Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
201401714/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om wijziging van de beperking van aan hen verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401714/1/V1.

Datum uitspraak: 24 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 januari 2014 in zaak nr. 12/40205 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen (hierna tezamen: de vreemdelingen),

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om wijziging van de beperking van aan hen verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 14 december 2012 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het besluit). Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 januari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan hij de vreemdelingen voortgezet verblijf moet toestaan omdat hij onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of voor de vreemdelingen opvang en hervestiging in Nigeria mogelijk is op een plek waar voor alle drie voldoende bescherming en zorg bestaat. Hiertoe voert hij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2013 in zaak nr. 201209487/1/V3 aan dat de rechtbank heeft miskend dat hem beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling krachtens artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit 2000, zoals dat ten tijde van belang luidde, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat die beoordeling terughoudend getoetst dient te worden. Voorts voert de staatssecretaris aan dat de dochter van de vreemdeling geen reëel risico op besnijdenis loopt, nu volgens het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Nigeria van oktober 2012 (hierna: het ambtsbericht) een grote groep vrouwen niet besneden wordt, het percentage vrouwen dat wordt besneden in de stedelijke gebieden afneemt en besnijdenis in de deelstaat Edo, waar de vreemdeling vandaan komt, strafbaar is gesteld. De vreemdeling kan haar dochter aan het risico van besnijdenis onttrekken door zich in een grote stad in Nigeria te vestigen, aldus de staatssecretaris. Voorts voert de staatssecretaris, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 10 april 2012 in zaak nr. 201103208/1/V1 en 1 juli 2011 in zaak nr. 201012568/1/V1, aan dat vrouwen die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, opvang en bijstand van the National Agency for Prohibition of Traffic in Persons and Other Related Matters (hierna: NAPTIP) kunnen verkrijgen. Uit het ambtsbericht blijkt dat de vrouwen die in deze shelters verblijven veilig zijn en dat dat ook geldt voor aldaar verblijvende kinderen, aldus de staatssecretaris.

3. In het ambtsbericht is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

Hoewel de federale regering zich publiekelijk tegen Female Genital Mutilation (hierna: FGM) uitspreekt, zijn er geen federale wetten die genitale verminking uitdrukkelijk verbieden. FGM blijkt in de stedelijke gebieden af te nemen, maar komt nog veel voor in de landelijke gebieden. Organisaties die zich sterk maken voor een verbod op FGM, richten zich vooral op die gebieden. De deelstaten Abia, Bayelsa, Cross River, Delta, Ebonyi, Edo, Ekiti, Ogun, Ondo, Osun, Oyo en Rivers hebben FGM strafbaar gesteld. In de praktijk worden er echter zelden controles uitgevoerd en vindt er niet of nauwelijks rechtsvervolging plaats. Voor zover bekend is er nog nooit iemand in Nigeria veroordeeld wegens het plegen van FGM, ook niet in de deelstaten waar dat verboden is. De politie is vaak niet op de hoogte van het verbod. Velen zien FGM als een traditionele gewoonte die alle deugdzame vrouwen moeten ondergaan. Over het algemeen is de politie dan ook niet in staat om bescherming te bieden aan vrouwen en meisjes die dreigen slachtoffer te worden van genitale verminking.

Volgens de Nigeria Demographic and Health Survey uit 2008 zou ongeveer 30% van de Nigeriaanse vrouwen slachtoffer zijn van genitale verminking. Hoewel genitale verminking in het hele land onder alle bevolkingsgroepen voorkomt, is het percentage vrouwen dat slachtoffer is van FGM, hoger onder de Hausa, Ibo en Yoruba (schattingen lopen uiteen tussen de 35% en 60%). De maatschappelijke druk om genitale verminking toe te passen is altijd groot, vooral in landelijk gebieden.

[…]

Of vrouwen zich kunnen onttrekken aan genitale verminking door zich buiten de eigen leefgemeenschap te vestigen verschilt per geval en is mede afhankelijk van de vraag in hoeverre men zonder sociaal netwerk ergens anders een nieuw bestaan kan opbouwen.

