Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201403925/1/A1 en 201403925/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen vier maanden na verzenddatum van deze brief het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [locatie] te Geldermalsen te beƫindigen door het parkeren van vrachtwagens op een andere locatie plaats te laten vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403925/1/A1 en 201403925/2/A1.

Datum uitspraak: 26 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Geldermalsen, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2014 in zaak nr. 13/8247 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen vier maanden na verzenddatum van deze brief het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [locatie] te Geldermalsen te beƫindigen door het parkeren van vrachtwagens op een andere locatie plaats te laten vinden.

Bij besluit van 11 november 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en heeft het de begunstigingstermijn verlengd tot 1 juni 2014.

Bij uitspraak van 1 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 mei 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Oord, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.M. Leenders-Van Heck, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. A. van der Leest.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Vast staat dat [appellant] het perceel gebruikt om vrachtwagens te parkeren en dat dit gebruik in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Geldermalsen Woongebied 2011"(hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende bestemming "Wonen-Landelijk".

3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden af had moeten zien. Daartoe voert hij aan dat door het college ten onrechte geen gevolg is gegeven aan het advies van de bezwaarschriftencommissie met betrekking tot het onderzoek naar legalisatiemogelijkheden tegen de achtergrond van de toelichting van het bestemmingsplan, terwijl dit advies wel door hem is overgenomen. Volgens [appellant] is het college bij de beoordeling of sprake is van concreet zicht op legalisatie voorts ten onrechte van een transportbedrijf op het perceel uitgegaan. Het college heeft volgens hem verder in het besluit op bezwaar ten onrechte niets overwogen over het vooroverleg dat met de gemeente heeft plaatsgevonden, de omstandigheid dat hij nimmer geheimzinnig is geweest over het gebruik van het perceel en de omstandigheid dat de uitrit van het perceel door de gemeente is vergund en extra asfalt in de berm is aangebracht in verband met het maken van de bocht door een vrachtwagen. Het was volgens [appellant] aan het college om aan te geven hoe het die omstandigheden kwalificeert en beoordeelt in het licht van de jurisprudentie van de Afdeling.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2012 in zaak nr. 201109901/1/A1), volstaat het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Een besluit tot weigering gebruik te maken van deze bevoegdheid is als zodanig in deze procedure niet aan de orde, zodat de rechterlijke toetsing ter zake zeer terughoudend is.

Dat het college bij de beoordeling van de vraag of sprake is van concreet zicht op legalisatie ten onrechte van een transportbedrijf is uitgegaan, zoals [appellant] betoogt, is niet gebleken. Het strijdige gebruik waar onderhavige last op ziet, betreft het parkeren van vrachtwagens en het college heeft bezien of er mogelijkheden tot legalisering bestaan voor dit gebruik. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet wenselijk is om het onderhavige gebruik te legaliseren of te gedogen. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat het om een recent bestemmingsplan gaat, de afstand van de woning van [appellant] tot het bedrijf kleiner is dan de richtafstand voor transportbedrijven in de VNG-brochure en het onderhavige gebruik voorts in strijd is met het gemeentelijk beleid zoals neergelegd in de Ruimtelijke Visie Stedelijke Schakelzone (hierna: Visie Schakelzone). Het college heeft er op gewezen dat het perceel in de Visie Schakelzone is gelegen in de "open parkzone" welke een concentratie vormt van maatschappelijke functies en particuliere dienstverlening die veelal minder goed zijn in te passen in centra of op een bedrijventerrein. Het gebruik past goed op een bedrijventerrein en is daarom niet passend ter plaatse van het perceel, aldus het college.

Het door [appellant] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college in het besluit op bezwaar ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Dat in de plantoelichting bij het bestemmingsplan met betrekking tot het gebied waarin het perceel is gelegen is opgenomen dat het zich leent voor functiemenging en dat bedrijven mogelijk zijn, is hiervoor onvoldoende. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen concreet zicht op legalisering is.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit de door [appellant] genoemde omstandigheden ten aanzien van de voorgeschiedenis niet volgt dat het college niet handhavend meer kon optreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 mei 2012 in zaaknr. 201106121/1/A1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Niet is gebleken dat er aan het college toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan [appellant] het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik. De stelling dat vooroverleg zou hebben plaatsgevonden met de gemeente waarbij [appellant] zou hebben aangegeven dat het perceel voor het parkeren van vrachtwagens zou worden gebruikt, de aan hem verleende aanlegvergunning voor een uitrit noch het aanleggen door de gemeente van extra asfalt in de berm kunnen als zodanige toezeggingen worden aangemerkt.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van handhavend optreden af had moeten zien.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de begunstigingstermijn te kort is, gelet op de omstandigheid dat niet valt te verwachten dat er op 1 juni 2014 een geschikt alternatief op grond van de Visie Vrachtverkeer beschikbaar is.

5.1. Dit betoog faalt. De omstandigheid dat het college de lengte van de begunstigingstermijn heeft verbonden aan de in voorbereiding zijnde Visie Vrachtverkeer Geldermalsen en zijn verwachting dat er rond 1 juni 2014 een alternatief voor het parkeren beschikbaar zou zijn, doet niet af aan het uitgangspunt dat de begunstigingstermijn lang genoeg moet zijn om de vereiste maatregelen daadwerkelijk te kunnen treffen teneinde verbeurte van dwangsommen te voorkomen en dat deze termijn niet afhankelijk is van het vinden van alternatieven. Het door [appellant] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de hem geboden begunstigingstermijn in redelijkheid niet toereikend is om aan de last te kunnen voldoen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2014

580.