geregistreerde vliegtuigtypen, niet wordt geschraagd door hetgeen in dat tweede conversierapport is vermeld. In dat rapport is slechts vermeld: "Bij DG geen onderscheid naar type of groeprating, omdat altijd alle onderstaande ratings volgen uit DG", waarna een aantal vliegtuigtypen is vermeld. Hieruit valt evenwel niet af te leiden op welke vliegtuigtypen het destijds aan [appellant] afgegeven nationale bewijs van bevoegdheid zag. In zoverre heeft de staatssecretaris evenmin afdoende gemotiveerd uiteengezet dat het tweede conversierapport, waarop het besluit van 12 maart 2010 is gestoeld, overeenkomstig het in artikel 66.A.70 van Bijlage III bij de Verordening, gelezen in samenhang met artikel 8 van de Regeling, neergelegde uitgangspunt is opgesteld.

11.3. Voor zover het betoog van [appellant] ziet op het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht slechts het vliegtuigtype Diamond DA42 (Thielert) en niet ‘all aeroplanes in group 9’ heeft opgenomen in de bij besluit van 12 maart 2010 verstrekte Part-66-AML, overweegt de Afdeling als volgt.

De staatssecretaris heeft in zijn besluit van 1 december 2011, gelezen in samenhang met de in het besluit van 26 juli 2010 gegeven motivering, gesteld dat op de peildatum van 28 september 2008 in ‘group 9’ slechts één vliegtuigtype was opgenomen, namelijk de Diamond DA 42 (Thielert). Volgens de staatssecretaris zag het destijds aan [appellant] verstrekte nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid slechts op dat vliegtype uit ‘group 9’. Om die reden is slechts dit vliegtuigtype opgenomen op de bij het besluit van 12 maart 2010 verstrekte Part-66-AML opgenomen, aldus de staatssecretaris.

Nu, zoals hiervoor onder 11.2 is overwogen, uit het destijds aan [appellant] afgegeven nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid niet valt af te leiden voor welke vliegtuigtypen de onderhoudsbevoegdheden golden, zodat evenmin uit dat bewijs kan worden afgeleid voor welke vliegtuigtypen in ‘group 9’ die bevoegdheden golden, heeft de staatssecretaris niet draagkrachtig gemotiveerd dat hij bij de afgifte van de Part-66-AML wat de vliegtuigtypen in ‘group 9’ betreft, het uitgangspunt in acht heeft genomen dat geen verschil bestaat tussen de reikwijdte van het nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid en het Europese bewijs van onderhoudsbevoegdheid.

11.4. Voor zover het betoog van [appellant] ziet op het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat gelet op het aan [appellant] afgegeven nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid, de beperking ‘exluding fadec, engine indication, propellor control, on board maintenance systems’ op de bij besluit van 12 maart 2010 verstrekte Part-66-AML gerechtvaardigd is en dat [appellant] niet heeft gemotiveerd waarom die beperking ten onrechte op de Part-66-AML is vermeld, overweegt de Afdeling als volgt.

De staatssecretaris heeft in het besluit van 1 december 2011, gelezen in samenhang met de in het besluit van 26 juli 2010 gegeven motivering, overwogen dat een onderhoudsbevoegdheid in categorie B2, als vermeld op de bij besluit van 12 maart 2010 verstrekte Part-66-AML, de houder machtigt tot het afgeven van certificaten van geschiktheid voor gebruik na regulier onderhoud aan vliegtuigelektronica (avionica) en elektrische systemen. Deze omschrijving van de onderhoudsbevoegdheid komt overeen met de omschrijving van categorie B in artikel 66.A.20, sub a en onder 3, van Bijlage III bij de Verordening. De Afdeling houdt het ervoor dat met categorie B2, zoals vermeld op de bij besluit van 12 maart 2010 verstrekte Part-66-AML, de in artikel 66.A.20, sub a en onder 3, van Bijlage III bij de Verordening vermelde categorie B, wordt bedoeld. Volgens de staatssecretaris omvat die categorie B meer onderhoudsbevoegdheden, dan de op het destijds verstrekte nationale bewijs van onderhoudsbevoegdheid vermelde categorie DG.

Aan de staatssecretaris kan worden toegegeven dat de omschrijving van de onderhoudsbevoegdheden in categorie B, als bedoeld in artikel 66.A.20, sub a en onder 3, van Bijlage III bij de Verordening, ruimer is dan de omschrijving van onderhoudsbevoegdheden van de nationale categorie DG, als bedoeld in artikel 2 van de Regeling. Deze laatste categorie geeft de bevoegdheid voor werkzaamheden aan automatische vluchtgeleidingssystemen en communicatie-, navigatie- en identificatie-installaties, terwijl categorie B het reguliere onderhoud aan vliegtuigelektronica en elektrische systemen in zijn algemeenheid omvat.

Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat het op de weg van de staatssecretaris lag om te motiveren dat het verschil tussen de categorieën B en DG wordt gevormd door de op de Part-66-AML vermelde limitations, ‘excluding fdec, engine indication, propellor control, on board maintenance systems’. De enkele stelling daartoe is onvoldoende. Het standpunt van de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling dat het verschil is gelegen in de behaalde opleidingsmodules, is evenmin toereikend. De staatssecretaris heeft dit standpunt niet kenbaar toegespitst op de situatie van [appellant].

Onder die omstandigheden heeft de staatssecretaris niet op draagkrachtig gemotiveerde wijze inzichtelijk gemaakt dat hij bij de afgifte van de Part-66-AML onder de vermelde limitations het uitgangspunt in acht heeft genomen dat geen verschil bestaat tussen de reikwijdte van het nationaal bewijs van onderhoudsbevoegdheid en het Europese bewijs van onderhoudsbevoegdheid.

12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover aangevallen. Het besluit van 1 december 2011 komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover de rechtbank het in stand heeft gelaten. De staatssecretaris dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

13. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 januari 2013 in zaak nr. 12/23, voor zover daarbij het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 1 december 2011, kenmerk B-1-10-165.001 in stand is gelaten;

III. vernietigt dat besluit, voor zover de rechtbank dat in stand heeft gelaten;

IV. bepaalt dat tegen het door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. R.F.B. van Zutphen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014

581.