[…]

In Nigeria zijn er beperkt opvangmogelijkheden (shelters) aanwezig waar vrouwen en meisjes die zich willen onttrekken aan huiselijk geweld, FGM of een gedwongen huwelijk, (tijdelijk) opvang kunnen vinden. Meestal keren zij na een paar weken weer terug naar huis, waar de kans bestaat dat zij nogmaals slachtoffer worden van geweld. De shelters zijn alleen in enkele grote steden aanwezig en worden geleid door non-gouvernementele organisaties [hierna: ngo's]. Van overheidswege zijn er geen opvangmogelijkheden.

[…]

NAPTIP beschikt over een aantal opvangtehuizen (shelters), verspreid over het land (Abuja, Benin City, Enugu, Kano, Lagos, Sokoto en Uyo). De capaciteit van deze tehuizen verschilt, maar varieert van 20 tot 120 bedden met een gemiddelde bezetting van 50 á 60 bedden. In de tehuizen worden door NAPTIP vooral vrouwen en meisjes opgevangen en jongens tot ongeveer 12 jaar (in voorkomende gevallen ook oudere mannelijke slachtoffers). De slachtoffers zijn hier veilig.

[…]

De shelters van NAPTIP bieden in principe tijdelijke opvang. De meeste slachtoffers verblijven er doorgaans zes weken. De maximale periode is in de praktijk ongeveer drie maanden. Slachtoffers worden echter nooit zomaar op straat gezet.

[…]

4. Uit de weergegeven passages van het ambtsbericht volgt dat een grote meerderheid van de vrouwen in Nigeria niet wordt besneden, dat het percentage vrouwen dat wordt besneden in de stedelijke gebieden afneemt en dat in enkele grote steden opvangmogelijkheden door ngo's worden geboden aan vrouwen die zich willen onttrekken aan besnijdenis. Onder verwijzing naar het ambtsbericht en voormelde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2011 heeft de staatssecretaris zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat, voor zover de vreemdeling betoogt dat binnen haar etnische bevolkingsgroep meisjes worden besneden, zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen opvang kan verkrijgen in een stad buiten haar herkomstgebied in Nigeria om haar dochter aan het risico van besnijdenis te onttrekken. Tevens heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht volgt dat NAPTIP over opvangmogelijkheden voor slachtoffers van mensenhandel beschikt waar de vreemdelingen terecht kunnen. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar twee kinderen door NAPTIP niet zullen worden toegelaten tot de opvang. Het door de vreemdelingen aangevoerde Trafficking in Persons Report van het U.S. Department of State van 19 juni 2012 leidt niet tot een ander oordeel nu daaruit volgt dat de overheid van Nigeria zich inzet om te voldoen aan de minimumnormen voor de strijd tegen mensenhandel en dat NAPTIP weliswaar ondersteuning van de regering nodig heeft, maar opvang en bescherming biedt aan slachtoffers van mensenhandel. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde opvangproblemen geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die met zich brengen dat van de vreemdelingen niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaten.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6. De vreemdelingen voeren in beroep aan dat de staatssecretaris ten onrechte de medische gesteldheid van de vreemdeling niet inhoudelijk bij zijn belangenafweging heeft betrokken.

De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat er opvang en psychische hulp aanwezig is in Nigeria voor slachtoffers van mensenhandel en dat indien uitsluitend een beroep wordt gedaan op medische omstandigheden, een beoordeling in het kader van een medische behandeling in de rede ligt waartoe de vreemdeling een daarop gerichte aanvraag kan indienen. Aldus heeft de staatssecretaris de aangevoerde medische problemen voldoende bij zijn beoordeling betrokken.

7. De vreemdelingen voeren in beroep aan dat de afwijzing van de aanvragen leidt tot een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), nu de kinderen hier te lande zijn geboren.

Nu de staatssecretaris zich in het besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gelet op de jonge leeftijd van haar twee kinderen zij niet zodanig in Nederland zijn geworteld dat zij zich niet zouden kunnen vestigen in Nigeria, is dat besluit niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.

8. De vreemdelingen voeren in beroep aan dat de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten de in verband met het gemaakte bezwaar gemaakte kosten te vergoeden, nu hij het besluit van 25 juni 2012 had moeten herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

Reeds nu de staatssecretaris het besluit van 25 juni 2012 gelet op het voorgaande terecht niet heeft herroepen, faalt deze beroepsgrond eveneens.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 januari 2014 in zaak nr. 12/40205;

III. verklaart het door de vreemdelingen in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014

412-793.